Cornelius a Lapide, S.J.

Prooemium et Encomium Sacrae Scripturae

(Voorwoord en lofprijzing van de Heilige Schrift)


Eerste afdeling

Over haar oorsprong, waardigheid, voorwerp, noodzakelijkheid, vrucht, omvang, moeilijkheid, voorbeelden, methode en ordening.

Die beroemde Egyptische theoloog, bijna een tijdgenoot van Mozes, Mercurius, door de heidenen Trismegistus genoemd, lang bij zichzelf overwegend op welke wijze hij het heelal het best zou kunnen beschrijven, barstte ten slotte aldus uit: „Het heelal,” zo sprak hij, „is een boek der goddelijkheid, en deze schemerende tijd is een spiegel van goddelijke dingen.” Inderdaad, uit dit boek had hij zijn eigen theologie door langdurige overpeinzing geleerd. „Want de hemelen verhalen de glorie van God, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;” en: „Uit de grootheid van de schoonheid der schepselen kan hun Schepper worden aanschouwd, alsook zijn eeuwige en onzichtbare kracht en goddelijkheid;” zodat men in deze grote tafelen van de hemelen, in de bladzijden van de elementen en de boekdelen van de tijd, met een scherpziend oog als het ware openlijk de leer van de goddelijke onderrichting kan lezen: zo immers meten wij uit de allereerste beginselen van de wereld en uit het ondernemen om haar uit het niets te scheppen, de almachtige kracht en energie van haar Schepper; uit de veelvoudige, onharmonische en toch bontgeschakeerde samenklank der geschapen dingen, zijn weldadige afgrond; uit die ruime omvang van alle andere geesten, lichamen, bewegingen en tijden, de eeuwigheid en onmetelijkheid van de Schepper, en nemen deze tot op zekere hoogte waar. Zo kan men uit het gewicht, het getal en de maat van diezelfde dingen de allerwijste voorzienigheid van deze grote Bouwmeester bewonderen en opzien naar de talrijke en wonderbaar samenklinkende harmonie en het patroon van elke natuur daarin, die oorspronkelijk elk deel van dit heelal in vaste en volkomen onwrikbare maten, zowel met zichzelf als met elk ander vergelijkbaar deel op de meest vriendschappelijke wijze heeft verbonden, en deze vriendschappelijke band door haar voortdurende invloed onverbreekbaar bewaart en beschermt, opdat zij in standvastig vertrouwen eendrachtig hun banen mogen afwisselen. De eeuwige Wijsheid zelf, dit openlijk over zichzelf verkondigend, zegt in Spreuken 8,22: „Toen Hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen Hij de diepten met een vaste wet en cirkel omsloot; toen Hij het uitspansel boven bevestigde en de waterbronnen woog; toen Hij de zee met haar grens omgaf en een wet stelde voor de wateren, opdat zij hun grenzen niet zouden overschrijden; toen Hij de fundamenten der aarde legde, was ik bij Hem en ordende alle dingen,” alsof zij te kennen gaf dat zij bepaalde tekens van zichzelf in deze samenstelling had gegrift.

2. Maar hoewel deze schone microkosmos wel het oerbeeld onthult waaruit hij door zijn Schepper is gevormd, namelijk de heilige goddelijke macht en de ongeschapen sfeer van de allerhoogste goddelijkheid, en dit voor onze ogen plaatst, is dit boek toch in vele opzichten onvolmaakt en levert het slechts ruwe grondstoffen, sporen zeg ik, waarmee men veeleer, als uit een klauw de leeuw herkent, dan een heldere en volledige beschrijving van zijn schrijver. Bovendien, daar het enkel in het schrift der natuur is geschreven, dicteert het niets van die dingen welke de grenzen der natuur te boven gaan, waardoor wij bevorderd zouden worden tot de hemel van de Heilige Drie-eenheid en ons eeuwig goed, dat wij met al onze verlangens in leven en dood najagen.

3. Het behaagde daarom de goddelijke en grenzeloze goedheid — dat wil zeggen de allerwijste schrijver, snel en met wonderbare neerbuigendheid schrijvend — een andere pen te gebruiken, ons andere tafelen voor te leggen, geheel andere lettertekens van zichzelf af te beelden: die niet een stomme gelijkenis, maar onderscheiden stemmen voor de ogen, klanken voor de oren, betekenissen voor de geest, en levende beelden van goddelijke dingen zouden invoegen, waarmee Hij zowel zichzelf als de hemelse geesten en alle geschapen dingen, en al wat ons bij de hand leidt tot een goed en zalig leven, zo helder als welwillend en wijs zou beschrijven. Dit is hetgeen Mozes, op het punt staand de wet Gods aan Israël voor te schrijven, met verwondering uitriep, Deuteronomium 4,7: „Zie,” roept hij uit, „een wijs en verstandig volk, een groot volk; er is geen ander volk zo groot dat goden heeft die het zo nabij zijn: want welk ander volk is zo vermaard dat het ceremoniën heeft, en rechtvaardige voorschriften, en de gehele wet, die ik heden voor uw ogen zal uitvaardigen?”

Inderdaad, hoe wonderbaar is het de heilige boeken van de goddelijke Schrift — de eigenhandig door God aan ons geschreven brieven, zeg ik, en de onbetwijfelbare getuigen van de goddelijke wil — steeds bij de hand te hebben, ze keer op keer te lezen, ze om en om te keren! Hoe lieflijk, hoe vroom, hoe heilzaam, een huiselijk orakel te ontvangen dat men kan raadplegen, waar men niet Apollo vanaf zijn drievoet hoort, maar God zelf, veel helderder en zekerder sprekend dan vanuit de oude ark en de Cherubijnen!

Dit is hetgeen de H. Karel Borromeus overwoog, toen hij de Heilige Schrift als goddelijke orakelen placht te lezen, slechts met ontbloot hoofd en gebogen knie, eerbiedig lezend.

Daarom waren er eertijds in de kerken twee bewaarplaatsen, aan de rechter- en linkerzijde van de apsis geplaatst: in de ene werd het heilig Sacrament des Altaars bewaard, en in de andere de heilige boekdelen van de goddelijke Schrift. Vandaar dat de H. Paulinus (zoals hijzelf getuigt in brief 42 aan Severus) in de kerk te Nola die hij had gebouwd, beval dat aan de rechterkant deze verzen zouden worden aangebracht:

Hier is de plaats, de eerbiedwaardige bewaarplaats waar bewaard wordt, en waar
De voedende pracht van de heilige bediening is neergelegd;

en aan de linkerkant deze:

Indien iemand door een heilig verlangen wordt bewogen om de wet te overwegen,
Hier kan hij gezeten de heilige boeken bestuderen.

Zo bewaren de Joden ook nu nog in hun synagogen de wet van Mozes als een orakel, prachtig in een tabernakel, evenals wij het Heilig Sacrament, en stellen haar openbaar ten toon; zij waken ervoor de Bijbel niet met ongewassen handen aan te raken; zij kussen haar telkens wanneer zij haar openen en sluiten; zij zitten niet op de bank waarop de Bijbel rust; en als hij op de grond valt, vasten zij een gehele dag — hetgeen het des te verwonderlijker maakt dat deze dingen door sommige christenen nalatig worden behandeld.

De H. Gregorius, in Boek IV, brief 84, berispt Theodorus, hoewel hij arts was, omdat hij de Heilige Schrift nalatig las: „De Keizer des hemels, de Heer der engelen en der mensen, heeft u zijn brieven toegezonden voor uw heil, en gij verzuimt ze vurig te lezen! Want wat is de Heilige Schrift anders dan een soort brief van de almachtige God aan zijn schepsel?” Daarom zal ik iets uitvoeriger handelen over de Heilige Letteren: ten eerste, hun voortreffelijkheid, noodzakelijkheid en vrucht; ten tweede, hun stof en omvang; ten derde, hun moeilijkheid; ten vierde, zal ik de oordelen en voorbeelden van de Kerkvaders in deze zaak aanvoeren; ten vijfde, zal ik tonen met welke voorbereiding des geestes en met welke inspanning deze studie ondernomen dient te worden.


Hoofdstuk I: Over de voortreffelijkheid, noodzakelijkheid en vrucht van de Heilige Schrift

I. De wijsgeren leren dat de beginselen van bewijsvoeringen en wetenschappen gekend moeten worden vóór die wetenschappen en bewijsvoeringen zelf. Want er is in de wetenschappen, evenals in alle andere dingen, een orde; en elke waarheid is óf een eerste waarheid, voor ieder vanzelfsprekend, óf zij vloeit uit een eerste waarheid voort langs bepaalde kanalen, en indien men die afsnijdt, als door het doorsnijden van de kanalen van een bron, heeft men alle stroompjes van waarheid die daaruit ontspringen vernietigd. Welnu, de Heilige Schrift bevat alle beginselen van de theologie. Want de theologie is niets anders dan een wetenschap van gevolgtrekkingen uit beginselen die door het geloof vaststaan, en daarom is zij de meest verhevene van alle wetenschappen, alsook de meest zekere: maar de beginselen des geloofs en het geloof zelf zijn vervat in de Heilige Schrift: waaruit klaarblijkelijk volgt dat de Heilige Schrift de grondslagen van de theologie legt, waaruit de theoloog, door de redenering des geestes, zoals een moeder haar kroost, nieuwe bewijsvoeringen verwekt en voortbrengt. Wie derhalve meent de scholastieke theologie door ernstige studie van de Heilige Schrift te kunnen scheiden, verbeeldt zich een kind zonder moeder, een huis zonder fundamenten, en als een aarde hangend in het luchtledige.

Dit zag die goddelijke Dionysius in, die door geheel de oudheid als de kruin der theologen en de „hemelsche vogel” werd beschouwd, die overal, wanneer hij over God en hemelse dingen disputeert, belijdt voort te gaan gesteund door de Heilige Schrift als door een beginsel en een schitterende fakkel. Eén voorbeeld moge voor alle gelden, uit het allereerste begin van zijn werk Over de Goddelijke Namen, hoofdstuk 1, waar hij ongeveer aldus als voorrede stelt: „Om geen enkele reden,” zegt hij, „mag het worden aangenomen iets te zeggen of te denken over de bovenwezelijke en allerverborgenste goddelijkheid, buiten hetgeen de heilige orakelen ons hebben overgeleverd: want de opperste en goddelijke kennis van die onwetendheid (omtrent het goddelijk mysterie namelijk) moet aan haar worden toegeschreven, en het is slechts geoorloofd naar hogere dingen te streven voor zover de straal van de goddelijke orakelen zich gewaardigt zich in te laten, terwijl het overige met kuis stilzwijgen als onuitsprekelijk geëerd dient te worden: zoals bijvoorbeeld dat de oorspronkelijke en bronwellende godheid de Vader is, en dat de Zoon en de Heilige Geest als het ware scheuten zijn, goddelijk geplant uit de vruchtbare godheid, en als het waren bloemen en bovenwezelijke lichten — dit hebben wij ontvangen uit de heilige Schriften. Want die Geest is ontoegankelijk voor alle wezens, maar door hem, voor zover het hem behaagt, worden wij met uitgestrekte hand door de heilige Letteren omhoog gevoerd om die opperste luister in te drinken, en van daaruit worden wij gericht op goddelijke hymnen en gevormd tot heilige lofprijzingen.” En wederom leert hij in het boek Over de Mystieke Theologie dat de geestelijke en mystieke theologie, die tot het bovenwezelijke verborgene en de duisternis Gods doordringt door alle geschapen dingen bij wijze van ontkenning te overstijgen, zonder beelden, eng is en zo samengeperst dat zij ten slotte in stilzwijgen eindigt: maar de symbolische theologie, die, doordat God in de Schrift tot onze woorden afdaalt, ons zijn zintuiglijke beelden voorhoudt, zich uitstrekt tot een passende breedte — en om die reden placht de H. Bartholomeus te zeggen dat de theologie zowel zeer groot als zeer klein is, en het Evangelie zowel breed en groot als wederom beknopt: mystiek namelijk, en opklimmend, klein en beknopt; symbolisch daarentegen, en afdalend, groot en ruim.

Inderdaad, indien wij van het symbolische beroofd waren, indien God in de heilige boeken geen beelden van zichzelf en zijn eigenschappen had gegeven, hoe volkomen sprakeloos, hoe stom zou heel onze theologie zijn! Indien de Schrift had gezwegen over de Heilige Drie-eenheid — één en dezelfde monade en wezen — zou er dan niet een diepe en eeuwigdurende stilte heersen onder de scholastici over een zo uitgestrekt onderwerp, over relaties, oorsprong, voortbrenging, spiratie, noties, personen, het Woord, het beeld, de liefde, de gave, de macht en de notionele daad, en al het overige? Indien de goddelijke orakelen onze zaligheid niet plaatsten in de aanschouwing Gods, wie van de theologen zou haar — ik zeg niet: erop hopen — maar zelfs van verre kunnen bespeuren? Indien de heilige profeten en de schrijvers van het nieuwe testament met stilzwijgen waren voorbijgegaan aan geloof, hoop, godsdienst, martelaarschap, maagdelijkheid, en elke andere keten van deugden die de natuur overstijgen en goddelijk zijn — wie zou hen met vernuft, wie met verlangens en wil hebben nagestreefd? Voorwaar, deze dingen bleven verborgen voor de wijzen van weleer, hoewel begiftigd met een bijna wonderbaarlijk en buitengewoon bevattingsvermogen; de academie van Plato wist niets van deze dingen, hier zwijgt heel de school van Pythagoras, hier zijn Socrates, Pimander, Anaxagoras, Thales en Aristoteles kinderen. Ik laat onbesproken hoe de goddelijke Letteren helderder en zekerder dan welke ethiek ook de aan de natuur verwante deugden behandelen, de wet en de plichten die de mens waardig zijn voor zover hij rede bezit, en de daaraan tegengestelde ondeugden, en het gehele veld van de moraalfilosofie — zodat op hen alleen die lofprijzingen van Cicero voor de filosofie, of de ethiek, het best van toepassing zijn, en zij terecht mogen worden genoemd „het licht des levens, de leermeesteres der zeden, de geneeskunde der ziel, de regel van het goede leven, de voedster der gerechtigheid, de fakkel der godsdienst.”

De H. Justinus, filosoof en martelaar, leerde dit en ondervond het tot zijn groot voordeel. Zoals hijzelf getuigt aan het begin van zijn dialoog tegen Trypho, gretig naar de filosofie en die ware wijsheid die tot God leidt, dwaalde hij vergeefs door de meer illustere sekten der filosofen in een opmerkelijke omweg, als een Odyssee van dwalingen, totdat hij ten slotte rust vond in de christelijke ethiek van de Heilige Letteren, als in de enige vaste grond. Eerst voegde hij zich als leerling bij een zekere stoïcijn, maar daar hij van hem niets over God vernam, koos hij een peripatetisch leermeester, die hij verachtte omdat hij de wijsheid voor geld verkocht; vervolgens verviel hij tot een pythagoreeër, maar daar hij geen sterrenkundige noch meetkundige was (welke kunsten die leraar als voorvereisten voor het zalige leven eiste), gleed hij van deze af naar een platonist, door hen allen met een ijdele en vluchtige hoop op wijsheid bedrogen; totdat hij onverwacht een zekere goddelijke filosoof ontmoette, hetzij mens, hetzij engel, die hem onmiddellijk overhaalde al dat rondgaande geleerdheid te verzaken en de boeken der profeten te lezen, wier gezag groter was dan enige bewijsvoering en wier wijsheid het allerheizaamst was — om daarop al zijn verlangen naar kennis te scherpen. En die vertrok en werd door hem niet meer gezien, maar een zo vurig verlangen naar deze heilige studie en het lezen van de goddelijke geschriften werd in hem geworpen, dat hij terstond, na alle andere geleerdheid vaarwel te hebben gezegd, deze ene met de grootste gretigheid najoeg en met de grootste standvastigheid volgde, met zo'n overvloedige vrucht dat zij ons Justinus voortbracht als christen, als filosoof èn als martelaar. Het is alleszins de moeite waard voor ons allen diezelfde raad van die goddelijke filosoof op te volgen, indien wij het ware besef van God en vroomheid, de christelijke zeden en de geest van een heilig leven wensen in te drinken en in ons op te nemen.

Want bedrieglijk is die mening welke de scherpte des geestes van velen verblindt, namelijk dat de Heilige Letteren niet voor zichzelf maar slechts voor anderen geleerd moeten worden, opdat men de leraar of de prediker zou spelen — dat wil zeggen, opdat men zichzelf zou beroven van het goed dat men voor anderen zoekt, en als een dagloner zo'n edele schat niet voor zichzelf maar voor anderen zou opgraven of delven. De goddelijke orakelen zelf denken er niet zo over: „Wij hebben,” zegt de zalige Petrus, Eerste Brief, hoofdstuk 1, vers 19, „het des te vaster profetische woord, waarop gij er goed aan doet acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster oprijst in uw harten.” Het past u derhalve u allereerst te richten op deze fakkel, haar te volgen, opdat de morgenster die in uw hart is opgegaan, vervolgens voor anderen moge stralen.

De koninklijke Psalmist noemt niet hem zalig die de woorden Gods aan anderen uitstort, maar hem die over zijn wet dag en nacht mediteert; zo iemand, zegt hij, is als een boom geplant aan stromend water, die zijn vrucht zal geven op de bestemde tijd. Met dit doel bovenal wilde God dat de heilige boeken voor ons geschreven werden, en stelde Hij zijn woord voor als een lamp voor onze voeten en een licht op onze paden, opdat wij, wandelend tussen deze tuinen van de meest schitterende vreugde — meer dan de tuinen van Alcinoüs — gevoed zouden worden door de allerlieflijkste aanblik van hemelse vruchten en hun smaak zouden genieten. En inderdaad, zoals men in een paradijs, temidden van de ontluikende scheuten van bomen en bloemen, of de glanzende gezichten van appels, onvermijdelijk als voorbijganger ten minste door de geur en de kleur wordt verkwikt; en zoals wij zien dat wie in de zon wandelt, al is het voor zijn genoegen, toch warm wordt en een blos krijgt: zo worden de geest, de zinnen, de raadgevingen, de verlangens en de zeden van hen die de goddelijke Letteren godvruchtig en gestadig lezen, horen en leren, noodzakelijkerwijs als het ware geverfd met een zekere kleur van goddelijkheid, en ontstoken in heilige gevoelens.

Want wie zou zich niet bekleden met kuise zuiverheid van ziel, wanneer hij de kuise woorden des Heren hoort, als zilver in het vuur beproefd, die haar met zoveel lofprijzingen verheffen en met zo grote beloningen aanbevelen? Welk hart is zo koud dat het niet warm wordt van liefde, wanneer het Paulus hoort branden van liefde, overal vurige vlammen van goddelijke liefde slingerend? Wiens geest zou niet opspringen bij het lezen van hemelse goederen in de Schriften, zodat hij deze lage goederen versmaadt en veracht? Wie zou niet, met deze hoop der hemelbewoners, ernaar verlangen hun leven in een menselijk lichaam na te volgen, en als een mens-engel te leven? Wie zou zijn mannelijke borst niet sterken voor geloof en vroomheid tegen zelfs de machtigste golven van kwalen, en een schone dood zoeken door wonden, wanneer hij met gespitste oren en harten deze heilige bazuinen indrinkt en ontvangt, die zo lieflijk en krachtig dapperheid en standvastigheid doen weerklinken? Zo immers roemen de Makkabeeën, 1 Makkabeeën 12,9, die slechts de heilige boeken als troost hadden, dat zij met onoverwonnen deugd standhouden, ondoordringbaar voor alle vijanden. En de Apostel, de gelovigen bewapend voor alle beproevingen en moeiten, Romeinen 15,4: „Al wat geschreven is,” zegt hij, „is geschreven tot onze lering, opdat wij door geduld en door de vertroosting der Schriften hoop mogen hebben.” Ik weet waarlijk niet welke levensgeest de goddelijke woorden door een verborgen invloed de lezers inblazen, zodat, indien men ze vergelijkt met de geschriften van de meest geleerde en heiligste mannen, hoe vurig ook, men deze levenloos en gene levend en leven ademend zou oordelen.

Eén enkele stem van het Evangelie was in staat — „Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop al wat gij hebt, en geef het aan de armen” — de grote Antonius, toen nog een jongeman, vermaard om zijn adeldom en rijkdom, te ontvlammen met zo'n liefde voor de evangelische armoede dat hij zich terstond ontdeed van al die goederen waarnaar blinde stervelingen zo gretig gapen, en een hemels leven op aarde omhelsde door de kloostergelofte. Zo schrijft de H. Athanasius in zijn Leven. De goddelijke Schrift was in staat Victorinus, toen een opgeblazen redenaar van de stad, van heidens bijgeloof en hoogmoed tot het christelijk geloof en de nederigheid te bekeren. De lezing van Paulus was in staat niet alleen de ketter Augustinus bij de rechtzinnigen te voegen, maar ook, nadat hij uit de allerlaagste afgrond van dagelijkse wellust was gesleurd, hem voort te drijven en te bevorderen tot onthouding en kuisheid — niet slechts huwelijkse, zeg ik, maar religieuze, geheel celibataire en ongerepte kuisheid. Zie Belijdenissen VIII, 11; VII, 21. Eén enkele lezing van het Evangelie was in staat — „Zalig de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen; zalig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden!” — Simeon de Styliet onmiddellijk te bekeren en hem zóver te bevorderen dat hij tachtig achtereenvolgende jaren op één voet bovenop een zuil stond, dat hij zich dag en nacht aan het gebed wijdde, vrijwel zonder voedsel of slaap levend, zodat hij een wonder der wereld leek, en niet zozeer een mens als een engel gevallen in het vlees. Waarom dan, zult gij vragen, voelen wij die zo dikwijls de Heilige Schrift lezen, deze gloeden, deze levensveranderingen niet? Omdat wij haar achteloos en gapend lezen, zodat wij terecht dat woord van de H. Marcianus bij Theodoretus in de Philotheos mogen toepassen, die, toen de bisschoppen hem vroegen een woord van heil te spreken, zeide: God spreekt dagelijks tot ons door zijn schepselen en door de Heilige Schrift, en toch ontlenen wij daaraan weinig baat: hoe zal ik dan, tot u sprekend, u van nut zijn, ik die dit voordeel samen met anderen verlies?

Eens zag die allergeheimzinnigste van alle profeten, Ezechiël, een grote rivier stromen vanonder de drempel van het huis des Heren, die hij niet kon oversteken, „omdat de wateren van de diepe stroom gezwollen waren,” zegt hij, „die niet doorwaadbaar is: en toen ik mij omkeerde, zie, aan de oever van de stroom waren aan beide zijden zeer vele bomen.” Maar wat waren dat? Zeker alle heiligen, zowel de ouden als de nieuwen, zowel van de wet als van het Evangelie, die, gezeten aan de stromen der Evangelisten, Apostelen en Profeten, als de schoonste bomen altijd groen zijn en overvloeien van een lieflijke en zoete overvloed van allerlei vruchten. Want dezelfde rivier voedt en laaft beide oevers; dezelfde, zeg ik, Heilige Geest, de Auteur van de Schrift, heeft één en dezelfde Schrift geweven, die door verschillende eeuwen heenloopt, en heeft aan alle vromen door zowel het nieuwe als het oude testament levensap ingestort, indien wij het slechts willen opdrinken.


Hoofdstuk II: Over het voorwerp en de omvang van de Heilige Schrift

II. Welnu, om deze zaken vanaf een hoger beginsel op te vatten, laat ons bezien wat en hoe groot het onderwerp van de Heilige Schrift is, en wat haar stof. Wilt gij dat ik in één woord zeg dat de Heilige Schrift alles wat kenbaar is tot voorwerp heeft, alle wetenschappen en al wat geweten kan worden in haar schoot omvat: en daarom een soort universiteit van wetenschappen is, die alle wetenschappen hetzij formeel, hetzij op eminente wijze bevat? Origenes, commentaar gevend op hoofdstuk 1 van de H. Johannes, zegt: de goddelijke Schrift is een verstandelijke wereld, samengesteld uit haar vier delen als uit vier elementen; wier aarde als het ware in het midden ligt als een middelpunt, namelijk de geschiedenis; waaromheen, naar het beeld van wateren, de afgrond van het zedelijk inzicht wordt uitgegoten; om de geschiedenis en de ethiek heen, als om twee delen van deze wereld, draait de lucht van de natuurwetenschap; maar buiten alles en erboven is die etherische en vurige gloed van de empyreïsche hemel omsloten, dat wil zeggen de hogere beschouwing van de goddelijke natuur, die men theologie noemt: aldus Origenes. Waaruit men op zijn beurt, evenals men de historische zin aan de aarde en de tropologische aan het water toekent, zo terecht de allegorische aan de lucht en de anagogische aan het vuur en de ether kan toepassen.

Maar ik beweer voorts dat de Heilige Schrift in haar zin — niet slechts de mystieke, maar zelfs in de letterlijke zin alleen, die de eerste plaats bekleedt en die boven alles moet worden nagestreefd — alle kennis en alles wat kenbaar is omvat.

Om dit aan te tonen, stel ik een drievoudige orde van dingen, waarnaar filosofen en theologen alle dingen herleiden: de eerste is die van de natuur, of van de natuurlijke dingen; de tweede, van de bovennatuurlijke dingen en de genade; de derde, van het goddelijk wezen met zijn eigenschappen, zowel de wezenlijke als de notionele. De eerste orde van de natuur wordt onderzocht door de natuurkunde en andere disciplines van de natuurfilosofie; de tweede en derde, in dit leven, door de geopenbaarde leer, die tot het geloof en de theologie behoort; in het volgende leven, door de aanschouwing der goddelijkheid, die de heiligen en engelen zalig maakt. Welnu, de H. Thomas leert dat de Heilige Schrift ook de eerste orde van de natuurlijke dingen behandelt, meteen op de drempel van de Summa Theologica: want in artikel 1 van de eerste kwestie, waar hij vraagt of er naast de filosofische disciplines een andere leer noodzakelijk is, antwoordt hij met een tweevoudige conclusie. De eerste is: „Een bepaalde door God geopenbaarde leer is noodzakelijk voor het menselijk heil naast de filosofische disciplines,” namelijk om die dingen te kennen welke het verstand en de natuurlijke vermogens van de mens te boven gaan; de tweede: „Dezelfde geopenbaarde leer is ook noodzakelijk in die dingen welke door het natuurlijke licht langs de weg der filosofie onderzocht kunnen worden.” Hij voegt de reden toe: omdat deze waarheid door de filosofie slechts door weinigen, na lange tijd en met een bijmenging van vele dwalingen verworven wordt: daarom is de geopenbaarde leer nodig, die de filosofie mag richten, verbeteren en gemakkelijk en zeker aan allen overdragen.

Een schitterend voorbeeld leveren de vorsten der filosofen, Plato en Aristoteles, die door opmerkelijk vernuft veel bereikten, maar ook veel zo dubbelzinnig en zo duister nalieten, dat de ijver van Griekse, Latijnse en Arabische commentatoren er gedurende vele eeuwen over gezwoegd heeft om hen uit te leggen. Ik laat de dwalingen en fabels onbesproken, „maar niet zoals uw wet.” Deze ware en degelijke wijsheid „is niet gehoord in Kanaän, noch gezien in Teman,” zegt Baruch III, 22; „ook de zonen van Hagar, die de wijsheid zoeken die van de aarde is, de kooplieden van Merrha en Teman, en de fabelvertellers, en de zoekers naar wijsheid en inzicht, hebben de weg der wijsheid niet gekend, noch haar paden herdacht; maar Hij die alle dingen kent, kent haar, Hij die de aarde heeft bereid voor alle tijden, die het licht uitzendt en het gaat, dit is onze God, Hij heeft elke weg der kennis gevonden en haar gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël zijn beminde, hierna:” dat wil zeggen, opdat Hij deze kennis ten volle zou leren, „is Hij op aarde gezien en heeft Hij met de mensen verkeerd.”

Gij zult vragen, op welke plaats dan de natuurkunde, de ethiek en de metafysica in de Heilige Schrift worden onderwezen? Ik zeg dat de natuurkunde, zelfs in haar oervorm en vanaf haar allereerste oorsprong, wordt overgeleverd in Genesis, in Prediker, in Job; de ethiek, door de kortste spreuken en gezegden in de Spreuken, de Wijsheid en Ecclesiasticus; de metafysica, vooral in Job en in de Psalmen, waarin door hymnen de macht, wijsheid en onmetelijkheid van God, samen met zijn werken — namelijk de engelen en alle andere dingen — worden gevierd. Geschiedenis en chronologie van het allereerste begin der wereld tot bijna de tijden van Christus zou men nergens zekerder, lieflijker of rijker geschakeerd kunnen zoeken dan uit Genesis, Exodus, de boeken van Jozua, Rechters, Koningen, Ezra en de Makkabeeën. Dat de Heilige Schrift de sofisterij veroordeelt en degelijke argumentatie en logica gebruikt, leert de H. Augustinus in Boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 31. Over de wiskundige kennis ontleend aan getallen onderwijst dezelfde schrijver in Boek III van Over de christelijke leer, hoofdstuk 35. De meetkunde blijkt uit de bouw van het tabernakel en de tempel, zowel die van Salomo als die zo wonderbaar gemeten bij Ezechiël. Terecht heeft de H. Augustinus dan ook gezegd aan het einde van Boek II van Over de christelijke leer: „Zoveel als de hoeveelheid goud, zilver en klederen die het Hebreeuwse volk uit Egypte meebracht, geringer is dan de rijkdommen die het later in Jeruzalem verkreeg, vooral onder Salomo, zó groot is alle kennis, zelfs nuttige kennis, verzameld uit de boeken der heidenen, indien zij vergeleken wordt met de kennis van de goddelijke Schriften: want al wat een mens elders heeft geleerd, indien het schadelijk is, wordt het daar veroordeeld; en wanneer iemand daar alles heeft gevonden wat hij elders nuttig heeft geleerd, zal hij daar veel overvloediger die dingen vinden welke nergens anders te vinden zijn, maar slechts in de wonderbare verhevenheid en wonderbare nederigheid van die Schriften geleerd worden.”

Want alle vrije kunsten, alle talen, alle wetenschappen en kunsten — die elk binnen bepaalde grenzen besloten liggen — dienen als dienstmaagden van de Heilige Schrift, als van hun meesteres en koningin. Maar deze heilige wetenschap omspant alle dingen, omvat de gehele werkelijkheid en eist het gebruik van alles met recht voor zichzelf op: zodat zij, als de meest volmaakte van alle, het doel en het eindpunt van alle, als laatste in de volgorde van het leren aan de beurt komt.

Aldus behandelt de Heilige Schrift de eerste orde der dingen — dat is de orde van de natuur — vooral voor zover zij God en Gods eigenschappen raakt, de onsterfelijkheid en vrijheid van de ziel, straffen, beloningen en alle geschapen dingen, zekerder en degelijker dan de natuurwetenschappen ze nastreven, en leidt die wetenschappen terug op het rechte pad waar zij ook maar afdwalen.

De grofste dwalingen van Plato zijn acht in getal: bijvoorbeeld dat Plato leert dat God lichamelijk is; dat God de ziel van de wereld is, die zich vermengt met zijn groot lichaam; dat er jongere en mindere goden zijn; dat zielen vóór het lichaam bestonden en in het lichaam als in een kerker de misdaden van een vorig leven boeten; dat onze kennis slechts herinnering is; dat in de Staat vrouwen gemeenschappelijk moeten zijn; dat men soms van de leugen gebruik moet maken als van nieskruid; dat er een omwenteling zal plaatsvinden van mensen, dieren, tijdperken en alle dingen, zodat na tienduizend jaar dezelfde mensen hier zullen zitten als studenten, leraren en toehoorders: zo zal er een terugkeer en wedergeboorte van zielen zijn, namelijk:
„Wanneer zij het rad duizend jaren hebben rondgedraaid,
Beginnen zij opnieuw te verlangen in lichamen terug te keren.”

Ja zelfs, zoals Pythagoras uit dezelfde bron leerde, verhuizen zielen van lichaam naar lichaam, nu van een mens, dan van een dier; vandaar placht hij van zichzelf te zeggen: Ik zelf, ik herinner mij — wie zou het niet geloven? Hijzelf zei het! — van de als toeschouwers toegelatenen, zoudt gij uw lachen kunnen bedwingen? —
„Ik zelf, ik herinner mij, in de tijd van de Trojaanse oorlog
Was ik Euphorbus, zoon van Panthous, in wiens borst eens
De zware lans van de jongere zoon van Atreus stak.”

Is niet het bekende Hebreeuwse spreekwoord hier ten zeerste waar: ascher ric core lemore lo omen lebore, dat wil zeggen: ‚Wie gemakkelijk en onbezonnen een leraar vertrouwt, wantrouwt de Schepper'?

Maar Aristoteles — in wiens vernuft de natuur het uiterste van haar vermogen toonde, zoals Averroës zegt — bindt de Eerste Beweger vast aan het Oosten; beweert dat Hij beweegt door het noodlot en de natuurlijke noodzakelijkheid; dat deze wereld eeuwig is; dat er geen bepaalde waarheid is van toekomstige contingente dingen; dat God ze niet met bepaaldheid kent; en wat betreft de onsterfelijkheid van de ziel, Gods voorzienigheid over de mensen en de dingen beneden de maan, toekomstige straffen en beloningen, ofwel ontkent hij ze ronduit, ofwel hult hij ze zo in duisternis dat zij, als een inktvis gewikkeld in zijn eigen kronkels, niet herkend of ontward kunnen worden — en om die reden werd hij door velen de beul der verstanden genoemd en beschouwd, vanwege zijn geaffecteerde duisterheid.

Toen Democritus en Empedocles deze schaduwen van het natuurlijke licht doorzagen, beleden zij ronduit dat niets door ons waarlijk gekend kan worden. Socrates placht te zeggen dat hij slechts dit wist: dat hij niets wist; Arcesilas, dat zelfs dit niet geweten kon worden; Anaxagoras met zijn volgelingen hield vol dat al onze kennis louter mening is, dat de dingen ons slechts zo schijnen — ja, dat niet met zekerheid geweten kan worden of sneeuw wit is, maar slechts dat zij ons zo toeschijnt — want alle zintuigen kunnen bedrogen worden, evenals het gezicht, het zekerste van alle, bedrogen wordt wanneer het de hals van een duif ziet, door gebroken lichtstralen, bontgekleurd met hemelse kleuren, terwijl er in werkelijkheid geen zulke kleuren in de duif bestaan.

In deze nacht van ons verduisterd gezichtsvermogen, in deze zee en afgrond, hebben wij de lantaarn van de geopenbaarde leer nodig als een vuurtoren. „Uw woord is een lamp voor mijn voeten,” zegt de koninklijke Psalmist, Psalm 118,105, „en een licht op mijn paden: de goddelozen vertelden mij fabelen, maar niet zoals uw wet.”

8. Wat de tweede orde betreft, die van de genade, en de derde, die van de goddelijkheid, ziet ieder met de H. Thomas in dat deze aan de filosofen onbekend waren (daar zij het licht der natuur te boven gaan) en zonder Gods openbaring, zonder het Woord Gods niet gekend kunnen worden. Ziet gij dan hoe de Heilige Schrift alle orden der dingen omspant, zich in alle binnendringt, en als een zon der wijsheid vanuit zichzelf de stralen van alle waarheid verspreidt?

Aristoteles, of wie ook de auteur is, in zijn boek Over de wereld, de vraag stellend wat God is, zegt: „God is in de wereld wat de stuurman is in een schip, de wagenmenner in een strijdwagen, de koorleider in een koor, de wet in een staat, de veldheer in een leger” — behalve dat in die gevallen het gezag moeizaam, onrustig en bezorgd is; bij God het allergemakkelijkst, allervrijst en allergeordendst.

Hetzelfde zoudt gij zeggen van de Heilige Schrift, die de gids, de wet, de leidster en de regelaarster van alle andere wetenschappen is. Empedocles immers, gevraagd wat God is, antwoordde: God is een onbegrijpelijke sfeer wier middelpunt overal en wier omtrek nergens is. Zo zoudt gij aan wie vraagt wat de Heilige Schrift is, terecht antwoorden: Zij is een onbegrijpelijke sfeer van geleerdheid wier middelpunt overal en wier omtrek nergens is — want de Heilige Schrift is het Woord Gods. Derhalve, evenals het woord van onze geest de geest zelf en al haar denkbeelden weergeeft, zo drukt de Heilige Schrift, als het Woord van de goddelijke geest, in zichzelf enig en als het ware evenredig aan het goddelijk verstand en de goddelijke kennis (waarmee God zichzelf en alle dingen, natuurlijke en bovennatuurlijke, in één oogopslag van zijn geest aanschouwt), vele en verscheidene dingen uit, om aan de engten van onze geest — die dat ene, onmetelijk uitgestrekte niet kan bevatten — het geheel, maar als het ware stuksgewijs als aan kinderen, door verscheidene uitspraken, voorbeelden en vergelijkingen geleidelijk in te prenten.

En vervolgens putten de scholastici uit deze als uit een zee de stromen van theologische gevolgtrekkingen. Neem de Heilige Schrift weg uit de scholastieke theologie, en gij zult geen theologie maar filosofie voortbrengen; gij zult een filosoof zijn, geen theoloog. Verbind de twee, met elkander vervlochten, en gij zult elk kenmerk van zowel theoloog als filosoof verdienen.

9. Zo zijn de dingen die in het Eerste Deel behandeld worden over Gods wezen en eigenschappen, de predestinatie, de engelen, de mens en het werk der zes dagen (dat geheel aan Genesis hoofdstuk 1 ontleend is) door de H. Thomas en de scholastici, geput en afgeleid uit hetgeen wij door de openbaring van de Heilige Schrift hebben geleerd. Daarom opent de H. Dionysius, met de vinger naar de bronnen wijzend, zijn Hemelse Hiërarchie aldus: „Laat ons met al onze krachten voortgaan om de Heilige Schriften te verstaan, zoals wij ze van de Kerkvaders ontvangen hebben om beschouwd te worden, en laat ons, voor zover wij kunnen, de onderscheidingen en orden van de hemelse geesten overdenken, die zij ons hetzij door tekenen, hetzij door de geheimen van een heiliger begrip hebben overgeleverd.” Want indien de Heilige Schriften de engelen niet voor ons schilderden, welke Apelles, welk oog, welke scherpzinnigheid van onderzoek zou hun omtrekken hebben kunnen schetsen?

Hetzelfde is het gevoelen van de H. Clemens, de gezel en leerling van de zalige Petrus, in Brief 5.

Hetgeen in het Derde Deel behandeld wordt over de Menswording is geheel ontleend aan de vier Evangeliën, die het leven van Christus verhalen; hetgeen de oude Sacramenten betreft, aan Leviticus; hetgeen de Sacramenten van de nieuwe wet betreft, aan het Nieuwe Testament op verscheidene plaatsen. Hetgeen in de Prima Secundae behandeld wordt over de zaligheid, de menselijke handelingen, de vrijheid, het vrijwillige, de hartstochten, de erfzonde, de dagelijkse en doodzonde, de genade, de verdiensten en de schuld — vanwaar, vraag ik, komen deze anders dan uit de openbaring Gods? Hetgeen in de Secunda Secundae betwist wordt over geloof, hoop en liefde, berust zozeer op de Heilige Schrift dat het gehele begrip ervan tot deze drie wordt herleid, zegt de H. Augustinus, Boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 40. „Want het doel van het gebod,” zegt de Apostel, „is de liefde uit een zuiver hart, en een goed geweten, en een ongeveinsd geloof.” „Ongeveinsd geloof” — daar hebt gij het oprechte geloof; „een goed geweten” — daar hebt gij de hoop, want een goed geweten hoopt en een slecht geweten wanhoopt; „liefde uit een zuiver hart” — daar hebt gij de liefde.

Hetgeen de theologen leren over rechtvaardigheid, sterkte, voorzichtigheid, matigheid en de deugden die daarmee verbonden zijn, behandelt ook Mozes in Exodus en Deuteronomium met zijn rechterlijke voorschriften, waardoor hij aan eenieder recht doet; evenals Salomo in de Spreuken, Prediker en Wijsheid; en Ecclesiasticus omvat deze onderwerpen eveneens — vandaar dat het Panaretos werd genoemd, alsof men zou zeggen: ‚alle deugd.'

Want de Heilige Schrift is door de Heilige Geest zo harmonieus ineengeweven dat zij zich aanpast aan alle plaatsen, tijden, personen, moeilijkheden, gevaren, ziekten, aan het verdrijven van kwalen, het oproepen van goederen, het vernietigen van dwalingen, het vestigen van leerstellingen, het inplanten van deugden en het afweren van ondeugden; zodat de H. Basilius haar terecht vergelijkt met een allerrijkst voorziene werkplaats, die geneesmiddelen van elke soort voor elke ziekte levert: zo putte de Kerk uit de Schrift haar standvastigheid en sterkte toen de tijden die der martelaren waren; de lichten der wijsheid en de stromen der welsprekendheid toen de tijden die der Leraren waren; de bolwerken des geloofs en de omverwerping van dwalingen toen de tijden die der ketters waren; in voorspoed leerde zij er nederigheid en bescheidenheid; in tegenspoed, grootmoedigheid; in lauwheid, vurigheid en ijver; en ten slotte, wanneer zij in de loop van zovele voorbijgaande jaren door ouderdom, vlekken en gebreken werd ontsierd, verwierf zij uit deze bron het herstel van haar verloren zeden en een terugkeer tot haar oorspronkelijke waardigheid en toestand.

Zo zegt de H. Bernardus, over die woorden van Christus, „Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop al wat gij hebt, en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben”: „Dit zijn de woorden die de gehele wereld hebben overtuigd van verachting der wereld en vrijwillige armoede; dit zijn de woorden die de kloosters vullen voor de monniken en de woestijnen voor de kluizenaars.”

Zo begint ook het heilig Concilie van Trente de hervorming van de Kerk vanuit de Heilige Schrift, en schrijft in zijn gehele eerste decreet Over de Hervorming zo zorgvuldig als uitvoerig voor dat de lezing van de Heilige Schrift overal hetzij ingesteld, hetzij hersteld worde.

10. Hoe nuttig, ja hoe noodzakelijk deze discipline van de Heilige Schrift zelf is voor hen die niet voor zichzelf alleen leven, maar een deel van hun leven ten behoeve van anderen besteden — en vooral voor hen die heilige leerstoelen bekleden — spreekt de zaak zelf uit zelfs zonder mijn woorden, en de algemene gewoonte van alle kerkelijke personen bevestigt het. En dit is geen recente ontwikkeling: wie de ouden onderzoekt, zal een veel vollere kennis van de heilige geschriften in die vroege tijden bespeuren, en zo overvloedig dat dikwijls hun gehele rede niet zozeer met de Schrift doorspekt als wel door haar als in een sierlijke keten aaneengeregen schijnt; en hij zal zich niet verwonderen wanneer hij leest dat Origenessen, Antoniussen en Vincentiussen orakelen, tempelen en arken van het verbond werden genoemd.

De H. Gregorius legt schitterend uit, in het 18e boek van de Moralia, hoofdstuk 14, die passage uit Job, „Het zilver heeft de beginselen van zijn aderen”: „Het zilver,” zegt hij, „is de glans van het woord of van de wijsheid; de aderen zijn de Heilige Schrift, alsof hij openlijk zou zeggen: Wie zich voorbereidt op de woorden van de ware prediking, moet de oorsprongen van zijn argumenten aan de heilige bladzijden ontlenen; opdat hij alles wat hij zegt tot het fundament van het goddelijk gezag mag herleiden, en het bouwwerk van zijn rede daarop stevig mag grondvesten.”

En de H. Augustinus, schrijvend aan Volusianus: „Hier worden verdorven geesten heilzaam verbeterd, kleine geesten gevoed en grote geesten verheugd; die ziel is de vijand van deze leer die haar óf door dwaling niet als allerheizaamst kent, óf, ziek zijnde, het geneesmiddel haat.”

Het is derhalve terecht te betreuren dat wij zelfs in onze eigen tijd zien wat de H. Hiëronymus in de Gehelmde Proloog de mensen van zijn eeuw verwijt: dat terwijl in alle andere kunsten de mensen eerst plegen te leren voordat zij onderwijzen, in de Heilige Schrift de meesten willen onderwijzen wat zij nooit geleerd hebben. „De kunst der Schriften alleen,” zegt hij, „is er een die iedereen overal voor zichzelf opeist, en wanneer zij de oren van het volk met geslepen taal hebben gestreeld, beschouwen zij alles wat zij gezegd hebben als de wet Gods; en zij verwaardigen zich niet te weten wat de Profeten en Apostelen bedoelden, maar passen ongerijmde getuigenissen aan hun eigen mening aan — alsof het iets groots zou zijn, en niet de meest verderfelijke wijze van onderricht, om de zin te verdraaien en de Schrift, al weerstaat zij, naar hun eigen wil te slepen.”

Inderdaad, velen worden gegrepen door de ongeneeslijke jeuk om te onderwijzen en weinigen door de liefde voor het leren, en die liefde is gering: vandaar komt het dat zij de Schrift als was in elke richting buigen, haar door een wonderbare metamorfose in elke gedaante omvormen, en als gokkers met de goddelijke woorden ermee spelen naargelang het lot valt, haar dikwijls geweld aandoend, en in vreemde betekenissen verdraaien — tegen de allergewichtigste decreten van de heilige Kerkvaders, de Canones, de Concilies, en vooral het Concilie van Trente — wat in het geval van Vergilius de dichters niet zouden hebben geduld. Maar vanwaar komt dit alles? Ik geloof, van een zeker geeuwen en een al te algemene luiheid: zij hebben hun letteren verkeerd geleerd, het spijt hen naarstig te leren wat zij moeten onderwijzen, en hun eigen traagheid spreidt duisternis over hun geest, zodat zij de Heilige Schrift gemakkelijk en voor iedereen met eigen vernuft toegankelijk achten, en menen te weten wat zij niet weten, en niet weten dat zij niet weten. Dit is de wortel van alle kwaad die uitgerukt moet worden — een besmetting die, wijduit kruipend, velen heeft aangetast en zich allerbreedst heeft verspreid.


Hoofdstuk III: Over de moeilijkheid van de Heilige Schrift

21. III. Laten wij nu onderzoeken, zoals op de derde plaats werd voorgesteld, hoe gemakkelijk de goddelijke boeken zijn. En om kort vooraf te zeggen wat ik denk en wat ik tracht aan te tonen: ik beweer dat de Heilige Schrift veel moeilijker te begrijpen is dan alle profane geschriften — Griekse, Latijnse, Hebreeuwse en welke andere ook. Of dit zo is, laten wij bezien.

De Heilige Schrift overtreft alle andere, naar algemene instemming, in vele opzichten, maar in het bijzonder hierin: dat terwijl andere geschriften in één enkele uitdrukking slechts één betekenis uitspreken, deze er ten minste vier uitdrukt. Want zij bezit betekenis niet alleen van woorden, maar ook van de zaken die daardoor worden aangeduid; waaruit volgt dat de letterlijke zin het begrip biedt van de historische gebeurtenis of zaak die onmiddellijk door de heilige woorden wordt uitgedrukt; maar diezelfde geschiedenis of gebeurtenis duidt bovendien, in allegorische zin, iets profetisch aan over Christus de Heer; beveelt in tropologische zin iets aan dat geschikt is voor de vorming van de zeden; en zich nog hoger verheffend op een derde wijze, stelt zij door de anagogie de hemelse Mysteriën voor om in raadsel te worden beschouwd.

En van deze kunt gij nauwelijks zelfs één ware betekenis bereiken; hoe zult gij dan zo gemakkelijk en overmoedig de andere drie beloven?

Maar, zult gij zeggen, de historische zin heeft de overhand; ik zoek slechts deze ene, en ik leid hem voldoende af uit scholastieke beginselen en meet hem daarnaar; om de symbolische zin, die onzeker is en die iedereen gemakkelijk zou kunnen verzinnen, bekommer ik mij niet angstig. Maar pas op, dat gij niet, evenals die Neoptolemus van Ennius, die „zeide dat hij wilde filosoferen, maar slechts een weinig, want in het geheel behaagde het hem niet,” slechts in naam of aan de oppervlakte de theoloog speelt.

Want in de eerste plaats, wat de mystieke zin betreft — dat deze de voornaamste zin van de Schrift is, daarvan getuigt het gehele Oude Testament, dat het meest rechtstreeks de daden van die tijd verhaalt, of zaken die gedaan moesten worden, maar bovenal Christus overal op symbolische wijze aanduidt. Hetzelfde oordeel geldt voor de overige zinnen.

En evenals Jonathan in 1 Koningen, hoofdstuk 20, om deze zaak met een bekend voorbeeld te bezien, heimelijk David een teken tot vlucht zou geven: door volgens afspraak een pijl af te schieten en de jongen die deze moest oprapen te bevelen verder vooruit te gaan, duidde hij twee dingen aan — het eerste onmiddellijk, dat de jongen de pijl zou oprapen; het tweede meer verwijderd, maar wat hij veel meer wilde overbrengen, namelijk dat David, door dit teken gewaarschuwd, de vlucht moest nemen. Precies zo is het hier gesteld: de historische zin van de Schrift is de eerste, maar de mystieke is de gewichtiger; en uit deze laatste, zoals uit de eerste, kan de theoloog het krachtigste bewijs putten om zijn leerstelling te vestigen, mits het vaststaat dat het de ware zin is, zoals Christus de Heer en de Apostelen er zeer dikwijls het doeltreffendst uit besluiten. Maar indien het niet vaststaat, maar twijfelachtig is of de mystieke zin van een bepaalde passage de ware is — wat wonder dan als uit een twijfelachtige premisse een twijfelachtige conclusie wordt afgeleid? Want ook uit de historische zin die aan de letter vasthoudt, indien deze onzeker en twijfelachtig is, zult gij nooit iets zekers voortbrengen.

22. Voorts, te menen dat de geestelijke zinnen louter verzinsels zijn, en dat iedereen ze naar eigen goeddunken op elke passage kan toepassen — alsof iemand Proba Falconia (die de Latijnse Sappho was) zou navolgen die Vergilius' Aeneis, of keizerin Eudocia die Homerus' Ilias aan Christus aanpaste, en zo de Heilige Schrift aan zijn eigen vrome verzinsel zou aanpassen — dit is een verderfelijke mening, en nog gevaarlijker om in praktijk te brengen.

Want indien de mystieke zin een ware zin van de Schrift is, indien de Heilige Geest deze bij uitstek heeft willen dicteren, met welk recht zal het dan iedereen vrijstaan hem naar believen uit te leggen? Met welke onbeschaamdheid zal iemand het verzinsel van zijn eigen brein de bedoeling van de Heilige Geest noemen, en zichzelf en zijn waren als een dweper van de Heilige Geest aanprijzen?

Diegenen onder de Kerkvaders die zich het meest met de allegorie bezighielden, zagen dit in en waakten er zorgvuldig voor; vervuld met dezelfde Geest drongen zij haar niet roekeloos op waar zij hun scheen toe te lachen, of om hun eigen denkbeelden te staven, noch pasten zij, zoals men pleegt te zeggen, onbeholpen een scheenplaat op het voorhoofd of een helm op het been; maar zij bonden haar zo aan de werkelijkheid vast dat zij in alle opzichten passend overeenstemde.

Want evenals in de historische zin de woorden de gebeurtenissen aanduiden, zo duiden in de allegorische zin de gebeurtenissen andere, meer verborgen werkelijkheden aan: zodat, tenzij de allegorie met de geschiedenis overeenkomt, zij geheel onwaar en ijdel is. Om deze reden leert H. Hiëronymus, schrijvend over Hosea, hoofdstuk 10, dat het goddeloos is om wat gewoonlijk over de koning van Assyrië wordt gezegd, tropologisch op Christus toe te passen — wat hij zelf eens ondoordacht had gedaan —; en in zijn proloog op Obadja verwijt hij zichzelf dat hij eens die profeet allegorisch had uitgelegd zonder nog diens historische betekenis te hebben begrepen.

23. Maar wat de historische zin betreft, zelfs als die alleen u zou volstaan, hoeveel en hoe grote hulpmiddelen zijn er niet nodig? Hoe dikwijls is hij verborgen! Hoe diep verscholen in de Hebreeuwse of Griekse uitdrukkingswijze, in een stijl van spreken die nieuw is en van alle andere verschilt! Hoe verheven zweeft hij dikwijls op tot de grootste hoogten!

En dit is niet verwonderlijk. Want indien de woorden der wijzen de gedachten van een wijs verstand uitdrukken, en de taal beantwoordt aan de opvatting des geestes: waar deze hemels en goddelijk is, hoe noodzakelijk moet dan ook de uitdrukking hemels en goddelijk zijn? Niemand betwijfelt dat de heilige boeken in hun woorden de gedachten van de Heilige Geest en de wijsheid van het eeuwige Woord omvatten: zodat men niet over de grond moet kruipen, maar zich omhoog moet heffen, indien men door deze goddelijke uitspraken tot de goddelijke gedachten en de Eerste Waarheid wil opvliegen.

Ik erken gaarne dat de Scholastieke Leeraars veel uit de Schriften met scherpzinnigheid afleiden en op verscheidene plaatsen bespreken; maar zij stellen zichzelf hun eigen grenzen in de theologische vraagstukken, die hun overvloedig de stof en het werk verschaffen dat voor een theoloog het nuttigst en waarlijk noodzakelijk is, zodat zij geen gelegenheid hebben om beroepshalve iets anders te behandelen — zoals ook degene die de Heilige Schrift toelicht, nu en dan de theologische conclusies die in heilige teksten zijn gewikkeld, nauwkeuriger ontvouwt, maar, om niet buiten zijn leest te gaan, zich onmiddellijk tot zijn eigen gebied terugtrekt.

Maar het is één ding om iets te proeven, iets geheel anders om dezelfde stof in een zekere en doorlopende orde aaneen te weven; één ding om een bepaalde zinspreuk te onderzoeken, iets anders om een geheel boekdeel en al zijn passages te ontvouwen met een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek van wat voorafgaat en volgt, met nasporing van de Hebreeuwse en Griekse bronnen, en met lezing van de heilige Vaders, om zijn zegswijze in zich op te nemen en er zich als thuis in te bewegen. Wie dit verwaarloost, tevreden met zekere moeilijker uitspraken die her en der zijn uitgekozen en verklaard, zal nooit tot het heilige binnenste doordringen — dat wil zeggen, tot de verborgen betekenis van de heilige woorden —, maar zal ook gemakkelijk van de waarheid en de bedoeling des schrijvers afdwalen.

Dit kan men zien bij sommige oudere schrijvers, overigens niet ongeleerde mannen, die in theologische zaken soms zo zorgeloos een of ander heilig axioma aangrijpen en misbruiken, dat zij bij onze ketters gelach en bij de katholieken ergernis verwekken.

24. H. Gregorius vermaant de lezer voortreffelijk in zijn voorwoord op de Boeken der Koningen dat hij soms de geschiedenis anders uitlegt dan de Vaders deden: want, zegt hij, als zij achtereenvolgens alles zouden uiteenzetten wat zij gedeeltelijk hadden aangeraakt, hadden zij op geen enkele wijze de samenhang van de uitdrukking die zij schenen te volgen, kunnen bewaren. Veel wordt immers ingevoegd, gaat vooraf of volgt, dat vergeleken moet worden met de passage die gij behandelt; de wijze van de heilige uitdrukking moet ook op andere plaatsen worden onderzocht, en de zegswijze moet worden nagegaan. Indien deze niet samenhangen met de uitleg, is dat geenszins de ware betekenis van de passage, geenszins de kracht, het vermogen en de betekenis van de rede: zodat gij dikwijls in twijfel kunt zijn of de duisterheid van de zaak zelf dan wel van de uitdrukking groter is.

Ik ga met stilzwijgen voorbij aan de gevarieerde en als het ware alomvattende breedte van de stof: want wat wordt er in het gehele Oude en Nieuwe Testament niet behandeld of aangeraakt?

25. Ter illustratie: om de boeken der Koningen, der Makkabeeën, van Ezra, Daniël en de overige Profeten te begrijpen, hoeveel heidense geschiedenis van allerlei aard moet men niet kennen! Hoeveel rijken — van de Assyriërs, Meden, Perzen, Grieken en Romeinen — moeten grondig worden geleerd! Hoeveel zeden van volken, rituelen van verdragen, oorlogen, offers en huwelijken moeten worden onderzocht! Hoeveel liggingen van steden, rivieren, bergen en streken uit de oudste universele chorografie en kosmografie moeten worden verkend!


Hoofdstuk IV: Oordelen en voorbeelden van de Kerkvaders

IV. Maar opdat er op dit punt geen scrupel overblijve, welaan, laten wij de zaak van haar oorsprong af afleiden en bezien hoe in elke tijd de moeilijkheid niet minder dan de waardigheid van de Heilige Schrift zowel de eerbied ervoor heeft gescherpt als de ijver der Heiligen heeft ontvlamd.

Bij de Hebreeën bestaat een wijdverbreide overlevering, waarvoor van onze schrijvers H. Hilarius bij Psalm 2 en Origenes in Homilie 5 over Numeri steun bieden, dat Mozes op de berg Sinaï van God niet alleen de wet maar ook de uitleg van de wet heeft ontvangen, en dat hem bevolen werd de wet op te schrijven, maar haar verborgen mysteriën en betekenissen aan Jozua te openbaren, en Jozua aan de priesters, en dezen op hun beurt aan hun opvolgers in het ambt, onder het strenge zegel der geheimhouding.

Vandaar bericht Anatolius, aangehaald door Eusebius in boek VII van zijn Geschiedenis, hoofdstuk 28, dat de Zeventig Vertalers de vele vragen van Ptolemaeus Philadelphus, koning van Egypte, beantwoordden uit de overleveringen van Mozes. En Ezra, of wie ook de schrijver is van 4 Ezra (dat, hoewel niet canoniek, zijn gezag ontleent aan het feit dat het bij de canonieke boeken is gevoegd), verhaalt in hoofdstuk 14 het bevel aan Mozes gegeven: „Deze woorden zult gij openbaar maken, en deze zult gij verborgen houden.” Aan hemzelf eveneens — dat wil zeggen aan Ezra —, nadat hij op Gods ingeving 204 boeken had gedicteerd, werd een gelijkluidend bevel gegeven: „De eerste geschriften die gij hebt geschreven,” zegt hij, „stel ze in het openbaar, en laat zowel waardigen als onwaardigen ze lezen; maar de laatste zeventig zult gij bewaren, opdat gij ze moogt overhandigen aan de wijzen van uw volk; want in hen is de bron des verstands, en de fontein der wijsheid, en de stroom der kennis — en zo deed ik.”

Om deze reden heeft Mozes herhaaldelijk — vooral in Deuteronomium — bepaald dat elke twijfelachtige en moeilijke kwestie van het volk betreffende de wet aan de priesters moest worden voorgelegd; want, zoals Maleachi 2,7 zegt: „De lippen van de priester zullen de kennis bewaren, en de wet (dat wil zeggen de twijfelpunten van de wet waarover kwestie is, zegt H. Bernardus) zullen zij uit zijn mond zoeken.” Om deze reden ook, toen de Heer in Leviticus de priesters tot studie aanspoorde, spreekt Hij hen in hoofdstuk 10 met deze woorden aan: „Opdat gij de kennis hebt om te onderscheiden tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein, en opdat gij de kinderen van Israël al mijn inzettingen leert, die de Heer tot hen gesproken heeft door de hand van Mozes.” En opdat Hij de hogepriester boven alles aan deze plicht zou herinneren, wilde God dat hij op het borstschild van zijn priesterlijk gewaad ‚leer en waarheid' droeg, of zoals het in het Hebreeuws luidt, urim vetummim — ‚verlichting en onkreukbaarheid' — de twee sieraden van het priesterlijk leven, met bepaalde symbolen gemerkt, om te dragen en steeds voor ogen te houden. Maar laten wij verder gaan.

26. De koninklijke Profeet, een groot deel der heilige schrijvers — dat goddelijke instrument van de Heilige Geest, zeg ik —, die verheven en verborgen schaduwen zelfs in diezelfde geschriften herkennend, bidt met steeds nieuwe woorden in Psalm 118: „Ontsluier mijn ogen, en ik zal de wonderen van uw wet aanschouwen,” waar het Hebreeuws luidt, gal enai veabbita — ‚wentel af van mijn ogen (de sluier der duisternis namelijk), en ik zal helder de wonderen van uw wet aanschouwen.' „Als zo groot een profeet,” zegt H. Hiëronymus aan Paulinus, „de duisternis van zijn onwetendheid belijdt, door welke nacht van onwetendheid denkt gij dan dat wij, die kleinen zijn en feitelijk nog zuigelingen, worden omringd? En deze sluier is niet alleen op het gelaat van Mozes gelegd, maar ook op de Evangelisten en Apostelen; en tenzij alles wat geschreven is, geopend wordt door Hem die de sleutel van David heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent, zal het door geen ander ontsloten worden.”

Jeremia hoort in hoofdstuk 1: „Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u, en voordat gij uit de schoot te voorschijn kwaamt, heb Ik u geheiligd, en Ik heb u tot profeet der volkeren gesteld;” en toch roept hij uit: „Ach, ach, ach, Heer God, zie, ik kan niet spreken, want ik ben een kind.”

Jesaja zag in hoofdstuk 6 een Serafijn naar hem toevliegen, en met een gloeiende kool zijn mond voor het profeteren openen.

Ezechiël, in hoofdstuk 2, na de gedaante van het viervoudige wezen en de heerlijkheid des Heren te hebben aanschouwd, valt op zijn aangezicht neer, en eenmaal door de geest opgeheven, zwijgt hij totdat ook zijn mond geopend wordt.

Daniël, in hoofdstuk 7, vers 8, bewaart het woord Gods in zijn hart, maar wordt verontrust in zijn gedachten, en zijn gelaat verandert, en hij staat verbaasd over het visioen omdat er geen uitlegger is. En zullen wij onszelf een gemakkelijker begrip van diezelfde profetieën, gelijkenissen, raadsels en symbolen beloven dan hun eigen schrijvers bezaten, of een welsprekender gemak in het uiteenzetten ervan, alsof het ons natuurlijk en aangeboren ware?

27. In geheel andere geest schildert Jezus Sirach de wijze, en verlangt van hem onvermoeibare studie gepaard met vroom gebed: „De wijze zal de wijsheid van alle ouden opzoeken, en zich bezighouden met de Profeten (of, zoals de Griekse bron heeft, ‚met de profetieën'); hij zal het verhaal (in het Grieks diegesis — de uiteenzetting, de verklaring) van beroemde mannen bewaren, en doordringen in de scherpzinnigheden en het vernuft der gelijkenissen; hij zal de verborgen betekenissen der spreuken opzoeken, en verwijlen onder de geheimen der gelijkenissen; hij zal zijn mond openen in gebed, en zal smeken om vergeving van zijn zonden. Want indien de grote Heer het wil, zal Hij hem vervullen met de geest des verstands, en hij zal de woorden van zijn wijsheid uitstorten als regenbuien, hij zal de tucht van zijn onderricht bekendmaken, en hij zal roemen in de wet van het verbond des Heren.”

De oude Rabbijnen der Joden waren geheel gewijd aan de Heilige Schrift; en daarom werden zij sopherim, grammateis en Schriftgeleerden genoemd. Na Christus weet bovendien niemand niet dat de Rabbijnen der Hebreeën zich met niets anders bezighouden dan de Heilige Schrift en van al het overige onkundig zijn.

Bekend is het verhaal van de Rabbijn die, toen een naar kennis begerige kleinzoon hem vroeg of hij hem zou mogen of aanraden zich ook aan Griekse auteurs te wijden, ironisch antwoordde dat het hem vrijstond — mits hij het deed noch bij dag noch bij nacht: want er staat geschreven dat men dag en nacht over de wet des Heren moet mediteren.

28. Laten wij overgaan tot het nieuwe instrument van het nieuwe verbond: H. Petrus, na de brieven van H. Paulus te hebben vermeld, voegt eraan toe dat er in deze bepaalde dingen zijn „die moeilijk te begrijpen zijn, die de ongeleerden en onstandvastigen verdraaien, evenals de overige Schriften, tot hun eigen verderf” (2 Petrus 3); en eerder in hoofdstuk 1: „Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; want de profetie is nooit voortgebracht door de wil van een mens, maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest.”

Zijn ambtgenoot en medegenoot in de lauwerkrans van het martelaarschap, H. Paulus, schrijft het vermogen niet toe aan de natuurlijke krachten van het verstand maar aan de gaven van dezelfde Geest, dat „aan de een door de Geest het woord der wijsheid gegeven wordt, aan een ander het woord der kennis, aan weer een ander het geloof, aan een ander de gave der genezing, aan een ander de werking van krachten, aan een ander profetie, aan een ander het onderscheiden van geesten, aan een ander allerlei talen, aan een ander ten slotte de uitlegging der talen” (1 Korintiërs 12), en dat God daarom in de Kerk sommigen als Apostelen, anderen als Profeten, weer anderen als Leeraars heeft aangesteld. Elders beroemt hij zich aan de voeten van Gamaliël in de wet te zijn onderwezen; elders vermaant hij Herders en Bisschoppen zich te betonen als arbeiders die zich niet hoeven te schamen, die het woord der waarheid recht snijden, opdat zij in staat mogen zijn te vermanen in de gezonde leer en hen die tegenspreken te weerleggen. Maar waarom talmen wij?

29. Laten wij Christus horen: „Onderzoekt de Schriften,” zegt Hij. Ja, Christus heeft deze gave, samen met de macht van wonderwerking en wonderen van allerlei aard, in Zijn testament aan Zijn Kerk bezegeld, toen Hij, op het punt ten hemel te varen en afscheid nemend van de Apostelen, hun verstand opende opdat zij de Schriften zouden verstaan.

Met dit plan heeft in datzelfde tijdperk H. Marcus te Alexandrië deze christelijke studie der heilige Letteren ingesteld. Men kan bij de Jood Philo, een ooggetuige, in zijn boek Over het beschouwende leven, en bij Eusebius, boek 14 van zijn Geschiedenis der Essenen, zien hoe ijverig de Essenen — de eersten, zeg ik, van die Alexandrijnse christenen — van de dageraad tot de nacht de gehele dag besteedden aan het lezen, beluisteren en doorvorsen van de verhevener allegorische zinnen uit de commentaren hunner vaderen in de heilige boeken. Van toen af werden de grondslagen gelegd van de Alexandrijnse school, die vervolgens groeide en wonderbaarlijk gaandeweg toenam, en in de volgende eeuwen scharen martelaren, een doorluchtig koor van Leeraars en Prelaten, en lichten der wereld voortbracht; en opdat wij van één voorbeeld het overige mogen afmeten en zien hoe gretig en onvermoeid zij het parcours der goddelijke welsprekendheid aflegden: aangaande Origenes getuigt Eusebius dat hij reeds van jongsaf deze gewoonte was begonnen, en gewoon was dagelijks aan zijn vader verscheidene heilige uitspraken uit het geheugen als dagelijks pensum voor te dragen en op te zeggen, en niet hiermee tevreden, begon hij ook de diepste betekenissen en zinnen ervan na te vorsen en te ondervragen. En toen hij ouder was geworden en een leerstoel had ontvangen, dag en nacht zijn onderneming voortzettend, leerde hij om deze ene reden de Hebreeuwse taal grondig, verzamelde hij uit de gehele wereld de vertalingen van verscheidene vertalers, en was hij de eerste die bij een nieuw voorbeeld met onmetelijke arbeid de Hexapla en Octapla samenstelde en met scholia verlichtte.

Hen volgden in het Oosten eveneens dat gouden paar van Griekse Leeraars, Basilius en Gregorius de Theoloog, die zich terugtrekkend in de eenzaamheid, rust en ledigheid van een klooster, gedurende volle dertien jaren, alle boeken van de profane Grieken terzijde leggend, zich uitsluitend aan de goddelijke Schrift wijdden, en „de goddelijke boeken,” zegt Rufinus, boek XI van zijn Geschiedenis, hoofdstuk IX, „bestudeerden zij door middel van commentaar niet uit eigen aanmatiging, maar uit de geschriften en het gezag der ouderen, van wie zij wisten dat deze eveneens uit apostolische opvolging de regel der uitlegging hadden ontvangen.” Was het dan passend dat zulke grote mannen, met zulke wijsheid, begaafdheid en welsprekendheid toegerust, zovele jaren in de grondbeginselen van de Heilige Schrift doorbrachten; terwijl voor ons de heilige Letteren zo gemakkelijk worden geacht dat wij het moe worden er drie of vier jaar aan te wijden, of, indien er meer nodig zijn, menen dat wij geheel onze olie en moeite hebben verspild?

Een tijdgenoot van H. Basilius was H. Efrem de Syriër, en hoe ijverig hij was in de Heilige Schrift getuigen zijn geschriften.

Over de scholen van de Heilige Schrift die te Nisibis werden opgericht ten tijde van keizer Justinianus, is getuige Junilius Africanus, een bisschop, in zijn boek aan Primasius. Dezelfde scholen trachtte onder dezelfde keizer paus Agapetus te Rome in te voeren, zoals Cassiodorus verhaalt in het voorwoord van zijn boek der Goddelijke Lezingen: „Ik heb mij ingespannen,” zegt hij, „samen met de allerzaligste Agapetus van de stad Rome, opdat, zoals de instelling naar verluidt lang te Alexandrië heeft bestaan, en nu naar men zegt te Nisibis bij de Syrische Hebreeën ijverig wordt beoefend, door het bijeenbrengen van middelen in de stad Rome, erkende Leeraars liever in een christelijke school zouden worden ontvangen, waaruit de ziel het eeuwig heil zou ontvangen, en de tong der gelovigen met kuise en allerzuiverste welsprekendheid zou worden gevoed.”

Zo leren H. Dionysius, de leerling van de apostel Paulus, en Clemens, de leerling van H. Petrus, dat hun de Schriften zijn overgeleverd, opdat ook zij ze aan hun eigen leerlingen zouden onderwijzen en ze aan het nageslacht in een ononderbroken, van hand tot hand ontvangen overlevering zouden doorgeven.

Onder de Latijnen moet terecht als eerste H. Hiëronymus worden gerekend, de feniks van zijn tijd, die zich hier zo geheel aan wijdde dat hij in deze Letteren tot in de uiterste grijsheid oud werd, en de Kerk een Latijnse vertaling van de Bijbel uit het Hebreeuws naliet, die hem daarom als de grootste Leeraar in het uitleggen der heilige Schriften aanwijst. Beroemd is ook die uitspraak van H. Hiëronymus: „Laten wij op aarde die dingen leren waarvan de kennis met ons in de hemel zal voortduren;” en: „Studeer alsof gij altijd zult leven; leef alsof gij altijd zult sterven.” Om deze reden leerde hij grondig Hebreeuws, zoals Cato op hoge leeftijd Griekse letteren leerde; om deze reden ging hij naar Bethlehem en de heilige plaatsen; om deze reden had hij alle oude Griekse en Latijnse commentatoren gelezen, zoals H. Augustinus getuigt, en hij zet in de prologen van bijna al zijn commentaren uiteen wie van hen hij voornemens is te volgen; en hij berispt streng degenen die, zonder de genade Gods en het onderricht van hun ouderen, zich de kennis der Schriften aanmatigen.

Voorts bezat H. Augustinus die scherpte van verstand waarmee hij de Categorieën van Aristoteles geheel op eigen kracht had doorgrond, en was hij gewoon alles wat hij las terstond bij het lezen te vatten; toch nam hij kort na zijn bekering, op aanraden van H. Ambrosius, boek IX der Belijdenissen, hoofdstuk 5, de profeet Jesaja ter hand, en onmiddellijk afgeschrikt door de diepte van diens uitspraken, en bij de eerste lezing hem niet begrijpend, deinsde hij terug en stelde hij hem uit totdat hij meer geoefend zou zijn in het woord des Heren. En zelfs veel later, schrijvend aan Volusianus, Brief 1: „Zo groot,” zegt hij, „is de diepte der christelijke letteren, dat ik er dagelijks in zou vorderen, indien ik ze alleen van het begin des levens af (let op deze woorden) tot in de uiterste ouderdom, met de grootste vrije tijd, de hoogste ijver en een beter verstand, zou trachten te leren. Want behalve het geloof blijven er zo vele dingen, gehuld in zulke menigvuldige schaduwen van mysteriën, te begrijpen voor wie vorderingen maken, en zulk een diepte van wijsheid schuilt niet alleen in de woorden maar ook in de zaken zelf, dat aan de oudsten, de scherpzinnigsten en hen die het hevigst branden van verlangen om te leren, dit overkomt wat dezelfde Schrift op een zekere plaats zegt: Wanneer de mens geëindigd heeft, dan begint hij.”

De moeilijkheid wordt vergroot door de Hebreeuwse en Griekse eigenaardigheden die overal verspreid zijn, voor het begrijpen waarvan de kennis van beide talen noodzakelijk is, zoals H. Augustinus leert, boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 10. Want wat geschreven is, wordt om twee redenen niet begrepen: als het bedekt wordt door ofwel onbekende ofwel dubbelzinnige tekens of woorden. Geen van beide is zeldzaam in welke vertaling ook waardoor iets van de ene taal in een andere wordt overgebracht. Voorts, „tegen onbekende tekens,” zegt Augustinus, hoofdstukken 11 en 13, „is de kennis van talen een groot geneesmiddel.” Want er zijn bepaalde woorden die door vertaling niet in het gebruik van een andere taal kunnen overgaan; en hoe geleerd de vertaler ook moge zijn, opdat hij niet ver van de bedoeling des schrijvers afdwale, blijkt de eigenlijke gedachte niet tenzij men haar onderzoekt in de taal waaruit vertaald wordt. Onder andere voorbeelden voert hij dit aan: „Bastaardscheuten zullen geen diepe wortels schieten” (Wijsheid 4,3); want de vertaler gebruikt een Griekse constructie, en leidt, als het ware, van moschos (kalf) het woord moschevmata af, dat wil zeggen van „kalf” het woord „kalfscheuten”; maar mischevmata zijn eigenlijk scheuten of stekken, nieuwe twijgen die van een boom zijn afgesneden en in de grond geplant. Hoezeer inderdaad de Latijnse heilige handschriften overlopen van Hebreeuwse en Griekse eigenaardigheden is klaarder dan het licht, zodat niet zonder reden dezelfde Augustinus, II Retractationes 5, 54, vermeldt dat hij in zeven boekjes, die nog bestaan, de vormen van uitdrukkingen der Heilige Schrift heeft verzameld. Dit werd later nagevolgd door Eucherius van Lyon in zijn boek Over geestelijke vormen, en na hem door verscheidenen ook in deze eeuw.

H. Johannes Chrysostomus stemt overeen met H. Augustinus, wanneer hij, schrijvend over Genesis, homilie 21, niet aarzelt te beweren dat er geen lettergreep, zelfs geen enkel haaltje in de heilige Letteren is, in welks diepte niet een groot schat verborgen ligt; en dat wij daarom de goddelijke genade nodig hebben, en dat wij, verlicht door de Heilige Geest, de goddelijke uitspraken mogen naderen.

Gregorius de Grote, zowel Paus als Leeraar, waagt het nog verder te gaan: want in zijn commentaar op Ezechiël erkent hij zovele en zulke verborgen mysteriën in de heilige boeken, dat hij verklaart dat bepaalde dingen die aan stervelingen nog niet geopenbaard zijn, slechts voor hemelse geesten openstaan.

Zullen wij ons dan verwonderen dat Gregorius, Augustinus, Ambrosius, Eusebius, Origenes, Hiëronymus, Cyrillus en het gehele koor der heilige Vaders zo intens dag en nacht over de heilige boeken hebben gezwoegd? Zullen wij ons verwonderen dat zij als aanvoerders en kampioenen in deze wetenschap oud zijn geworden, en dat zij aan deze studies geen ander einde stelden dan het einde van hun leven? Zullen wij ons verwonderen dat Hiëronymus bij Gregorius van Nazianze en Didymus studeerde, Ambrosius bij Basilius, Augustinus bij Ambrosius, Chrysostomus bij Eusebius, en anderen bij hun eigen leermeesters? Zullen wij ons verwonderen dat van de geboorte der Kerk af scholen van heilige Letteren werden opgericht? Want over de Alexandrijnse school, de moeder van zovele Leeraars en Prelaten, twijfelt niemand; over de overige bewijzen de geschriften der Vaders het genoegzaam, die, gedurende vele eeuwen voordat de Theologie op scholastieke wijze werd onderwezen, opgesteld, zich bijna geheel met dit onderwerp, met deze ene stof bezighouden.

Te Constantinopel was eens een beroemd klooster dat van zijn stichter en van de studie der heilige Letteren en van een volmaakter leven de naam Studios ontving, waarover H. Plato het bestuur voerde; na hem liet Theodorus de Studiet, omstreeks het jaar des Heren 800, zovele gedenkstukken van zijn begaafdheid en vroomheid uit de heilige Letteren na, zijn leerlingen naar de wijze der oude monniken bezig houdend met het overschrijven ervan; en zowel afwezig als aanwezig, in hevige strijd en tweegevecht met de beeldenstormende keizers Constantinus Copronymus en Leo de Isauriër, doodde hij de ketterij en wijdde hij de zegevierende trofeeën van het heilig geloof aan de eeuwige herinnering.

Uit Engeland, hoor de Eerbiedwaardige Beda in zijn Engelse Geschiedenis: „Ik,” zegt hij, „ben op zevenjarige leeftijd het klooster binnengegaan, en daar heb ik mijn gehele leven al mijn inspanning gewijd aan het overdenken van de Schriften, en te midden van het onderhouden van de kloostertucht en de dagelijkse zorg voor het zingen in de kerk heb ik het altijd zoet gevonden ofwel te leren, ofwel te onderwijzen, ofwel te schrijven.” Vandaar bestaan er commentaren van Beda op bijna alle boeken der Heilige Schrift, en zelfs ziekte weerhield hem niet; ja, in zijn laatste ziekte werkte hij aan het Evangelie van H. Johannes, en bijna op het punt van sterven riep hij, om het te voltooien, een schrijver: „Neem,” zeide hij, „de pen en schrijf snel,” en ten slotte: „Het is goed volbracht,” zeide hij; en zijn zwanenzang zingend: „Eer aan de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest,” blies hij allervreedzaamst de geest uit, om als beloning voor zijn arbeid voor het geloof met de aanschouwing Gods te worden gezegend, in het jaar na de maagdelijke geboorte 731.

Een tijdgenoot van de Eerbiedwaardige Beda was Albinus, of Alcuïnus Flaccus, die ofwel de leermeester ofwel veeleer de vertrouweling van Karel de Grote was. Hij onderwees openlijk de heilige Letteren te York in Engeland; vandaar kwam H. Ludger uit Friesland naar York om hem te horen, en hij maakte zulke vorderingen dat hij, teruggekeerd naar de zijnen, de naam van apostel der Friezen verwierf. Getuigen hiervan zijn de Annalen van Friesland en de schrijver van het Leven van H. Ludger.

Bij de Belgen droeg H. Bonifatius met zijn metgezellen, terwijl hij de wet van Christus verbreidde, voortdurend een handschrift van het heilig Evangelie bij zich, zozeer dat hij het zelfs in het martelaarschap niet losliet; ja, toen in het jaar des Heren 755 de Friezen een zwaard naar zijn hoofd zwaaiden, hield hij dit handschrift als een geestelijk schild omhoog, en door een opmerkelijk wonder, hoewel het boek door het scherpe zwaard door het midden werd gesneden, werd toch geen enkele letter door die snede vernietigd.

Bij de Franken stichtte Koning en Keizer Karel de Grote, of liever driewerf de Grootste — in geleerdheid, vroomheid en krijgsroem — scholen van heilige Letteren zowel elders als te Parijs (zo oud is deze academie, die de moeder van Keulen en de grootmoeder van Leuven is). Ja, Karel zelf, zoals Einhard in zijn Leven zegt, verbeterde met de grootste zorg de tucht van het lezen en psalmzingen. Zo toegewijd was hij aan de heilige Letteren dat hij erover stierf. Teganus getuigt in het Leven van Lodewijk dat Karel nabij de dood, nadat hij zijn zoon Lodewijk te Aken had gekroond, zich geheel aan gebeden, aalmoezen en de heilige Letteren overgaf — namelijk verbeterde hij de vier Evangeliën voortreffelijk naar de Griekse en Syrische teksten terwijl hij bijna zijn laatste adem uitblies. Terecht wordt dus het handschrift van Karel eerbiedig te Aken bewaard, zoals ik zelf heb gezien.

Daarom moet hetgeen op het Lateraans Concilie onder Innocentius III werd vastgesteld betreffende de leerstoel der heilige Letteren niet als een nieuw besluit worden beschouwd, maar als een besluit dat een oud gebruik hernieuwt en bevestigt. Op dezelfde wijze heeft de Synode van Trente er met even nauwgezette zorg voor gewaakt dat dit gebruik nergens zou wankelen, zodat zij in Sessie V uitvoerig zou bepalen en bekrachtigen aangaande de lezing der Heilige Schrift, en zou verordenen dat in alle vergaderingen van Kanunniken, ook van Monniken en Regulieren, en in alle openbare academies hetzelfde zou worden gevestigd, begiftigd en bevorderd; en dat zowel docenten als studenten, versierd met kerkelijke beneficiën, bij afwezigheid het genot der inkomsten verleend door het gemene recht zouden genieten. En waarlijk, daar al de nijverheid van onze sektarische vijanden hierop zwoegt, dat zij niets dan de Schriften verkondigen, laat de christelijke en rechtzinnige theoloog zich schamen hun ook maar het geringste toe te geven, zich schamen door hen overwonnen en overtroffen te worden; ja, laten zij niet slechts de woorden der Heilige Schrift verkondigen, maar ook haar ware betekenis doorgronden. Zo zullen zij de wapenen der ketters tegen henzelf keren, en uit de Schrift alle ketterijen weerleggen en vernietigen. Dit heeft de doorluchtige Bellarminus, kampvechter des geloofs en verdelger der ketterijen, degelijk en nauwkeurig gedaan in zijn Controversen — een werk dat daarom ondoordringbaar en onvergelijkelijk is, en de Kerk heeft van de tijd van Christus tot nu toe in dit genre zijn gelijke niet gezien, zodat het terecht de muur en het bolwerk der katholieke waarheid mag worden genoemd.


Hoofdstuk V: Over de gesteldheden die voor deze studie vereist zijn

V. En uit dit alles is het gemakkelijk in te zien met hoe brandende en bestendige ijver men zich moet toeleggen, en met welke hulpmiddelen men moet zijn toegerust. De eerste voorbereiding dan, opdat iemand vrucht moge oogsten uit deze studie, is veelvuldige lezing van de Heilige Schrift, veelvuldig luisteren, de levende stem van een leermeester, en standvastigheid in deze dingen: want de voorzegging is op de lippen van de leermeester, in zijn onderricht zal zijn mond niet dwalen. Plutarchus leert in zijn boek Over de opvoeding van kinderen dat het geheugen de voorraadkamer der wetenschappen is. Plato beweert in de Theaetetus dat het geheugen de moeder der Muzen is, en dat wijsheid de dochter van geheugen en ervaring is. Dit geldt zowel elders als vooral in de Heilige Schrift, zoals H. Augustinus getuigt, boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 9, die uit zulk een grote verscheidenheid van onderwerpen, zovele boeken en spreuken bestaat. Om deze reden heeft de Kerk, om ons geheugen hierin te ondersteunen, de gedeelten van de Bijbel in onze dagelijkse dienst verdeeld, zowel van het Misoffer als van de Getijden, zodat wij elk jaar het geheel voltooien. Hetzelfde doel dient, onder andere zaken, dat vrome gebruik van geestelijken en kloosterlingen, dat bij het avondmaal en de maaltijd aan tafel één hoofdstuk uit de Bijbel wordt voorgelezen, en dat naar de oude gewoonte der Vaders het voedsel met heilige Letteren wordt gekruid. Zo gebiedt het Concilie van Trente reeds aan het begin van Sessie II dat de lezing der goddelijke Schriften aan de tafels der bisschoppen worde ingemengd. Bovendien mogen de theologen niet nalaten wat door de wetten der meest geleerden is voorgeschreven, dat zij door dagelijkse lezing de Schrift zich vertrouwd maken.

Zo H. Augustinus, boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 9: „In al deze boeken,” zegt hij, „zoeken zij die God vrezen en zachtmoedig zijn in vroomheid de wil van God; de eerste acht van dit werk of deze arbeid is, zoals wij zeiden, deze boeken te kennen, en zo niet reeds tot begrip, dan toch door lezing ze hetzij aan het geheugen toe te vertrouwen, hetzij ten minste niet geheel onbekend te laten; vervolgens bekwamer en nauwkeuriger de betekenissen van elk afzonderlijk na te vorsen.” En H. Basilius in zijn proloog op Jesaja: „Wat vereist wordt,” zegt hij, „is voortdurende oefening in de Schrift, opdat de majesteit en het geheim der goddelijke woorden door aanhoudende overdenking in de geest worden geprent.”

Ten tweede is een uitstekende gesteldheid daartoe de ootmoedige bescheidenheid des geestes, waarover H. Augustinus, Brief 56 aan Dioscorus: „Gij moet geen andere weg banen,” zegt hij, „om de waarheid en de heilige wijsheid te vatten en te verkrijgen, dan die gebaand is door Hem die, als God, de zwakheid onzer schreden ziet. Want het eerste is ootmoed, het tweede is ootmoed, het derde is ootmoed; en zo dikwijls gij mij vraagt, zou ik hetzelfde zeggen. En zo, evenals Demosthenes in de welsprekendheid aan de voordracht de eerste, tweede en derde plaats gaf: zo zal ik in de wijsheid van Christus aan de ootmoed de eerste, tweede en derde plaats geven, welke onze Heer, om haar te leren, Zich heeft vernederd” — in Zijn geboorte, Zijn leven en Zijn sterven.

Dezelfde Augustinus, boek II van Over de christelijke leer, hoofdstuk 41: „Laat de student der Schrift,” zegt hij, „bedenken dat apostolische woord: De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde bouwt op, en dat woord van Christus: Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en ootmoedig van hart, opdat wij, geworteld en gegrondvest in ootmoedige liefde, met alle Heiligen mogen begrijpen wat de breedte, de lengte, de hoogte en de diepte is — dat wil zeggen het Kruis des Heren — door welk teken van het Kruis elke christelijke handeling wordt beschreven: goed te werken in Christus, en Hem standvastig aan te hangen en het hemelse te hopen. Door deze handeling gereinigd, zullen wij ook de alles overtreffende kennis van Christus' liefde vermogen te kennen, waardoor Hij gelijk is aan de Vader, door Wie alle dingen gemaakt zijn, opdat wij vervuld worden tot heel de volheid Gods.” Want „waar ootmoed is, daar is wijsheid,” zegt Salomo, Spreuken 11; en Christus Zelf: „Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen, en ze geopenbaard hebt aan de kleinen: ja, Vader, want zo is het welgevallig geweest voor U.”

En waarlijk, indien gij uzelf kende, zoudt gij een afgrond van onwetendheid kennen. En wat is, zo vraag ik, vergeleken met de wijsheid Gods, vergeleken met de wijsheid van een engel, de kennis van de mens, die weinig van God heeft geleerd en oneindige dingen niet weet? Aristoteles, en in navolging van hem Seneca, placht te zeggen dat er geen groot genie heeft bestaan zonder een bijmenging van waanzin, en niemand kan, zegt hij, iets groots en boven anderen spreken tenzij zijn geest is bewogen; en hiertoe prijst hij de dronkenschap, zij het zeldzaam. Ziedaar voor u de waanzinnig gemaakte geest, hetzij van Aristoteles hetzij van welk uitnemend genie ook, om het diepzinnigst te filosoferen. Daarom zegt H. Bernardus fraai, preek 37 over het Hooglied: „Het is noodzakelijk,” zegt hij, „dat de kennis van God en van zichzelf voorafga aan onze wetenschap; zaait voor uzelf tot gerechtigheid en oogst de hoop des levens, en dan eerst zal het licht der kennis u verlichten; daartoe wordt het immers niet terecht voortgebracht, tenzij het zaad der gerechtigheid eerst voorafga naar de ziel, waaruit het graan des levens moge worden gevormd, niet het kaf der roem.” En H. Gregorius in het voorwoord van zijn Moralia, hoofdstuk 41: „Het goddelijke woord van de Heilige Schrift,” zegt hij, „is een rivier die zowel ondiep als diep is, waarin het lam kan wandelen en de olifant kan zwemmen.”

Uit deze ootmoed volgt zachtmoedigheid en gemoedsrust, die het meest vatbaar is voor alle wijsheid; want evenals wateren, wanneer zij door geen windvlaag of luchtstroom worden beroerd, maar onbewogen blijven staan, het allerzuiverst zijn, en elk hun voorgehouden beeld het helderst opnemen, en de beschouwer als het ware een allervollmaaktste spiegel vertonen: zo ziet de geest, vrij van stormen en hartstochten, in deze rustige stilte van de vrede, helder en scherp, en vat hij elke waarheid het duidelijkst, en doorziet hij met scherp oordeel de dingen onverstoord. H. Augustinus, Over de Bergrede des Heren, bij de tekst, Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods worden genoemd: „De wijsheid,” zegt hij, „past de vredelievenden, in wie nu alles geordend is, en geen enkele beweging tegen de rede opstandig is, maar alles de geest des mensen gehoorzaamt, daar hij zelf aan God gehoorzaamt.”

De gezellin van de vrede is de zuiverheid des geestes, die de derde gesteldheid is, het meest geschikt voor deze wetenschap. „Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien!” Indien God, waarom dan niet ook de woorden Gods? Omgekeerd, „in een kwaadwillige ziel zal de wijsheid niet binnengaan, noch zal zij wonen in een lichaam dat aan de zonden is onderworpen. Want de Heilige Geest der tucht zal de bedrieger ontvluchten, en zich terugtrekken van gedachten die zonder verstand zijn, en zal worden bestraft door het naderen der ongerechtigheid” (Wijsheid 1,4). H. Augustinus had in de Alleenspraken gezegd: God, die gewild heeft dat alleen de zuiveren van hart de waarheid zouden kennen; hij herroept dit in I Retractationes, hoofdstuk 4. Want velen, zegt hij, die onzuiver van hart zijn, weten veel dingen naar waarheid; maar niettemin, indien zij zuiver van hart waren, zouden zij ze voller, helderder, gemakkelijker kennen; en niemand dan de zuiveren van hart zal de ware wijsheid bereiken, die uit een smaakvolle kennis in genegenheid en beoefening overvloeit, welke de kennis der Heiligen is.

H. Antonius, zoals Athanasius bericht: Indien iemand, zegt hij, door het verlangen wordt bevangen om zelfs toekomstige dingen te kennen, laat hij een zuiver hart hebben; want ik geloof dat een ziel die God dient, indien zij heeft volhard in de ongereptheid waarin zij herboren is, meer kan weten dan de demonen; waarom aan Antonius zelf alles wat hij wilde weten spoedig door God werd geopenbaard.

Hetzelfde leerde die grote H. Johannes de Kluizenaar door zijn woord en voorbeeld, zoals Palladius bericht in de Lausiacse Geschiedenis, hoofdstuk 40.

H. Gregorius van Nazianze zag, zoals Rufinus bericht, terwijl hij zich te Athene aan zijn studies wijdde, in een droom dat, terwijl hij zat te lezen, twee schone vrouwen zich aan zijn rechter- en linkerzijde hadden neergezet; hen met een vrij strenge blik aanziend uit een ingeving van kuisheid, vroeg hij wie zij waren en wat zij wilden; maar zij, hem intiemer en vuriger omarmend, zeiden: Neem het niet kwalijk, jongeling; wij zijn u welbekend en vertrouwd: want een van ons heet Wijsheid, de ander Kuisheid; en wij zijn door de Heer gezonden om bij u te wonen, omdat gij voor ons een aangename en reine woning in uw hart hebt bereid. Ziedaar voor u de tweelingzusters, kuisheid en wijsheid.

Deze zuiverheid heeft H. Thomas tot Engelachtige Leeraar gewijd; hijzelf heeft hierop gezinspeeld toen hij, op het punt van sterven, tot zijn Reginaldus zeide: „Ik sterf vol vertroosting, want alwat ik van de Heer vroeg, heb ik verkregen: ten eerste, dat geen gehechtheid aan vleselijke of tijdelijke zaken de zuiverheid van mijn geest zou besmetten, of haar kracht zou verzwakken; ten tweede, dat ik uit mijn staat van ootmoed niet tot prelaturen of mijters zou worden verheven; ten derde, dat ik de staat van mijn broeder Reginaldus mocht kennen, zo wreed verslagen: want ik zag hem in glorie, en hij zeide tot mij: Broeder, uw zaken staan er goed voor; gij zult tot ons komen, maar een grotere glorie wordt u bereid.”

H. Bonaventura verhaalt dat H. Franciscus, hoewel ongeletterd, maar van de zuiverste geest, wanneer hij nu en dan door Kardinalen en anderen werd gevraagd over de diepzinnigste moeilijkheden der Heilige Schrift en de Theologie, zo treffend en verheven antwoordde dat hij de doctoren der Theologie verre overtrof.

Want wat in het Leven van H. Zenobius wordt gezegd, is allerwaarst: „Boven alle anderen zijn de geesten der Heiligen krachtig, en de zuiverheid zelve der ziel verzamelt, zelfs voor het vermoeden van toekomstige dingen, de uitkomsten uit de geringste aanwijzingen.” Want, zoals Philo, hoewel een Jood, terecht zegt: „De wettige vereerders van God blinken uit in verstand; want de ware priester Gods is tegelijkertijd ook een ziener; daarom is hij van niets onkundig; want hij heeft in zich de verstandelijke zon” — namelijk, zoals Boëthius terecht zegt, „die glans waardoor de hemel wordt geregeerd en gedijt, de duistere puinhopen der ziel schuwt, en de schitterende geest volgt.”

Zo ook Kardinaal Hosius, voorzitter van het Concilie van Trente, een man van de uiterste onkreukbaarheid en een voorname geesel van Luther; onder andere zaken: toen Andreas Dudecius, Bisschop van Tinnin, als gezant der Hongaarse geestelijkheid optrad op het Concilie van Trente, en door anderen om zijn welsprekendheid werd vereerd en bewonderd, was hij alleen bij Hosius verdacht; want Hosius zeide voortdurend dat het gevaar van geloofsafval hem bedreigde, en dat hij een ketter zou worden. En zo geschiedde het: die afvallige vluchtte naar het kamp van Calvijn. Toen aan Hosius werd gevraagd waaruit hij dit had voorzien, antwoordde hij: Alleen uit de hoogmoed van de man; want zijn geest, die bespeurde dat hij hardnekkig vasthield aan zijn eigen oordeel, voorvoelde dat hij in deze kuil zou storten.

Ten vierde is hier het gebed nodig, als een hemelse leiding en een instrument waarmee wij de betekenis van het woord Gods uit God Zelf mogen putten. H. Augustinus schreef een boek Over de Leermeester, waarin hij leert dat dit woord van Christus allerwaarst is: „Eén is uw leermeester, Christus,” en in I Retractationes, hoofdstuk 4, herroept hij wat hij elders had gezegd, dat er vele wegen naar de waarheid zijn, aangezien er slechts één is, namelijk Christus, de weg, de waarheid en het leven. De kennis en voorzegging der Profeten was derhalve goddelijk; en omdat goddelijk, daarom het zekerst, het verhevenst, het ruimst, het voorzienigst.

H. Gregorius bericht, II Dialogen, hoofdstuk 35, dat de Zalige Benedictus, op een avond biddend bij een venster, een licht zag zo groot dat het de dag overtrof en alle duisternis verdreef, en in dit licht, zegt hij, werd de gehele wereld, als het ware samengebracht onder één straal van de zon, voor zijn ogen gebracht; en onder andere dingen zag hij, in de glans van dit flitsende licht, de ziel van Germanus, Bisschop van Capua, in een vurige bol door engelen ten hemel gedragen worden. Petrus vraagt vervolgens hoe de gehele wereld door zijn ogen kon worden gezien.

Dat de Heilige Geest in de gedaante van een duif bij H. Gregorius de Grote zat — wiens eerste lof in de tropologie ligt — terwijl hij uitleg schreef en te boek stelde, daarvan getuigt de ooggetuige Petrus de Diaken.

Waarom die goddelijke catecheet van Justinus de Martelaar, hem de lezing der Profeten aanbevelend, hem tevens deze methode gaf: „Maar gij, verlang met gebeden en smekingen bovenal dat de poorten des lichts voor u geopend worden: want deze dingen worden door niemand waargenomen en begrepen, tenzij God en Christus hem het verstaan hebben geschonken.” Het is dan ook niet zonder reden dat H. Thomas, de vorst der Scholastieke Theologie en het meest bedreven in de Schriften, wanneer hij de heilige boeken uitlegde, zoveel hoop stelde op het gunstig stemmen van de Godheid, dat hij naar verluidt voor het begrijpen van een moeilijker passage der Schrift, behalve het gebed, ook het vasten placht aan te wenden. Daarom moeten wij bovenal op gebeden en op God vertrouwen, opdat Hij Zelf ons in dit Zijn heiligdom binnenleide en de heilige orakelen ontsluiten moge.

En hieruit zal het laatste volgen dat voor deze wetenschap het meest dienstig is: dat onze geest, gezuiverd van aards bezinksel, en de nevelen der hartstochten verdreven, heilig en verheven geworden, bekwaam en geschikt worde gemaakt om deze hemelse leerstellingen in zich op te nemen. Want, zoals Nyssenus fraai zegt, niemand kan het goddelijke en dat verwante licht dat door de geest zelf wordt waargenomen, met een vrij en onbelemmerd zintuig aanschouwen, wanneer men zijn blik, door een of ander verkeerd en ongeleerd vooroordeel, op lage en modderige zaken richt. Daarom, opdat men de aderen en het merg der hemelse uitspraken moge doordringen en hun diepe en verborgen mysteriën helder aanschouwen, moet het oog des harten verheven en heilig zijn.

H. Bernardus aarzelt niet te beweren (in zijn brief aan de Broeders van Mont-Dieu) dat niemand tot de zin van Paulus zal doordringen die niet eerst diens geest in zich heeft opgenomen, noch de gezangen van David zal begrijpen die niet eerst de heilige gemoedsgesteldheden der Psalmen heeft aangedaan; en dat de Heilige Letteren in het geheel moeten worden begrepen in dezelfde geest waarin zij werden geschreven. En bewonderenswaardig in zijn commentaar op het Hooglied: „Deze ware en echte wijsheid,” zegt hij, „wordt niet door lezing geleerd, maar door zalving; niet door de letter, maar door de geest; niet door geleerdheid, maar door beoefening van de geboden des Heren. Gij vergist u, gij vergist u, indien gij denkt bij de meesters der wereld te vinden wat alleen de leerlingen van Christus, dat wil zeggen de verachters der wereld, door Gods gave verkrijgen.”

Cassianus verhaalt dat Theodorus, een heilige monnik, zo ongeletterd dat hij niet eens het alfabet kende, maar zo bedreven in de goddelijke boeken dat hij door de meest geleerde mannen werd geraadpleegd, gewoon was te zeggen: Men moet zich meer inspannen om de ondeugden uit te roeien dan om boeken door te bladeren; want wanneer deze zijn verdreven, beginnen de ogen des harten, het hemelse licht toelatend, met de sluier der hartstochten weggenomen, de mysteriën der Schrift als vanzelf te aanschouwen. Ja, deze heiligheid des levens leerde Franciscussen, Antoniussen en Paulussen — ongeletterde mannen — de verhevenste mysteriën en geheimen van de woorden Gods boven allen.

Op gelijke wijze bereikte H. Bernardus door overdenking het begrip der Heilige Letteren, en daaruit die wijsheid en honingzoete welsprekendheid; en zo placht hij zelf herhaaldelijk te zeggen dat hij bij de studie der Heilige Schrift geen andere leermeesters had gehad dan beuken en eiken, waartussen hij natuurlijk, al biddend en overdenkend, de gehele Heilige Schrift voor zich uitgespreid en ontplooid scheen te zien, zoals de schrijver van zijn Leven zegt, boek III, hoofdstuk 3, en boek I, hoofdstuk 4.

Hetzelfde overkwam klaarblijkelijk de Profeten. Bekend is die uitspraak van Iamblichus: dat de leer van Pythagoras, omdat zij goddelijk was overgeleverd (zoals hij zelf zijn leerlingen op bedrieglijke wijze had wijsgemaakt), niet kon worden begrepen tenzij met een god als uitlegger; en dat de leerling daarom de hulp van God, die hij zo zeer behoeft, moet inroepen.

De Joden, van God verbannen, kruipen over de grond en hechten zich zo stevig aan de droge schors der heilige boeken dat zij niets van de zoetheid van het merg proeven — louter kraampjes van beuzelarijen en verzinners van fabelen. De ketters, omdat zij zulk een uitgestrekte en onzekere zee doorkruisen, steunend op de riemen en zeilen van hun eigen vernuft, zonder enige blik gericht op de Poolster of enig hemels gesternte, bereiken nooit de haven en worden altijd te midden der golven heen en weer geslingerd; en wat zij tot walgens toe lezen, begrijpen zij niet, behalve wat zij — als slaven van de buik — grijpen en inderdaad roven betreffende de vrijheid van de maag en de genoegens van onderbuik. Daarom is hier geen Delische zwemmer nodig, maar de leiding van de Heilige Geest en de hemelse heerscharen, en met de ogen gericht op Maria, de Ster der Zee die haar verlicht, moeten wij aan deze vaart beginnen: zij zal voor ons de fakkel dragen.

Daniël, die man van verlangens, bereikte de dromen van de Chaldeeuwse koning, en het getal van de 70 jaren van Israëls ballingschap opgetekend door Jeremia, door gebed, en werd door Gabriël onderwezen.

Ezechiël ontving met open mond (op God gericht namelijk) voedsel van God uit een boek waarin klaagliederen, een lied en wee, van binnen en van buiten geschreven stonden.

Gregorius, bijgenaamd de Wonderdoener, een vereerder van de Heilige Maagd, ontving op haar vermaning en bevel in een droom, van H. Johannes een verklaring van het begin van diens Evangelie, in een van godswege uitgevaardigde geloofsbelijdenis die hij tegen de Origenisten zou kunnen stellen; de bron hiervoor is Nyssenus in diens Leven, die ook deze geloofsbelijdenis vermeldt.

Bij H. Johannes Chrysostomus, wiens toewijding aan H. Paulus zo groot was, werd, terwijl hij commentaren op diens brieven dicteerde, iemand gezien in de gedaante van H. Paulus die naast hem stond en hem in het oor fluisterde wat hij moest schrijven.

Ambrosius werd, als wij H. Paulinus in zijn verslag van diens daden geloven, wanneer hij in een preek de Schriften behandelde, door een engel bijgestaan gezien.

Daarom, indien gij met een heilige ziel, indien gij steunend op gebeden en vertrouwend op God dit werk aanvat, en indien ijverige arbeid aanwezig is zodat geen dag voorbijgaat waarop gij niet (zoals H. Hiëronymus van Cyprianus verhaalt, die dagelijks Tertullianus las) dit vraagt: „Geef mij de Meester!” — dan zult gij met snelle gemakkelijkheid alwat hier aan moeilijkheid is, overwinnen, en wat aan de bast der wijsheid glanst zal u verkwikken, maar wat in het merg der hemelse rijkdom is, zal u zoeter voeden. En gij zult ten slotte zelfs de traagste ketter niet vrezen, al kent hij het gehele Bijbelse werk uit het hoofd: want dit is nagenoeg hun gehele studie, waarmee zij ons aanvallen. Het betaamt hun met dezelfde wapenen tegemoet te treden, en het onze van deze onrechtmatige bezitters terug te vorderen; opdat wij, aldus stoutmoedig met hen man tegen man strijdend, hen met hun eigen wapenen mogen verslaan. Evenmin zult gij de professorale leerstoel vrezen, hoe geleerd en vermaard ook, maar zeker en vol vertrouwen, rijkelijk voorzien van geleerde gedachten en degelijk en oprecht toegerust met heilige leerstellingen, zult gij de Prediker spelen. Bovendien zal de Scholastieke Theologie dit geenszins als schade voor zichzelf beschouwen, maar gewillig, als ontving zij een helpster voor haar zuster, de rechterhand uitsteken en de arbeid tot beider voordeel verdelen.


De methode van de schrijver (paragraaf 48)

48. Wat mij betreft, ik weet en voel welk een last ik draag, en hoe ongebaand de weg is die ik moet betreden: want het is veruit één ding om breedvoerige commentaren, dikwijls met onzekere vrucht, af te rollen; iets geheel anders om beknopt uit de Vaders de betekenis weer te geven, het historische met het allegorische te verbinden, en het ene van het andere te onderscheiden. Ik weet, op het voetspoor van Gregorius van Nazianze (Rede 2, Over Pasen), dat men een middenweg moet bewandelen tussen hen die met grover verstand aan de letter vastkleven, en hen die zich al te zeer verlustigen in de allegorische bespiegeling alleen: want het eerste is Joods en laag, het tweede ongeschikt en een droomuitlegger waardig, en beide gelijkelijk berispelijk. En zoals H. Augustinus leert (Over de Stad Gods, boek XVII, hoofdstuk 3), schijnen mij diegenen uiterst vermetel die beweren dat alles in de Schriften in allegorische betekenissen is gehuld, zoals Origenes in dit uiterste is verdwaald, die, terwijl hij de historische waarheid ontvlucht — ja verwoest —, dikwijls iets symbolisch in haar plaats stelt: wanneer hij meent dat de vorming van Eva uit Adams rib geestelijk moet worden genomen; de bomen van het paradijs als engelachtige kracht; de leren kleding als menselijke lichamen; en veel dergelijke dingen op mystieke wijze uitlegt, en „zijn eigen vernuft — ja, al te uitstekend — tot de Sacramenten der Kerk maakt,” zoals Hiëronymus zegt in boek V over Jesaja. En daarom viel hij onder die berisping: „Waar Origenes goed is, is niemand beter; waar slecht, is niemand slechter.” Aldus Cassiodorus. Maar wie zal onze Oedipus zijn om deze dingen te onderscheiden en vast te stellen? Wat H. Hiëronymus over priesters zeide — „Vele priesters, weinig ware priesters” — zou ik hier naar waarheid zeggen over uitleggers: Vele uitleggers, weinig ware uitleggers. Ambrosius en Gregorius geven bijna uitsluitend de mystieke zin weer; Augustinus, Chrysostomus, Hiëronymus en de overige Vaders weven nu het historische, dan het mystieke in dezelfde gang der rede, zodat er meer dan een Lydische toetssteen nodig is om de historische zin — die als fundament dient — bij de Vaders op te sporen. En hoe weinig uitleggers kan men vinden die, gedrenkt in de Griekse en Hebreeuwse bronnen, hun ware zegswijze hebben weergegeven en ze geheel met onze editie hebben verzoend? Wat dan? Ik zie dat ik hier moet zwoegen en mij inspannen, opdat ik door veel te lezen en veel te vragen, de kleine bijen navolgend, uit een uitgelezen onderzoek een honigwinning voortbrenge uit de bloemen die het best bij het doel passen: zodat ik eerst de historische zin met nauwkeurig onderzoek opspoore; waar hij verschilt bij verscheidene schrijvers, zal ik het aangeven; en in zulk een menigte van meningen, die dikwijls angstige en onzekere hoorders vasthoudt en in verwarring brengt, zal ik de meest met de tekst overeenstemmende verkiezen en uitkiezen. In deze zaak heb ik steeds vastgehouden dat de Vulgaat-editie krachtens het besluit van het Concilie van Trente moet worden verdedigd. Maar waar het Hebreeuws schijnt af te wijken, zal ik trachten aan te tonen dat het met de Vulgaat overeenstemt, opdat wij de ketters mogen antwoorden; en indien zij enige andere vrome of geleerde uitleg suggereren die niet in strijd is met de onze, zal ik die naar voren brengen — maar zodanig dat ik het Hebreeuws in Latijnse woorden weergeef, opdat zij die het Hebreeuws niet kennen het mogen vatten, en zij die het kennen de bronnen mogen raadplegen; doch dit alles spaarzaam, en slechts waar de zaak het vereist.

Wat de Rabbijnen betreft, ik zal geen omgang met hen hebben, behalve voorzover zij met katholieke leeraars overeenstemmen, of de christenen — en vooral H. Hiëronymus — stilzwijgend onder een verborgen naam volgen, zoals in vele gevallen is ontdekt. Overigens is deze klasse van mensen gewoon, laag, bot en van alle geleerdheid ontbloot sedert de verwoesting van Jeruzalem, waardoor het gehele volk van koninkrijk, stad, bestuur, tempel en letteren beroofd en verlaten ligt, overeenkomstig de profetie van Hosea: zonder koning, zonder vorst, zonder offer, zonder altaar, zonder efod, zonder terafim. Wat de mystieke zin betreft, ik zal hem zozeer nooit zelf verzinnen dat ik hem altijd aan zijn auteurs zal toeschrijven, en waar hij schitterender is, hem kort zal omarmen; anders zal ik met een naar de bronnen gerichte vinger aanwijzen waar hij kan worden gezocht. Voorts zal ik dit alles met grotere beknoptheid doen dan ik in de Brieven van Paulus heb gebezigd, opdat ik de gehele Bijbelse cursus in enkele jaren en delen ten einde brenge (indien God kracht en genade verleent). Maar hoe onvermoeid de arbeid en studie is die hier vereist wordt, om met scherp oordeel Griekse, Hebreeuwse, Latijnse, Syrische, Chaldeeuwse teksten en variante lezingen der handschriften te raadplegen; de Griekse Vaders, de Latijnse, de recentere uitleggers die in de meest uiteenlopende richtingen gaan, en zo uiterst breedvoerig, af te rollen; over ieder een oordeel te vellen; wat dwaling is, wat geloof, wat zeker, wat waarschijnlijk, wat onwaarschijnlijk, wat letterlijk, wat het allermeest de ware zin, wat allegorisch, tropologisch, anagogisch; en alles te distilleren en in drie woorden samen te persen; dikwijls zelf de ware letterlijke zin te ontdekken en als eerste het ijs te breken — laat niemand dit geloven tenzij hij die het heeft ervaren.


Peroratie en besluit van het eerste deel

Gelukkig de hoorder en lezer die van al deze arbeid geniet in het kort bestek van de leermeester. Laat de leermeester het martelaarschap begeren, en in plaats van bloed zijn edelste vermogens aan God wijden en uitstorten, en daarmee zijn ogen, hersenen, mond, beenderen, vingers, handen, bloed, elke druppel levenskracht en het leven zelf, en door een langzaam martelaarschap teruggeven aan Hem die het eerst het Zijne gaf, God, voor ons arme stervelingen. „Mijn kracht zal ik voor U bewaren”: ik zal geen gewin najagen, noch bijval, noch de rook der roem; laat hen laken, prijzen, toejuichen of uitfluiten — ik zal mij niet laten ophouden. Ik ben niet zo dwaas, noch zo kleinmoedig, dat ik mijn arbeid en leven voor zulk een goedkope ijdelheid zou verkopen. Wie, indien hij als H. Thomas de wereld vaarwel heeft gezegd, en van Christus aan het kruis hoort: „Gij hebt goed over Mij geschreven, Thomas; wat zal dan uw loon zijn?” zou niet terstond met hem antwoorden: „Geen ander dan Gij, Heer” — mijn bovenmatig grote loon? De wereld is mij gekruisigd, en ik aan de wereld; mijn werken zijn niet de mijne, maar Uw gaven; ik geef U terug wat het Uwe is; Gij hebt mijn kindsheid onderwezen, de weg gewezen waar geen weg was, de zwakheid zowel van geest als van lichaam gesterkt, de duisternis met Uw licht verdreven: want het zwakke der wereld verkiest Gij, om het sterke te beschamen; en het onaanzienlijke der wereld, en het verachte, en wat niet is, om te niet te doen wat is, opdat geen vlees roeme voor Uw aangezicht, maar wie roemt, in U alleen roeme. Wat dan? Alle vruchten, nieuwe en oude, mijn beminde, heb ik voor U bewaard: ik ben van mijn beminde, en mijn beminde is van mij, die weidt onder de leliën; leg mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm, want sterk als de dood is de liefde, hard als het dodenrijk is de naijver; een bundel mirre is mijn beminde mij, tussen mijn borsten zal hij verwijlen; en na deze mirre, een tros van Cyprus is mijn beminde mij, in de wijngaarden van Engedi. Opdat Hij dit overvloedig moge verlenen, zal ik onophoudelijk alle Heiligen aanroepen, en vooral mijn patronen, de Maagd Moeder der eeuwige Wijsheid, H. Hiëronymus, en Mozes die wij onder handen hebben, opdat, zoals H. Paulus H. Chrysostomus bijstond, hij zelf mij als engelachtige leermeester terzijde sta, en mij bij het schrijven, anderen bij het lezen, beiden bij het begrijpen, en bij het hebben, willen, volbrengen van dezelfde wijsheid, en het onderwijzen en overtuigen van anderen in deze dingen, een gids en leermeester zij, ter volmaking der Heiligen, voor het werk der bediening, tot opbouw van het Lichaam van Christus, opdat wij in Hem in alles opgroeien, totdat wij allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods, tot de volmaakte mens, tot de maat van de gestalte der volheid van Christus — die onze liefde is, ons einddoel, ons doel, en het eindpunt van heel onze loopbaan, studie, leven en eeuwigheid.

Amen.


Tweede Afdeling: Over het nut en de vrucht van de Pentateuch en het Oude Testament

Er zijn sommigen die menen dat het Oude Testament als het ware eigen is aan de Joden en niet even nuttig of noodzakelijk voor christenen; en dat het voor een theoloog volstaat als hij de Evangeliën kent, als hij de Brieven leest en begrijpt. Deze overtuiging is, omdat zij praktisch is, een praktische dwaling; want indien zij speculatief ware, zou zij ketterij zijn; beide zijn schadelijk, beide moeten worden weggenomen.


Ketterijen die het Oude Testament verwerpen

51. Het was de ketterij van Simon de Tovenaar en zijn volgelingen, vervolgens van Marcion, en van de Perziër Curbicus (die de zijnen Manes en Manichaeus noemden, als het ware een uitstorter van manna, ter ere), en van de Albigenzen, en onlangs van de Libertijnen, en ook van sommige Wederdopers, die het Oude Testament samen met Mozes verworpen hebben — maar op verschillende gronden. Simon, de Manicheeërs en de Marcionieten leerden dat het Oude Testament was voortgebracht door een duistere macht en kwade engelen: want dit Testament, zeggen zij, beschrijft een zekere God die van eeuwigheid in duisternis woonde vóór het licht, die de mens verbood te eten van de boom der kennis van goed en kwaad, die zich in een hoek van het paradijs verborg, die wachterengelen voor het paradijs nodig had, die door toorn, ijver en zelfs jaloezie werd beroerd — toornig, wraakzuchtig, onwetend, en vragend: „Adam, waar zijt gij?” De Libertijnen stelden niet de letter, maar hun eigen rede en neiging als leidraad van geloof en zeden. De Wederdopers beroemen zich erop dat zij door de geestdrift des geestes bewogen en onderwezen worden. Onze tijd — die elk soort gedrocht heeft gezien — heeft een dweper gezien die een driemanschap van godslastering over de drie bedriegers der wereld in het licht bracht: Mozes, Christus en Mohammed (ik huiver om voort te gaan).

Draaglijker is de overtuiging van hen onder de onzen die hetzij gebrek aan tijd, hetzij arbeid, hetzij nutteloosheid aanvoeren als verontschuldiging om het Oude Testament te verwaarlozen; maar in werkelijkheid dwalen zij, en de dwaling van allen komt uiteindelijk op hetzelfde neer — een dwaling, zeg ik, omdat zij strijdt met Mozes, met de Profeten, met de Apostelen, met het besef der Kerk, met de Kerkvaders, met de rede, met Christus, met God de Vader en de Heilige Geest.


Argumenten voor het Oude Testament

Met Mozes, Deuteronomium 17:8: „Indien,” zegt hij, „gij bemerkt dat er een moeilijk en twijfelachtig oordeel onder u is gerezen, enz., dan zult gij doen wat degenen die voorgaan in de plaats die de Heer heeft gekozen, zullen zeggen, en wat zij u volgens zijn wet leren.” Wie ziet hier niet dat geschillen over geloof, zeden en riten, zowel nieuwe als oude, door de wet Gods moeten worden beoordeeld, en dat priesters en theologen, om deze te beslechten, de wet als een Lydische toetssteen moeten gebruiken? Daarom moeten zij zich toeleggen op de wet, zowel de oude als de nieuwe.

Met de Profeten. Want Jesaja, hoofdstuk 8, vers 20, roept uit: „Tot de wet veeleer, en tot het getuigenis.” En Maleachi, hoofdstuk 2, vers 7: „De lippen van de priester zullen kennis bewaren, en men zal de wet uit zijn mond zoeken.” En David, Psalm 118:2: „Zalig zij die zijn getuigenissen doorvorsen.” En vers 18: „Open mijn ogen, en ik zal de wonderen van uw wet beschouwen.”

Met de Apostelen. „Wij hebben,” zegt de H. Petrus, Tweede Brief, hoofdstuk 1, vers 19, „het profetische woord dat des te vaster staat, waarop gij wèl doet acht te geven, als op een lamp die schijnt op een duistere plaats.” En Paulus prijst Timoteüs, Tweede Brief, hoofdstuk 3, vers 14, omdat hij van kindsbeen af de Heilige Schriften had geleerd (de oude uiteraard, die toen alleen bestonden), „die u,” zegt hij, „kunnen onderrichten tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is. Heel de Schrift is door God geïnspireerd en nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot opvoeding in de gerechtigheid, opdat de man Gods volmaakt zij, toegerust tot elk goed werk.”

Met Christus. „Onderzoekt de Schriften,” zegt Hij, Johannes 5:39. Hij zei niet, merkt Chrysostomus op, „Leest de Schriften,” maar „Onderzoekt” — dat wil zeggen: graaft met arbeid en ijver de verborgen schatten der Schriften op, evenals zij die in ertsgangen naarstig goud en zilver zoeken.

53. Met het besef der Kerk. Want zij stelt in heilige riten, aan tafel, in bibliotheken, op leerstoelen, het Oude Testament evenzeer als het Nieuwe voor en biedt het aan, als hun trouwste bewaakster. Zij gebiedt in het Concilie van Trente, in het gehele eerste hoofdstuk Over de Hervorming, dat de voortdurende lezing der Heilige Schrift overal hersteld en ingesteld worde. Zij verplicht bisschoppen, als toekomstige herders der Kerk, vóór hun wijding te beloven dat zij zowel het Oude als het Nieuwe Testament kennen — welke belofte en gelofte, hoewel Sylvester en anderen haar met een mildere uitleg verzachten, toch bij sommige wijzere mannen, die de woorden zorgvuldig wogen, een gewetensbezwaar verwekte, zodat zij om deze reden het bisschopsambt weigerden, opdat zij zich niet met een valse gelofte zouden binden.

Met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Want waartoe heeft de Heilige Drie-eenheid het Oude Testament gedurende vierduizend jaar zo gaaf en ongerept bewaard, door zoveel stormen van oorlogen en rijken — tenzij omdat Hij wilde dat het door ons gelezen werd, zoals in Jozua, hoofdstuk 1, vers 8: „Het boek dezer wet,” zegt Hij, „zal niet wijken van uw mond, maar gij zult het dag en nacht overdenken.” Waartoe heeft Hij hen die het ontwijdden met zo strenge wraak gestraft?

Josephus en Aristeas verhalen, in het boek Over de Zeventig Vertalers, dat de beroemde Theopompus, toen hij iets uit de goddelijke Hebreeuwse boeken in Griekse stijl wilde opsieren, door onrust en verwarring des geestes werd getroffen en genoodzaakt werd van zijn voornemen af te zien. En toen hij, biddend tot God, wilde weten waarom hem dit was overkomen, ontving hij een goddelijk antwoord: dat het was omdat hij de goddelijke Letteren had bezoedeld. En dat Theodectes, een tragedieschrijver, toen hij enkele dingen uit de Joodse Schriften naar een toneelstuk wilde overbrengen, voor deze roekeloosheid met blindheid boette: want hij werd onmiddellijk getroffen en van zijn gezichtsvermogen beroofd — totdat beiden, de schuld van hun vermetelheid erkennend, berouw hadden over hetgeen zij hadden gedaan en vergiffenis van God verkregen, en de een zijn ogen, de ander zijn verstand terugkreeg.


De Septuaginta-vertaling en de Griekse vertalers

Waartoe gaf Hij, 250 jaar vóór Christus, Ptolemaeus Philadelphus, zoon van Ptolemaeus Lagus (die zijn broeder Alexander de Grote was opgevolgd in het koningschap van Egypte), in de geest om door de hogepriester Eleazar uit elke stam der Hebreeërs zes van de meest geleerde mannen te kiezen — dat wil zeggen 72 vertalers — om het Oude Testament uit het Hebreeuws in het Grieks over te zetten, en stond Hij hen zo bij dat zij in 70 dagen, met volledige instemming van allen, het werk voltooiden en niet alleen in dezelfde betekenissen maar zelfs in dezelfde woorden overeenkwamen — en dit, als wij Justinus, Cyrillus, Clemens van Alexandrië en Augustinus geloven, terwijl ieder afzonderlijk zijn eigen versie smeedde in een verschillende cel? Waartoe zorgde Philadelphus ervoor dat deze Septuaginta-versie, door Demetrius, de prefect van de Alexandrijnse bibliotheek, samen met de Hebreeuwse handschriften in zijn bibliotheek werd neergelegd en zorgvuldig bewaard? Inderdaad, Tertullianus getuigt in zijn Apologeticus dat zij daar tot zijn eigen tijd bewaard was gebleven. Klaarblijkelijk wilde God dat deze dingen aan de Griekse volken werden toevertrouwd, en door hen aan de Latijnen — aan ons, zeg ik, en aan onze theologen — en over alle delen der wereld, over academiën en steden verspreid.

54. Waartoe gaf of verschafte Hij na Christus zoveel andere vertalers, getuigen en bewaarders van dezelfde oude Schrift? De tweede vertaler van de Heilige Schrift uit het Hebreeuws na de Zeventig was, volgens Epiphanius, Aquila van Pontus, die in het 12e jaar van keizer Hadrianus de Hebreeuwse Schrift in het Grieks vertaalde; maar omdat hij van de christenen naar de Joden overliep, is zijn betrouwbaarheid niet voldoende geloofwaardig.

Na hem kwam, met grotere getrouwheid, Theodotion, een Joods proseliet hoewel voorheen een Marcioniet, onder keizer Commodus, wiens versie van Daniël de Kerk heeft overgenomen en volgt. De vierde, onder keizer Severus, was Symmachus, eerst een Ebioniet, daarna een Jood. De vijfde was een anonieme vertaler, wiens versie in bepaalde kruiken in de stad Jericho werd gevonden, in het 7e jaar van Caracalla, die zijn vader Severus opvolgde. De zesde was eveneens een anonieme vertaler, op gelijke wijze in kruiken gevonden te Nicopolis, onder keizer Alexander, zoon van Mammaea. Deze twee worden gewoonlijk aangeduid als de vijfde en zesde editie.

Origenes verzamelde al dezen en stelde uit hen zijn Tetrapla, Hexapla en Octapla samen; hij verbeterde ook de bedorven Septuaginta, en wel zo goed dat zijn editie door allen werd aanvaard en als de „algemene” werd beschouwd en genoemd. De zevende was de H. Lucianus, priester en martelaar, onder Diocletianus, die een nieuwe uitgave van het Hebreeuws in het Grieks ondernam.

Ten slotte vertaalde de H. Hiëronymus, de zon der Latijnse Kerk, in opdracht van de zalige Damasus, de oude Schrift uit het Hebreeuws in het Latijn, wiens versie, nu reeds duizend jaar Vulgaat genaamd, de Kerk openlijk volgt en goedkeurt, op weinige uitzonderingen na. Waartoe, zo vraag ik, heeft God dit alles zo moeizaam, zo ijverig beschikt, tenzij om ons deze heilige schat der oude boeken, onbesmet, ter lezing, ter lering en ter bestudering over te leveren?


De verdediging van het Oude Testament door de Kerkvaders

55. Deze overtuiging strijdt met de Kerkvaders; want de H. Augustinus schreef, ter verdediging van de waarheid en het nut van de Pentateuch en het Oude Testament, niet minder dan 33 boeken Tegen Faustus, en opnieuw twee boeken Tegen de Bestrijder van de Wet en de Profeten. Tertullianus schreef voor dezelfde zaak vier boeken Tegen Marcion. Allen zonder uitzondering hebben zich ingespannen om de boeken ervan te ontrollen en uit te leggen. Basilius en zijn volgeling of vertolker de H. Ambrosius schreven Hexaëmeron-boeken over Genesis, over de Psalmen en over Jesaja. Origenes schreef 46 boeken over Genesis, Chrysostomus 32 preken.

Over de Pentateuch schreef Cyrillus 17 boeken Over de Aanbidding in Geest en Waarheid; uit dezelfde bron gaven de H. Augustinus, Theodoretus, Beda, Procopius en Hiëronymus vragen en uitdrukkingen uit. En terecht: want, zoals de H. Ambrosius zegt in Brief 44, de goddelijke Schrift is een zee, die in zich diepe betekenissen bevat, en de diepte der profetische raadselen, dat wil zeggen van het Oude Testament.

De H. Hiëronymus, in het Voorwoord op de Brief aan de Efeziërs, Over de Studie der Heilige Schrift: „Nooit,” zegt hij, „heb ik van mijn jeugd af opgehouden te lezen of geleerde mannen te raadplegen over hetgeen ik niet wist; nooit heb ik mijzelf (zoals de meesten doen) tot mijn eigen leermeester gemaakt. Ten slotte ben ik nog zeer onlangs, bovenal om deze reden, naar Alexandrië gereisd om Didymus te zien en hem te raadplegen over alle twijfels die ik in de Schriften had.” De H. Augustinus leert in boek II van Over de Christelijke Leer, hoofdstuk 6, dat het door goddelijke voorzienigheid zo is geschikt, dat de studie van een zo ingewikkelde en moeilijke Heilige Schrift de mens zowel van hoogmoed als van verveling zou terughalen. „Wonderbaarlijk,” zegt dezelfde, boek XII van de Belijdenissen, hoofdstuk 14, „is de diepte van uw woorden, Heer, wier oppervlak, zie, voor ons ligt, lieflijk voor de kleinen; maar wonderbaarlijk is de diepte, mijn God, wonderbaarlijke diepte; het is huiveringwekkend erin te staren: een huivering van eerbied en een siddering van liefde.” Vandaar ook in Brief 119: „Ik,” zegt hij, „beken in de Heilige Schriften zelf veel meer niet te weten dan ik weet.”

En om dit onderwerp af te sluiten: de H. Thomas, de vorst der Scholastieken, heeft ons een schitterend voorbeeld gegeven om de Scholastieke Theologie onafscheidelijk met de Heilige Schrift te verbinden, als waren zij zusters. Gij weet allen welk zijn liefde was voor de Schrift, welk zijn studie, welke zijn gebeden, welk zijn vasten, welke zijn commentaren op de Profeten, op het Hooglied, op Job en op andere boeken van het Oude Testament: waaronder die over onze Genesis (indien zij inderdaad van hem zijn, waarover ik later zal spreken) opmerkelijk en geleerd zijn.


Heilige voorbeelden van Schriftstudie

En de eerste uit zijn familie, de H. Antonius van Padua, leerde, terwijl de H. Franciscus zelf nog leefde en toekeek, deze letteren, een man zo bedreven in de Schrift, zowel de oude als de nieuwe, dat toen hij voor de Opperste Pontifex preekte, hij door hem begroet werd als de Ark des Verbonds. Ik ga voorbij aan de H. Bernardus, die wat hij ook zegt, in woorden der Schrift spreekt; ik ga voorbij aan de zalige Alfonso Tostado, bisschop van Ávila, die over deze Decateuch en over de afzonderlijke boeken van de oudtestamentische geschiedenis afzonderlijke werken samenstelde, waarlijk grootse, met scherp oordeel en ijver, zodat hij voor mij, die hem eens doorlas en nu zorgvuldiger herlees, niet minder arbeid dan hulp oplevert.

De H. Edmund, aartsbisschop van Canterbury, besteedde in het jaar des heils 1247 zijn dagen en nachten aan de heilige Letteren, de nachten zelf slapeloos doorbrengend, met zulk een eerbied dat hij, telkens wanneer hij de Heilige Bijbel opende, deze eerst met een kus eerde. Over hem bestaat dit gedenkwaardige verhaal: toen hij op een gezantschap 's nachts, zoals zijn gewoonte was, de Heilige Bijbel las, werd hij door de slaap overmand; de kaars viel op het boek en de vlam greep het aan. Wakker wordend zuchtte hij, het boek verbrand wanend, veegde de as af die aan het boek kleefde, en zie, hij verwonderde zich over de codex die volkomen ongeschonden en ongedeerd was.

De H. Karel Borromeus vertoefde voortdurend in de Heilige Schrift als in een lusthof van genoegens, en placht te zeggen dat een bisschop geen tuin nodig had, maar dat zijn tuin de Heilige Bijbel was.

56. En dit was niet slechts het gevoelen van de oude tijd der Kerkvaders, maar ook van deze eeuwen, toen de Scholastieke Theologie reeds bloeide en gedijde. De H. Dominicus, doctor in de Heilige Theologie, bestudeerde veelvuldig zowel het Oude als het Nieuwe Testament: te Rome en elders doceerde hij openlijk vele van hun boeken: hieruit werd hij de eerste Meester van het Heilig Paleis; en sindsdien kleefde deze waardigheid aan de Orde der Predikheren. Hoor de schrijver van zijn Levensbeschrijving, boek IV, hoofdstuk IV, in eenvoudige maar ernstige stijl: „Omdat,” zegt hij, „zonder kennis der Schriften niemand een volmaakt prediker kan zijn, spoorde hij de Broeders aan altijd het Oude en Nieuwe Testament te bestuderen: want de verzinsels der filosofen achtte hij gering; vandaar dat de Broeders die ter prediking werden gezonden slechts de Bijbel bij zich droegen, en velen tot boetvaardigheid bekeerden.”

Dat de H. Vincentius Ferrer, die in de herinnering onzer overgrootvaderen, door Italië, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Spanje reizend, minstens honderdduizend mensen bekeerde, slechts één Brevier en de Bijbel bij zich droeg om te prediken.

De H. Jordanus, inderdaad een doctor, de tweede Magister-Generaal van zijn Orde na de H. Dominicus, antwoordde, toen hem door zijn predikers werd gevraagd „of het beter was zich aan het gebed of aan de studie der Heilige Schrift te wijden,” op zijn gebruikelijke geestige wijze: „Is het beter altijd te drinken of altijd te eten? Zeker, zoals beide beurtelings nodig zijn, zo past het beurtelings te bidden en de Heilige Schrift te bestuderen;” en, zoals de H. Basilius zegt: „Laat lezing op gebed volgen, en gebed op lezing.”

57. Evenzo stond de H. Franciscus, door de zijnen gevraagd, hun de studie der heilige Letteren toe, op voorwaarde evenwel dat de geest van gebed en godsvrucht niet zou worden uitgeblust.


De heilige schrijvers als pennen van de Heilige Geest

58. Ten slotte overtuigt de rede ons van het nut en de noodzaak van het Oude Testament. Mozes, David, Jesaja, evenals Petrus, Paulus en Johannes, als het ware toegelaten tot de vergadering der engelen, putten wijsheid uit de bron der waarheid zelf; en, zoals de zalige Gregorius en Theodoretus terecht zeggen, de tongen en handen dezer heilige Schrijvers waren niets anders dan de pennen van dezelfde Heilige Geest, zozeer dat zij niet zozeer verschillende schrijvers als wel verschillende pennen van één schrijver schijnen te zijn geweest: daarom moet dezelfde waarheid, hetzelfde gezag, dezelfde eerbied, dezelfde ijver en zorgvuldigheid aan Mozes worden toegekend als aan Paulus, of liever aan de Heilige Geest die door Mozes en door Paulus spreekt; want al wat door Hem geschreven is, is tot onze lering geschreven. Ja, heel zijn wijsheid die voor het menselijk geslacht noodzakelijk of nuttig was, die Hij uit de afgrond van zijn godheid ons wilde mededelen, heeft Hij in beide Testamenten, het Oude zowel als het Nieuwe, besloten. Dit boek is Gods boek, het boek van het Woord, het boek van de Heilige Geest, waarin niets overbodig is, niets overtollig, maar evenals in de verscheidenheid der schrijvers, zo ook in de verscheidenheid der onderwerpen en in de schoonste harmonie van al zijn delen, alles met elkaar overeenstemt en dit gehele werk Gods voltooit en vervolmaakt; zodat, als gij één deel wegneemt, gij het geheel verminkt. Daarom, evenals de filosoof heel Aristoteles, de geneesheer Galenus, de redenaar Cicero, de rechtsgeleerde heel Justinianus moet doorwerken, zo moet des te meer de theoloog dit gehele boek Gods doorwerken, doorzoeken en verslijten; en evenals wie de Metafysica verminkt de Filosofie verminkt, zo verminkt wie de Heilige Schrift verminkt de Theologie: want evenals de Metafysica de Filosofie haar beginselen geeft, zo geeft de Heilige Schrift de Theologie haar beginselen. Dit is inderdaad wat Christus bedoelde toen Hij zei: „Iedere schriftgeleerde,” dat wil zeggen iedere Doctor, iedere Theoloog, „die onderwezen is in het Rijk der hemelen, haalt uit zijn schat nieuwe en oude dingen te voorschijn.”


De zes nutten van het Oude Testament

I. Het Oude Testament bevestigt het geloof

59. Maar om de zaak duidelijk voor ogen te leggen en enkele van de meer voortreffelijke vruchten van het Oude Testament op te sommen: in de eerste plaats bevestigt het Oude Testament, evenals het Nieuwe, het geloof. Vanwaar, zo vraag ik, kennen wij het begin der wereld, de schepping en de Schepper, tenzij omdat wij door het geloof verstaan dat de eeuwen zijn gevormd door het woord Gods? Door welk woord? Uiteraard door dat van Genesis, hoofdstuk 1: „Er zij licht, er zijn lichten, laat ons de mens maken,” enz. Vanwaar leerden wij over de onsterfelijke ziel, de val des mensen, de erfzonde, de Cherubijnen, het paradijs, tenzij uit dezelfde Genesis die deze dingen verhaalt? Eusebius leert in zijn gehele boek XI van de Voorbereiding op het Evangelie dat Plato, die de H. Augustinus en alle Kerkvaders vóór hem als goddelijk boven Aristoteles en alle anderen hebben gevolgd — Plato, zeg ik, zijn leringen over God, over het Woord Gods, over het begin der wereld, de onsterfelijkheid der ziel, de toekomstige verrijzenis en het oordeel, straffen en beloningen, uit Mozes heeft geput. Vanwaar erkenden wij Gods voorzienigheid, tenzij uit de opeenvolging van zoveel eeuwen? Vanwaar leidden wij de verbreiding van volken, koningen en koninkrijken af, de wereldwijde zondvloed, de verrijzenis en de hoop op het eeuwig leven, tenzij uit de oude geschiedenis, en uit het geduld van Job en de ouden, uit de voortdurende pelgrimstocht der aartsvaders? „Door het geloof,” zegt de Apostel, „verbleef Abraham in het beloofde land als in een vreemd land, wonend in tenten met Isaak en Jakob, mede-erfgenamen van dezelfde belofte: want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de bouwmeester en schepper is.” En hieruit wordt onze hoop gescherpt, ons gemoed verheven, opdat men, gedachtig dat men hier gast en balling is, naar het hemels vaderland moge streven, niets in deze wereld begere, over niets zich verwondere, maar alles vertrede en als vuilnis achte, en met de H. Hiëronymus voortdurend zichzelf die Socratische spreuk voorzinge: „Ik wandel door de lucht en zie neer op de zon.” Ik stijg op naar de hemelen; ik veracht deze aarde, ja de hemel zelf en de zon. Ik sta ingeschreven als erfgenaam en heer niet van de aarde, maar van de hemel; daarheen streef ik in gedachte, in hoop, in elke overdenking, en ik vlieg boven de sterren; ik ben burger der Heiligen, huisgenoot Gods, bewoner van het paradijs: al het overige, als gering, mij onwaardig, laag en nietig, vertrap ik.

Wie vestigt in heel de Schrift duidelijker de natuur, het ambt, de bescherming en de aanroeping der engelen dan het boek Tobit? Wie bevestigt nadrukkelijker het vagevuur en de gebeden voor de overledenen dan de boeken der Makkabeeën? Zozeer dat onze Vernieuwers, toen zij geen andere uitweg zagen, wanhopend aan de overwinning en er zeker van eerder overwonnen te worden dan te overwinnen, door noodzaak tot razernij gedreven, hen uit de heilige canon hebben geschrapt.

Maar omgekeerd, hoeveel ketterijen zoeken in deze boeken hun schuilplaats? De Joden handhaven uit die plaats Deuteronomium 23:19, „Gij zult uw broeder niet op rente lenen, maar aan een vreemdeling,” hardnekkig dat zij geoorloofd woeker mogen bedrijven tegen christenen. Magiërs voeren ter verdediging van de magie als getuigen aan en prijzen de tovenaars van Farao, die door de plotselinge kracht der magie slangen in staven en staven in slangen veranderden, evenals Mozes. Ter verdediging van de necromantie voeren zij de dodenbezweerster aan die Samuël uit het dodenrijk opriep, die Saul met een waar orakel van naderende dood en onheil trof. Ter verdediging van de chiromantie halen zij die passage van Job 37 aan: „Hij drukt een zegel op de hand van ieder mens, opdat allen zijn werken mogen kennen.”

Calvijn bewijst uit die uitspraak van David: „De Heer heeft hem (Simeï) bevolen David te vervloeken,” 2 Koningen 16:10, (naar hij meent) dat God de bewerker, ja de bevelhebber van kwade daden is; uit die passage van Exodus: „Ik zal het hart van Farao verharden, en: Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik mijn kracht in u moge tonen,” bouwt hij het onvermijdelijke noodlot van zijn verwerping; hij stelt de slavernij van de wil vast uit het feit dat Jeremia ons als leem in de hand Gods plaatst, als van een pottenbakker (Jeremia 18:6).

Enkele jaren geleden legden de Saksische Lutherologen en blaaskaken, in het dispuut van Regensburg, het gehele gewicht van hun zaak — om de overleveringen te verwerpen en het woord Gods alleen als uiteindelijke rechter van geloofsgeschillen te stellen — op die passage van Deuteronomium 4:2: „Gij zult niets toevoegen aan het woord dat ik u spreek, noch ervan afnemen;” en hoofdstuk 12:32: „Wat ik u gebied, dat alleen zult gij voor de Heer doen; gij zult er niets aan toevoegen, noch iets afdoen.”

Wat zult gij hier doen, als gij hier niet thuis zijt? Hoe zult gij u tot een bespotting voor hen maken, tot schandaal der Kerk, als gij hier struikelt, als gij deze dingen niet leest, hoort, leert, als gij niet dikwijls de bronnen zelf raadpleegt? Want de H. Augustinus leert dat dit noodzakelijk is. Ja, wie niet weet wat het Hebreeuwse tsava betekent, dat wil zeggen „God beval Simeï,” enz., zal aan de strikken van Calvijn niet ontkomen; maar wie het Hebraïsme kent, namelijk dat tsava betekent ordenen, beschikken, bestieren, en heel de voorzienigheid Gods aanduidt, zowel de positieve als de negatieve en de toelatende, zal dit wapen als een spinnenweb wegblazen. Dergelijke Hebraïsmen zal ik dikwijls in de afzonderlijke hoofdstukken aanwijzen, die gij nooit zult begrijpen tenzij uit de Hebreeuwse taal.

II. De rijkdom van het Oude Testament

60. Dit eerste nut van de Oude Schrift is tweevoudig: het tweede is niet minder, namelijk dat het Oude Testament veel rijker is dan het Nieuwe. Men kan overvloedige ethiek zien in de Spreuken, Prediker en Ecclesiasticus: een bewonderenswaardige staatkunde in de daden en de rechterlijke en ceremoniële wetten van Mozes, waaraan de Kerk veel heeft ontleend, evenals de auteurs van het Kerkelijk Recht; en ook enige zaken van het Burgerlijk Recht: orakels in de Profeten; preken in Deuteronomium en de Profeten; en, wat het tegenwoordige onderwerp betreft, geschiedenis vanaf de stichting der wereld tot aan de tijden der Rechters, der Koningen en van Christus — zeer zeker, zeer geordend, zeer afwisselend en zeer vermakelijk — kan men zien in de Decateuch.

Er is een viervoudige wet: der onschuld, der natuur, de Mozaïsche en de Evangelische: de eerste drie en hun geschiedenissen worden omvat door de Pentateuch. „Genesis,” zegt de H. Hiëronymus in de Gehelmde Proloog, „is het boek waarin wij lezen over de schepping der wereld, de oorsprong van het menselijk geslacht, de verdeling der aarde, de verwarring der talen en volken, tot aan de uittocht der Hebreeërs.”

De Latijnse en Griekse geschiedschrijvers der heidenen vertellen fabels over de vloed van Deucalion, over Prometheus, over Hercules; en in heel de profane geschiedenis is alles vóór de Olympiaden gevuld met de duisternis van onwetendheid en fabels. De Olympiaden nu begonnen hetzij aan het begin van de regering van Jotham, hetzij aan het einde van de regering van Uzzia, dat wil zeggen na het drieduizendste jaar sinds de schepping der wereld en meer: zodat gij voor drieduizend jaar geen enkele zekere geschiedenis der wereld hebt behalve deze ene van Mozes en de Hebreeërs. De geschiedenis is waarlijk de leermeesteres, gids en het licht van het menselijk leven, waarin men als in een spiegel het ontstaan, de val en de ondergang van koninkrijken, staten en het menselijk leven, deugden en ondeugden kan onderscheiden, en alle wijsheid en de weg naar geluk kan leren uit andermans voorbeeld, hetzij van voor- hetzij van tegenspoed.

Hieraan kan worden toegevoegd dat in geen enkele geschiedenis, ja zelfs niet in het Nieuwe Testament, zovele, zo gevarieerde en zo heldhaftige voorbeelden van iedere soort deugd bestaan als in de Pentateuch en het Oude Testament.

61. De Romeinen prijzen hun beroemde kooplieden van roem, wier wassen schimmen — ik bedoel hun portetmaskers — door klimmende klimop worden omstrengeld, terwijl hun lichamen en zielen door eeuwig vuur worden gelikt en verteerd. Zij prijzen de Manlii Torquati, die hun zonen die tegen het bevel van de bevelhebber en vader tegen de vijand hadden gestreden, hoewel zij de overwinning hadden behaald, met het zwaard neersloegen, om de krijgstucht te handhaven. Maar wie zou Manliaanse bevelen beminnen? Zij prijzen Junius Brutus, de wreker van de Romeinse vrijheid, de eerste Consul, die zijn eigen zonen en die van zijn broeder, omdat zij met de Aquillii en de Vitellii hadden samengezworen om de Tarquinii in de stad terug te ontvangen, met roeden liet slaan en vervolgens met de bijl onthoofdde: een ongelukkige en roemloze vader met zulk een nageslacht. Wie zou niet liever Abraham en Isaak prijzen, die onschuldigen, die besloten de aan God verschuldigde gehoorzaamheid met de slachting en het offer van een vader te bezegelen, en de Makkabese moeder, die zichzelf met haar zeven kinderen aan God voor de wetten des vaderlands aanbood?

Zij prijzen de drie gebroeders, de Horatiërs, die de drie Curiatii van Alba in een tweegevecht, meer door list dan door kracht, overwonnen en de heerschappij van Alba naar Rome overbrachten. Wie zou niet liever de moed en de kracht van David prijzen, die in een tweegevecht met een slinger die toren van vlees en been, Goliath, neervelde en Israëls heerschappij over de Filistijnen vestigde?

Zij prijzen de onthouding van Alexander, die na Darius te hebben verslagen, weigerde diens gevangen echtgenote en allerschoonste dochters aan te zien, en herhaaldelijk zei dat Perzische vrouwen een kwelling voor de ogen waren. Wie zou niet liever Jozef prijzen, reeds in het geheim gegrepen door de verleidende meesteres, vluchtend en zijn mantel achterlatend, en zich vrijwillig in elk gevaar van kerker, eer en leven stortend, om zijn kuisheid te bewaren?

62. Zij prijzen Lucretia, kuis na de schending, maar de late wreekster van de misdaad — en zelfmoordenares: wij vieren Susanna, een veel moediger kampioene zowel van de kuisheid als van het leven en de eer.

Zij bewonderen Virginius de centurio, die, toen hij zijn dochter Claudia Virginia niet kon bevrijden uit de macht en wellust van Appius Claudius de decemvir, om een laatste woord met haar verzoekend, haar heimelijk doodde, en een dode dochter verkoos boven een onteerde. Zij bewonderen de Decii, vader en zoon, die voor het Romeinse leger, met plechtige gelofte door de pontifen Valerius en Liberius, de Latijnse en Samnitische vijanden samen met zichzelf aan de goden der onderwereld wijdden en de overwinning met hun eigen dood bezegelden. Wie zou niet liever rechter Jefta bewonderen, die voor de overwinning van zijn volk zijn enige maagdelijke dochter en haar maagdelijkheid aan de ware God wijdde en haar die hij had beloofd, offerde? Wie zou niet Mozes bewonderen, die zichzelf niet aan tijdelijk maar aan eeuwig verderf wijdde ter wille van het volk?

63. Zij prijzen de militaire dapperheid en het geluk van Julius Caesar, Pompejus, Publius Cornelius Scipio, Hannibal en Alexander. Maar hoeveel groter waren Simson, Gideon, David, Saul, de Makkabeeën en Jozua, die niet met menselijke maar met hemelse kracht en goddelijk welslagen uitgerust, met weinigen tegen velen, zelfs de machtigsten, versloegen; voor wie de zon, de maan en de sterren als soldaten gehoorzaamden en tegen de vijand streden? Aan wie, zo vraag ik, behalve misschien aan Theodosius, maar eerder aan Judas Makkabeüs en Jozua, zou men dat vers zingen?

O al te zeer door God beminde, voor wie uit zijn spelonken Aeolus gewapende stormen ontketent, voor wie de hemel strijdt, en de samenzwerende winden op het trompetsignaal verschijnen.

64. En deze zijn voor ons voortdurende prikkels tot elke hoogte van deugd, tot alle heiligheid en onschuld, opdat wij als hun mededingers, als aardse engelen en hemelse mensen, in het evangelisch licht wandelen voor de ogen van de goddelijke Majesteit, die ons voortdurend gadeslaat, en Hem in heiligheid en gerechtigheid dienen. Vervolgens, opdat wij in onze eigen en openbare rampen, in deze Belgische en Europese stormen, met de Makkabeeën slechts de heilige Boeken als troost hebbend, door het geduld en de vertroosting der Schriften hoop mogen hebben, en onze geesten opheffen, wetend dat God voor ons zorgt, en gesterkt door zijn liefde en de liefde voor de hemelse dingen, niets vrezen, zelfs de dood en folteringen verachten, en al zou de wereld ineenstorten en vallen, mogen de brokstukken ons onbevreesd treffen.

Zo ontsteekt de Apostel in het gehele hoofdstuk 11 van de Brief aan de Hebreeërs, door het voorbeeld der vaderen, hen met een opmerkelijke preek tot standvastigheid en martelaarschap, opdat zij met een scheut bloeds de zalige eeuwigheid mogen kopen: „Zij zijn gestenigd,” zegt hij — Mozes uiteraard, Jeremia en andere Heiligen van het Oude Testament — „zij zijn doorgezaagd, beproefd, door de scherpte des zwaards gestorven; zij hebben rondgezworven in schapenvachten, in geitenvellen, behoeftig, verdrukt, gekweld, de wereld was hen niet waard, dolend in woestijnen, in bergen en spelonken, en in de holen der aarde;” en dit, „opdat zij een betere verrijzenis mochten vinden; en daarom ook wij, omgeven door zo grote wolk van getuigen, laten wij met geduld de wedloop lopen die voor ons is uitgezet.”

III. Het Nieuwe Testament kan zonder het Oude niet worden begrepen

65. Het derde nut is dat zonder het Oude Testament het Nieuwe niet kan worden begrepen: de Apostelen en Christus halen het veelvuldig aan, en zinspelen er nog vaker op, zelfs bij zijn laatste afscheid van zijn volgelingen. „Dit zijn,” zegt Hij, Lucas, laatste hoofdstuk, vers 44, „de woorden die Ik tot u gesproken heb: dat alles vervuld moet worden wat geschreven staat in de wet van Mozes, en in de Profeten, en in de Psalmen over Mij; toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften zouden verstaan.”

Ja, de Brief aan de Hebreeërs is om deze ene reden het gewichtigst en het duisterst, omdat hij geheel geweven is uit het Oude Testament en zijn allegorieën.

IV. Het Oude Testament overtreft het Nieuwe in allegorische rijkdom

66. Het vierde nut is dit: aangezien Christus het doel der wet is, heeft alles wat in het Oude Testament gezegd is, betrekking op Christus en de christenen, hetzij in letterlijke hetzij in allegorische zin; en hierin overtreft het Oude Testament het Nieuwe, omdat het Oude overal, behalve de letterlijke, een allegorische zin heeft, en dikwijls ook een anagogische en tropologische: het Nieuwe mist de allegorische bijna geheel. „Onze vaderen,” zegt de Apostel, 1 Korintiërs 10:1, „waren allen onder de wolk, en allen zijn door de zee gegaan, en allen zijn in Mozes gedoopt, in de wolk en in de zee, en allen aten hetzelfde geestelijke voedsel, enz. Deze dingen nu zijn ons tot voorbeelden geschied: en zij zijn geschreven om onzentwil, over wie het einde der eeuwen is gekomen.” Vandaar leert dezelfde Apostel opnieuw dat het begrip van het Oude Testament van de Joden is weggenomen en op ons is overgegaan. „Tot op de huidige dag,” zegt hij, „blijft dezelfde sluier bij het lezen van het Oude Testament niet opgeheven, welke sluier in Christus wordt weggenomen; maar tot op de huidige dag, wanneer Mozes wordt gelezen, ligt de sluier op hun hart,” 2 Korintiërs 3:14.

Want de Heilige Geest, die van alle eeuwen bewust en voorkennis heeft, heeft de Heilige Schrift zo ingericht dat zij niet alleen de Joden zou dienen, maar de christenen van iedere eeuw. Ja, Tertullianus meent in zijn boek Over de Kleding der Vrouwen, hoofdstuk 22, dat er geen uitspraak van de Heilige Geest is die alleen op de tegenwoordige zaak kan worden gericht en ontvangen, en niet op iedere gelegenheid van nut.

Waarlijk zegt de H. Augustinus, Tegen Faustus, boek XIII, aan het eind: „Wij,” zegt hij, „lezen de Profetische en Apostolische boeken ter gedachtenis van ons geloof, ter vertroosting van onze hoop en ter aansporing van onze liefde, met elkanders stemmen samenklinkend; en met die samenklank, als met een hemelse bazuin, zowel ons opwekkend uit de verdoving van het sterfelijk leven als ons uitstrekkend naar de prijs der hemelse roeping.”

Om deze reden kiest de Kerk in de Heilige Liturgie overal lezingen uit het Oude Testament, en koppelt zij tijdens het heilige vastenseizoen steeds een Epistel uit het Oude Testament passend aan het Evangelie, opdat schaduw aan lichaam, beeld aan oerbeeld beantwoordt. Ikzelf heb eens beroemde predikers gezien die in hun preken in het eerste deel een geschiedenis of iets dergelijks uit het Oude Testament uiteenzetten, en in het tweede deel iets uit het Nieuwe, tot grote toeloop, bijval en vrucht onder het volk.

Ten slotte doorwoelen en verslijten niet alleen ketters, maar ook rechtgelovige mannen van gewicht, die in concilies, rechtszaken en gerechtelijke uitspraken werkzaam zijn, de heilige Letteren, zowel de oude als de nieuwe, naar oud gebruik.

Francesco Petrarca verhaalt dat 250 jaar geleden Robert, Koning van Sicilië, zo verrukt was over de letteren, vooral de heilige, dat hij hem onder ede zei: „Ik zweer u, Petrarca, dat de letteren mij veel dierbaarder zijn dan mijn koninkrijk, en als ik van een van beide beroofd moest worden, ik gemakkelijker afstand zou doen van de kroon dan van de letteren.”

Panormitanus verhaalt dat Alfonso, Koning van Aragon, gewoon was te beroemen dat hij, zelfs te midden van de zaken van zijn koninkrijk, de gehele Bijbel met glossen en commentaren veertien maal had doorgelezen. Het is derhalve niets nieuws als nu vorsten, raadsheren en andere vooraanstaanden overal aan tafel, bij maaltijden en in gesprekken vragen opwerpen uit het Oude en Nieuwe Testament; waar de theoloog, als hij zwijgt, voor een kind zal worden gehouden: als hij onbeholpen antwoordt, als onwetend of onnozel zal worden beoordeeld.

V. Voorafbeeldingen, voorbeelden en spreuken uit het Oude Testament

67. Ten vijfde heeft God, ter overvloed van lezingen, disputaties en preken, beschikt dat men uit het Oude Testament zo grote verscheidenheid van voorafbeeldingen, voorbeelden, spreuken en orakels kan putten, niet alleen voor het geloof, maar voor iedere onderrichting tot een eerbaar leven. Zo wekt Christus de traagen op tot waakzaamheid door het voorbeeld van Noach en de vrouw van Lot, Lucas 17:32: „Gedenkt,” zegt Hij, „aan de vrouw van Lot;” wederom verschrikt en treft Hij de hardnekkige geesten der Joden door het herinneren aan Sodom, de Ninevieten en de Koningin van het Zuiden. Zo roept Hij tot bekering de navolgers van die rijke man die in de hel begraven ligt, met de woorden van Abraham, zeggend, Lucas 16:27: „Zij hebben Mozes en de Profeten, laten zij naar hen luisteren.” En Paulus zegt, 1 Korintiërs 10:6 en 11: „Dit alles is hun overkomen als voorafbeelding, dat wil zeggen als voorbeeld voor ons; opdat wij niet zouden begeren naar het kwade, noch afgodendienaren zouden zijn,” noch ontuchtigen, noch gulzigaards, noch morrenden, noch verzoekelingen Gods, opdat wij niet vergaan zoals zij die onder de oude wet om zulke misdaden omkwamen.

VI. Het Oude Testament als voorloper van het Nieuwe

68. En hieruit ontspringt het zesde nut: want het Oude Testament was een voorspel tot het Nieuwe, en legde er getuigenis van af, evenals de H. Johannes de Doper dit deed voor Christus de Heer: want hij, evenals Mozes en de andere profeten, „ging voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden, om kennis van het heil aan zijn volk te geven; om te verlichten hen die in duisternis en in de schaduw des doods gezeten zijn, om onze voeten te richten op de weg des vredes.” Als zinnebeeld hiervan verschenen bij de Gedaanteverandering van Christus Mozes en Elia, zowel om Hem getuigenis te geven als om te spreken over het heengaan dat Hij te Jeruzalem zou volbrengen. Want wie zou in Christus, wie in het Evangelie geloofd hebben, als het niet door zovele getuigenissen der Vaderen, zovele orakels, zovele voorafbeeldingen was bevestigd, voorspeld en voorafgeschaduwd? Hoe zult gij de Joden overtuigen, hoe hen tot Christus brengen, tenzij uit de profetieën van Mozes en de Profeten? Bij staatslieden, heidenen, Saracenen en alle mensen is, zegt Eusebius, een groot bewijs van de waarheid van het Evangelie dat het door het gehele Oude Testament, gedurende zoveel eeuwen, beloofd en voorafgebeeld is geweest.

Daarom beroept Christus zich zo dikwijls op Mozes, Johannes 1:17: „De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.” Johannes 5:46: „Er is iemand die u aanklaagt, Mozes: want als gij Mozes geloofdet, zoudt gij wellicht ook Mij geloven: want over Mij heeft hij geschreven; maar als gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?” Lucas 24:27: „Beginnend van Mozes en alle profeten, legde Hij hun in al de Schriften uit wat Hemzelf betrof.” Vandaar ook Filippus tot Natanaël, Johannes 1:45: „Hem over wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, hebben wij gevonden — Jezus.” Want de overeenstemming van beide Testamenten — dat wil zeggen, de overeenstemming van Mozes en Christus, van de Profeten en de Apostelen, van de Synagoge en de Kerk — legt een groot getuigenis af voor Christus en voor de waarheid, zoals Tertullianus overal tegen Marcion leert. En om af te sluiten, leer van Mozes zelf hoe groot en hoe veelvuldig de wijsheid is die hier gevonden wordt.


Derde afdeling: Wie was Mozes, en hoe groot was hij?

De drie perioden van veertig jaar van Mozes

71. Waarlijk zeg ik, gedurende vele duizenden jaren heeft de zon geen groter man aanschouwd; hij werd van jongs af aan het koninklijk hof, als koningszoon en beoogd erfgenaam, onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, gedurende volle veertig jaar: vervolgens ontkennend dat hij de zoon was van de dochter van Farao, en verkiezend liever beproefd te worden met het volk Gods dan het genot van een tijdelijk koninkrijk en van de zonde te hebben, vluchtte hij naar Midjan; hier, schapen hoedend, na met God gesproken te hebben in het brandende braambos, putte hij alle goddelijke wijsheid door beschouwing gedurende volle veertig jaar; ten slotte, uitverkoren als leider van het volk, ging hij hun voor gedurende een derde periode van veertig jaar als hogepriester, opperbevelhebber, wetgever, leraar, profeet, het meest gelijkend op Christus en Zijn voorafbeelding. „Een profeet,” zegt de Heer, Deuteronomium 18:15, „zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broeders, een gelijk aan u;” en „Een profeet uit uw volk en uit uw broeders, zoals ik, zal de Heer uw God voor u verwekken: naar Hem zult gij luisteren,” namelijk Christus.

Hier toonde het ambt de man, toen hij drie miljoen mensen — dat wil zeggen dertigmaal honderdduizend — van zo'n hardnekkig karakter, door dorre woestijnen gedurende veertig jaar leidde, hen voedde met hemels voedsel, hen onderwees in de vreze en de eredienst van God, hen in vrede en gerechtigheid handhaafde, als scheidsrechter en bemiddelaar optrad bij alle geschillen, en hen beschermde tegen alle vijanden.


De deugden van Mozes

72. Gij zoudt de ontelbare deugden van Mozes bewonderen; hij was musicus en psalmist: H. Hiëronymus getuigt, deel III, brief aan Cyprianus, dat Mozes elf psalmen heeft gecomponeerd, namelijk van Psalm 89, waarvan het opschrift luidt „Gebed van Mozes, dienaar Gods,” tot Psalm 100, dat het voorschrift draagt „Bij de lofprijzing.”

Mozes werd waardig geacht van God de tafelen der wet te ontvangen. Mozes had als gids op de reis een wolkkolom, ja zelfs een aartsengel die over de kolom het bewind voerde. In het gebed scheen Mozes als een engel gevoed te worden en te leven. Op het punt staand de tafelen der wet op de Sinaï te ontvangen, stond hij tweemaal veertig dagen en nachten vastend en met God sprekend: waar hem ook hoorns van licht werden aangehecht; aan de deur van de tabernakel besprak hij dagelijks op vertrouwelijke wijze alle zaken van het volk met God. „Mijn dienaar Mozes,” zegt de Heer, Numeri 12:7, „is de meest getrouwe in heel Mijn huis: want Ik spreek tot hem van mond tot mond, en openlijk, en niet door raadselen en beelden ziet hij de Heer.” Want de Heer toonde hem al het goede, Exodus hoofdstuk 33, vers 17. Gij zoudt Mozes Gods geheimschrijver kunnen noemen, de secretaris, zeg ik, van de goddelijke wijsheid, en wat wonder als Amalek niet door de wapenen van Jozua maar door de gebeden van Mozes verslagen werd? En wat wonder „als er geen profeet meer in Israël is opgestaan gelijk Mozes, die de Heer van aangezicht tot aangezicht kende?” Deuteronomium 34:10. Wat wonder als hij, door Gods hulp en kracht, als wonderdoener, Egypte met plagen en tekenen bijna ten val bracht, en de Rode Zee, vlees en manna uit de hemel deed neerdalen, Korach, Datan en Abiram levend in de hel stortte, en met zijn machtige daden iedere afzonderlijke wonderdoener overtrof?

73. Wie ziet niet de uitstekende staatkundige en huishoudelijke voorzichtigheid van de beste vorst, in zo'n grote bekwaamheid in het besturen van zo groot een volk, van bronzen, ja diamanten voorhoofd? Zijn opmerkelijke naastenliefde en zorg voor het volk blonk uit, zowel in de ijver waarmee hij zichzelf als een banvloek, een zoenoffer en verzoening voor zijn Israël toewijdde; als in die vurige redevoering van het gehele Deuteronomium, waarmee hij, hemel en aarde, de machten boven en beneden tot getuige roepend, het volk aanspoorde tot het onderhouden van Gods wet; zodat hij terecht zei: „Waarom, Heer, hebt Gij de last van dit gehele volk op mij gelegd? Heb ik deze gehele menigte ontvangen of gebaard, dat Gij tot mij zegt: Draag hen in uw schoot, zoals een voedster een zuigeling pleegt te dragen, en breng hen naar het land dat Gij aan hun vaderen hebt gezworen?” Numeri hoofdstuk 11, vers 11. Waarlijk zei H. Johannes Chrysostomus, preek 40 over de Eerste Brief aan Timoteüs: „Een bisschop moet een engel zijn, aan geen menselijke verstoring of ondeugd onderworpen;” en elders: „Het betaamt hem die het bestuur over anderen op zich neemt, in zulk een glorie van deugd uit te blinken dat hij, als de zon, alle anderen, als de vonken der sterren, in zijn eigen glans verduistert.” Indien derhalve een bisschop, een prelaat, een vorst onder het volk moet zijn als een mens onder redeloze dieren, als een engel onder mensen, als de zon onder de sterren: bedenk dan wat voor man en hoe groot Mozes was, die onder zovele mensen meer dan overvloedig deze taak vervulde — die door Gods oordeel waardig werd bevonden, of liever door Gods roeping en genade waardig werd gemaakt, die niet over christenen, maar over hardnekkige en stijfnakkige Joden werd gesteld, niet slechts als bisschop, maar als hogepriester en vorst tegelijk.


De nederigheid en zachtmoedigheid van Mozes

En om het overige te verzwijgen, op zulk een groot en goddelijk hoogtepunt van gezag, bewonder ik bovenal zijn diepe nederigheid en zachtmoedigheid: dikwijls bestookt door het gemor van het volk, door lasteringen, beledigingen, afvalligheid en stenen, bleef hij staan met een onbewogen en zacht gelaat, zichzelf niet wrekend met bedreigingen maar met gebeden tot God uitgestort voor het volk. Terecht verheerlijkt God hem daarom met deze lofprijzing, Numeri 12:3: „Want Mozes was de zachtmoedigste mens op het aangezicht der aarde.” Vanwaar zo zachtmoedig? Omdat hij, grootmoedig in de hemel verblijvend, alle smaad en onrecht der mensen als aardse en nietige zaken verachtte. „De wijze,” zegt Seneca in zijn werk Over de wijze, „is door een grotere afstand verwijderd van contact met lageren dan dat enige schadelijke kracht haar macht tot hem zou doen reiken: evenals een wapen dat door een dwaas naar de hemel en de zon geworpen wordt, terugvalt voordat het de zon bereikt. Denkt gij dat Neptunus geraakt zou kunnen worden door ketenen die in de diepte worden neergelaten? Evenals de hemelse dingen aan mensenhanden ontkomen, en door hen die tempels of beelden omsmelten geen schade aan de godheid wordt toegebracht: zo wordt al wat tegen de wijze brutaal, onbeschaamd of hoogmoedig ondernomen wordt, tevergeefs beproefd.”


Mozes en de gelukzalige aanschouwing

74. Vanwege deze zachtmoedigheid zijn velen van mening dat aan Mozes in dit leven de aanschouwing van het goddelijk wezen werd geschonken; over welke zaak en andere dingen die op Mozes betrekking hebben, zal meer gezegd worden bij Exodus hoofdstukken 2, 32 en volgende.

Het is zeker dat Mozes, na zijn dood, door engelen begraven werd op de berg Abarim; vandaar dat „geen mens zijn graf kende,” Deuteronomium 34:6. En dit was de reden waarom de aartsengel Michaël met de duivel twistte over het lichaam van Mozes, zoals de heilige Judas zegt in zijn brief.


Lofprijzingen van Mozes uit de Schrift en de Kerkvaders

Ten slotte, wilt gij Mozes kennen? Hoor Sirach, Ecclesiasticus hoofdstuk 45: „Geliefd bij God en de mensen was Mozes, wiens gedachtenis in zegening is. Hij maakte hem gelijk aan de heerlijkheid der heiligen; Hij maakte hem groot in de vrees zijner vijanden, en door zijn woorden bracht hij wonderen tot bedaren; Hij verheerlijkte hem voor het aangezicht der koningen,” namelijk van koning Farao (van wie de Heer tot hem zei, Exodus hoofdstuk 7, vers 1: „Zie, Ik heb u tot een God voor Farao gesteld”), „en gaf hem geboden ten overstaan van zijn volk, en toonde hem zijn heerlijkheid; in zijn trouw en zachtmoedigheid heiligde Hij hem, en verkoos hem uit alle vlees. Want Hij hoorde zijn stem, en bracht hem in de wolk, en gaf hem van aangezicht tot aangezicht geboden, en de wet des levens en der kennis, om Jakob Zijn verbond te leren en Israël Zijn verordeningen.”

75. Hoor de heilige Stefanus, Handelingen hoofdstuk 7, verzen 22 en 30: „Mozes was machtig in zijn woorden en in zijn daden; hem verscheen in de woestijn van de berg Sinaï een engel, in een vlam van vuur in een doornstruik; deze man heeft God gezonden als heerser en verlosser, door de hand van de engel die hem verscheen; deze man leidde hen uit, terwijl hij wonderen en tekenen verrichtte in het land Egypte; dit is hij die in de vergadering in de woestijn was met de engel die tot hem sprak op de berg Sinaï, die de woorden des levens ontving om ze ons te geven.”

Hoor H. Ambrosius, boek 1 van Over Kaïn en Abel, hoofdstuk 11: „In Mozes,” zegt hij, „was de voorafbeelding van de toekomstige leraar, die het Evangelie zou prediken, het Oude Testament zou vervullen, het Nieuwe zou vestigen, en hemels voedsel aan de volkeren zou geven: vandaar oversteeg Mozes de waardigheid van de menselijke conditie in die mate, dat hij met de naam van God werd aangeduid: ‚Ik heb u,' zegt Hij, ‚tot een God voor Farao gesteld.' Want hij was de overwinnaar van alle hartstochten, noch werd hij gevangen door enige verlokkingen der wereld, hij die heel deze woning naar het vlees had bedekt met de zuiverheid van een hemelse levenswandel, zijn geest besturend, zijn vlees onderwerpend, en het met een soort koninklijk gezag tuchtend; hij werd met de naam van God aangeduid, naar wiens gelijkenis hij zichzelf had gevormd door de overvloed van volmaakte deugd; en daarom lezen wij niet van hem, zoals van anderen, dat hij stervend bezweek, maar hij stierf door het woord Gods: want God lijdt noch bezwijking noch vermindering; vandaar wordt er ook toegevoegd: ‚Omdat niemand zijn begrafenis kent,' die eerder werd weggenomen dan verlaten, zodat zijn vlees rust ontving in plaats van een brandstapel.” Ambrosius lijkt hier te suggereren dat Mozes niet stierf, maar werd weggenomen zoals Elia en Henoch; over welke zaak ik zal spreken bij het laatste hoofdstuk van Deuteronomium.

Hoor de Apostel, Hebreeën 11:24: „Door het geloof heeft Mozes, toen hij volwassen was geworden, geweigerd de zoon van Farao's dochter te worden genoemd, en verkoos liever met het volk Gods beproefd te worden dan tijdelijk genot van de zonde te hebben; de smaad van Christus groter rijkdom achtend dan de schatten der Egyptenaren: want hij zag uit naar de beloning. Door het geloof verliet hij Egypte, niet vrezend de woede van de koning: want hij hield stand alsof hij de Onzichtbare zag; door het geloof vierde hij het Pascha en de besprenkeling met bloed, opdat hij die de eerstgeborenen verdelgde hen niet zou aanraken; door het geloof trokken zij door de Rode Zee als over droog land, hetgeen de Egyptenaren beproevend werden verzwolgen.”

Hoor H. Justinus in zijn Aansporing, of Parainesis aan de Grieken, waarin hij overal leert dat de Grieken hun wijsheid en kennis van God ontleenden aan de Egyptenaren, en dezen aan Mozes. In het bijzonder: „Toen een zeker man,” zegt hij, „zoals gij zelf bekent, het orakel der goden raadpleegde, welke aan de godsdienst gewijde mannen er ooit geweest waren, zegt gij dat dit antwoord werd gegeven: ‚De wijsheid heeft slechts voor de Chaldeeën geweken: de Hebreeën vereren met hun geest de Ongeboren Koning en God.'”

Hij voegt eraan toe: „Mozes schreef zijn geschiedenis in het Hebreeuws, toen de letters der Grieken nog niet waren uitgevonden. Want Cadmus was de eerste die deze later uit Fenicië meebracht en aan de Grieken overdroeg. Vandaar schreef ook Plato in de Timaeus dat Solon, de wijste der wijzen, toen hij uit Egypte was teruggekeerd, tot Critias zei dat hij een Egyptische priester had gehoord die tot hem sprak: ‚O Solon, gij Grieken zijt altijd kinderen; er is geen oude man onder de Grieken.' En wederom: ‚Gij zijt allen jong van geest; want gij hebt daarin geen oud oordeel door oude overlevering overgeleverd, noch enige discipline grijs van ouderdom.'” En iets verderop leert hij uit Diodorus dat Orpheus, Homerus, Solon, Pythagoras, Plato, de Sibylle en anderen, toen zij in Egypte waren geweest, hun mening over vele goden wijzigden, omdat zij immers door Mozes via de Egyptenaren hadden vernomen dat er één God is, die in het begin hemel en aarde schiep. Vandaar zong Orpheus:

Jupiter is één, Pluto, Zon, Bacchus zijn één,
Er is één God in alle dingen: waarom zeg ik u dit tweemaal?

Dezelfde wederom: Ik roep u tot getuige, o hemel, oorsprong van de grote Wijze,
En u, het Woord des Vaders, het eerste dat Hij uitsprak uit Zijn mond,
Toen Hij het bouwwerk der wereld schiep naar Zijn eigen raadsbesluit.

Ten slotte voegt hij eraan toe dat Plato over God leerde van Mozes, vandaar dat hij Hem eveneens „to on” noemde, dat wil zeggen „datgene wat is,” zoals Mozes Hem „ehyeh” noemt, dat wil zeggen „die is,” of „Ik ben die Ik ben.” Wederom leerde hij uit dezelfde bron over de schepping der dingen, het goddelijk Woord, de verrijzenis der lichamen, het oordeel, de straffen der goddelozen en de beloningen der rechtvaardigen, en de Heilige Geest, die Plato meende de ziel der wereld te zijn; want hij begreep Mozes niet voldoende, maar verdraaide hem naar zijn eigen verzinsels; vandaar dat hij in dwalingen verviel.

En op gelijke wijze toont H. Cyrillus, in boek 1 Tegen Julianus, dat Mozes ouder was dan de vroegste helden der heidenen, die zij zelf als de alleroudsten beschouwden.

Hoor zijn geleerde chronologie van Mozes en de heidenen: „Derhalve afdalend van de tijden van Abraham tot Mozes, laten wij opnieuw beginnen met nieuwe aanvangspunten van jaren, de geboorte van Mozes als eerste in de telling plaatsend. In het zevende jaar van Mozes zeggen zij dat Prometheus en Epimetheus werden geboren, en Atlas, de broeder van Prometheus, en bovendien Argus die alles zag. In het vijfendertigste jaar van Mozes regeerde Cecrops het eerst te Athene, die de bijnaam Diphyes droeg: men zegt dat hij de eerste onder de mensen was die een os offerde, en Jupiter tot de hoogste der goden bij de Grieken benoemde. In het zevenenzestigste jaar van Mozes zeggen zij dat de vloed van Deucalion in Thessalië plaatsvond; en bovendien dat in Ethiopië de zoon van de Zon, zoals zij zeggen, Phaëton, door vuur werd verteerd. In het vierenzeventigste jaar van Mozes gaf een zekere man genaamd Hellen, de zoon van Deucalion en Pyrrha, aan de Grieken de benaming van zijn eigen naam, terwijl zij voorheen Grieken werden genoemd. In het honderdtwintigste jaar van Mozes stichtte Dardanus de stad Dardania, toen Amyntas heerste over de Assyriërs, Sthenelus over de Argivers, en Ramses over de Egyptenaren; hij zelf werd ook Egyptus genoemd, de broeder van Danaüs. In het honderdzestigste jaar na Mozes regeerde Cadmus te Thebe, wiens dochter Semele was, uit wie Bacchus geboren werd, naar men zegt, uit Jupiter. Er waren in die tijd ook Linus van Thebe en Amphion, musici. In die tijd ook nam Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, het priesterschap op zich onder de Hebreeën, nadat Aäron was gestorven. In het 195ste jaar na Mozes zeggen zij dat de maagd Proserpina werd geschaakt door Aïdoneus, dat wil zeggen Orcus, koning der Molossiërs; men zegt dat hij een zeer grote hond genaamd Cerberus had opgekweekt, die Pirithoüs en Theseus greep toen zij kwamen om zijn vrouw te schaken: maar toen Pirithoüs was omgekomen, kwam Hercules en bevrijdde Theseus uit het doodsgevaar in de onderwereld, zoals zij fabelen. In het 290ste jaar doodde Perseus Dionysius, dat wil zeggen Liber, wiens graf men zegt te Delphi te zijn bij de gouden Apollo. In het 410de jaar na Mozes werd Ilium veroverd, toen Esebon rechter was onder de Hebreeën, Agamemnon onder de Argivers, Vaphres onder de Egyptenaren, en Teutamus onder de Assyriërs.”

„Derhalve worden er van de geboorte van Mozes tot de verwoesting van Troje 410 jaren geteld.”

76. Hoor H. Augustinus, boek 22 Tegen Faustus, hoofdstuk 69: „Mozes,” zegt hij, „de meest getrouwe dienaar Gods, nederig in het afwijzen van zo'n groot ambt, gehoorzaam in het aanvaarden ervan, trouw in het bewaren ervan, krachtig in het uitvoeren ervan, waakzaam in het besturen van het volk, streng in het bestraffen, vurig in het liefhebben, geduldig in het verdragen; die voor hen over wie hij was gesteld, zich voor God plaatste wanneer Hij raadpleegde, en zich tegen Hem stelde wanneer Hij toornde: verre zij het van ons zulk een groot man te beoordelen naar de lasterlijke mond van Faustus, maar veeleer naar de waarlijk waarachtige mond van God.”

Hoor H. Gregorius, Deel 2 van de Pastorale Regel, hoofdstuk 5: „Vandaar gaat Mozes veelvuldig de tabernakel in en uit, en hij die van binnen wordt meegevoerd in beschouwing, wordt van buiten gedrongen door de zaken der zwakken; van binnen overweegt hij de geheimen Gods, van buiten draagt hij de lasten der vleselijke mensen, en geeft hiermee een voorbeeld aan bestuurders, dat zij wanneer zij buiten onzeker zijn over wat zij moeten regelen, de Heer door gebed moeten raadplegen.”

Dezelfde auteur, in boek 6 over 1 Koningen hoofdstuk 3, zegt dat Mozes zo vol van de geest was, dat de Heer van zijn geest nam en deze deelde met de zeventig oudsten van het volk. Dezelfde, in preek 16 over Ezechiël, stelt Mozes in de kennis van God boven Abraham. En dit is niet verwonderlijk. Want tot Mozes zegt God: „Ik ben verschenen aan Abraham, Isaak en Jakob, en Mijn naam Adonai (Jehova) heb Ik hun niet bekendgemaakt,” welke Ik aan u, o Mozes, bekendmaak en openbaar.


Mozes en Christus: negentien parallellen

Bovendien was Mozes een uitdrukkelijk teken en voorafbeelding van Christus; en daarom, zoals de zon de dag verlicht en de maan de nacht, zo verlichtte Christus de christenen in de nieuwe wet, en Mozes de Joden in de oude. Daarom vergelijkt Ascanius treffend Christus met de zon en Mozes met de maan (Martinengus over Genesis, deel 1, bladzijde 5). Want ten eerste was Mozes de wetgever van de Pentateuch, Christus van het Evangelie; ten tweede had Mozes twee bijzondere ontmoetingen met God: de eerste toen hij de eerste tafelen der wet van God op de Sinaï ontving, de tweede toen hij de tweede tafelen ontving, en toen keerde hij terug met een stralend en als het ware gehoord gelaat. Deze getuigenissen gaf God aan hem. Twee gelijksoortige gaf Hij aan Christus: de eerste bij Zijn doop, toen de Heilige Geest op Hem neerdaalde in de gedaante van een duif, en een stem uit de hemel werd gehoord; de tweede, toen Hij werd gedaanteveranderd op de Tabor, en Mozes en Elia getuigenis van Hem aflegden, dat wil zeggen de wet en de profeten. Ten derde verrichtte Mozes verbazingwekkende plagen en wonderen in Egypte: Christus verrichtte grotere. Ten vierde sprak Mozes met God, maar in duisternis, en zag Hem van achteren; maar Christus van aangezicht tot aangezicht. Ten vijfde hoorde Mozes van God: „Gij hebt genade gevonden bij Mij, en Ik heb u bij name gekend;” Christus hoorde van de Vader: „Dit is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luistert naar Hem.”

78. Hoor Eusebius, boek 3 van de Demonstratio Evangelica, die uit de daden van Mozes en Christus een wonderbare antithese opbouwt, wiens uitvoerige woorden ik in weinige zal samenvatten:

1. Mozes was de wetgever van het Joodse volk, Christus van het gehele heelal. 2. Mozes nam de afgoden weg bij de Hebreeën, Christus verdreef ze uit bijna iedere streek der wereld. 3. Mozes vestigde de wet met wonderbare tekenen, Christus stichtte het Evangelie met nog grotere. 4. Mozes bevrijdde zijn volk tot vrijheid, Christus wierp het juk van het menselijk geslacht af. 5. Mozes opende een land vloeiend van melk en honing, Christus ontsloot het meest voortreffelijke land der levenden. 6. Als klein kind onderging Mozes, nauwelijks geboren, levensgevaar door de wreedheid van Farao, die de mannelijke kinderen van het Joodse volk ter dood had veroordeeld; Christus werd als kind, door de Wijzen aanbeden, gedwongen naar Egypte uit te wijken vanwege de wreedheid van Herodes die kinderen afslachtte. 7. Mozes was als jongeling vermaard om zijn geleerdheid in alle wetenschappen; Christus sloeg op twaalfjarige leeftijd de meest geleerde wetgeleerden met verbazing. 8. Mozes, veertig dagen vastend, werd door het goddelijk woord gevoed; eveneens veertig dagen wijdde Christus zich, zonder te eten of te drinken, aan goddelijke beschouwing. 9. Mozes verschafte manna en kwartels aan de hongerigen in de woestijn; Christus verzadigde in de woestijn vijfduizend man met vijf broden. 10. Mozes trok ongedeerd door de wateren van de Arabische golf; Christus wandelde over de golven der zee. 11. Mozes scheidde met uitgestrekte staf de zee; Christus bestrafte de wind en de zee, en er ontstond een grote stilte. 12. Mozes verscheen stralend op de berg met een gloeiend gelaat; Christus werd op de berg gedaanteveranderd met een allerschitterendst voorkomen, en Zijn gelaat straalde als de zon.

13. De kinderen van Israël konden hun blik niet vestigen op Mozes; voor Christus vielen de leerlingen verschrikt op hun aangezicht. 14. Mozes herstelde de melaatse Mirjam in haar vroegere gezondheid; Christus waste Maria Magdalena, overstelpt door de vlekken der zonden, met hemelse genade. 15. De Egyptenaren noemden Mozes de vinger Gods; Christus zei van Zichzelf: „Maar indien Ik door de vinger Gods de demonen uitdrijf,” enz.

16. Mozes koos twaalf verspieders; Christus verkoos eveneens twaalf Apostelen. 17. Mozes stelde zeventig Oudsten aan; Christus zeventig Leerlingen. 18. Mozes bestemde Jozua, zoon van Nun, als zijn opvolger; Christus verhief Petrus na Zichzelf tot het opperste priesterschap. 19. Van Mozes staat geschreven: „Geen mens kende zijn graf tot op de huidige dag;” van Christus getuigden de engelen: „Gij zoekt Jezus de Gekruisigde? Hij is verrezen, Hij is niet hier.”

Hoor H. Basilius, preek 1 over het Hexaëmeron: „Mozes was reeds terwijl hij aan de borst zijner moeder hing, geliefd en welgevallig aan God; hij zelf verkoos liever rampen en ontberingen met het volk Gods te ondergaan, dan tijdelijk genot met de zonde te genieten. Hij was de vurigste minnaar en onderhouder van recht en billijkheid, de felste vijand van goddeloosheid en onrecht; in Ethiopië (in Midjan) wijdde hij veertig jaren aan beschouwing; op tachtigjarige leeftijd aanschouwde hij God, voor zover een mens Hem kan aanschouwen; vandaar zegt God over hem: ‚Van mond tot mond zal Ik tot hem spreken in een visioen, en niet door raadselen.'”

Hoor H. Gregorius van Nazianze, redevoering 22, waarin hij H. Basilius en diens broeder Gregorius van Nyssa vergelijkt met Mozes en Aäron: „Wie was de doorluchtigste der wetgevers? Mozes. Wie de heiligste der priesters? Aäron. Broeders niet minder in vroomheid dan naar het lichaam: of liever, de een was de God van Farao, en de bestuurder en wetgever der Israëlieten, en degene die de wolk binnentrad, en de beschouwer en rechter der goddelijke geheimen, en de bouwer van die ware tabernakel die door God, niet door een mens, was opgericht; hij was de vorst der vorsten en de priester der priesters, Aäron als zijn tong gebruikend, enz. Beiden Egypte kwellend, de zee splijtend, Israël besturend, vijanden verdronkend, brood van boven trekkend, over de wateren tredend, de weg naar het beloofde land wijzend. Mozes was derhalve de vorst der vorsten en de priester der priesters,” enz.

Hoor H. Hiëronymus, die aan het begin van zijn Commentaar op de Brief aan de Galaten leert dat Mozes niet alleen een Profeet was maar ook een Apostel, en dit naar de gangbare mening der Hebreeën.

Hoor Philo, de meest geleerde der Hebreeën: „Dit is het leven, dit is de dood van Mozes, koning, wetgever, hogepriester, profeet,” boek 3 van Het leven van Mozes, aan het einde.

Hoor de heidenen. Numenius, zoals aangehaald door Eusebius in boek 9 van de Voorbereiding op het Evangelie, hoofdstuk 3, beweert dat Plato en Pythagoras de leerstellingen van Mozes hebben gevolgd, en wat is Plato dus, zegt hij, anders dan een Attisch sprekende Mozes?


Mozes als de oudste theoloog, filosoof, dichter en geschiedschrijver

Voeg hierbij Eupolemus en Artapanus, die (zoals aangehaald door Eusebius op dezelfde plaats, hoofdstuk 4) zeggen dat Mozes de letters aan de Egyptenaren heeft overgedragen, en vele andere zaken voor het algemeen welzijn heeft ingesteld, en vanwege zijn uitleg van de Heilige Schriften Mercurius werd genoemd, en dat het daardoor kwam dat hij door hen als een god werd vereerd.

Ptolemaeus Philadelphus (zoals Aristeas getuigt in zijn werk over de 72 Vertalers), na de wet van Mozes gehoord te hebben, zei tot Demetrius: „Waarom heeft geen geschiedschrijver of dichter melding gemaakt van zo'n groot werk?” Waarop Demetrius antwoordde: „Omdat die wet over heilige zaken gaat, door God gegeven; en omdat sommigen die het beproefden, door een goddelijke plaag verschrikt, van hun voornemen afzagen.” En hij voegt onmiddellijk de voorbeelden toe van de geschiedschrijver Theopompus en de tragische dichter Theodectes, die ik hierboven heb vermeld.

Diodorus, de meest gewaardeerde van alle geschiedschrijvers, zegt H. Justinus in zijn Aansporing aan de Grieken, noemt zes oude wetgevers, en als eerste van allen Mozes, van wie hij zegt dat hij een man van grote geest was, en gevierd om zijn meest rechtschapen leven, over wie hij verder verklaart: „Bij de Joden inderdaad Mozes, die zij God noemen, hetzij vanwege de wonderbare en goddelijke kennis die hij oordeelt de menigte der mensen ten goede te komen, hetzij vanwege de voortreffelijkheid en de macht waardoor het gewone volk gewilliger de ontvangen wet gehoorzaamt. Als tweede onder de wetgevers vermelden zij een Egyptenaar genaamd Sauchnis, een man van opmerkelijke voorzichtigheid. De derde, zeggen zij, was koning Sesonchusis, die niet alleen onder de Egyptenaren in krijgszaken uitblonk, maar ook een strijdlustig volk beteugelde door wetten vast te stellen. De vierde wijzen zij aan als Bachoris, eveneens een koning, van wie zij vermelden dat hij aan de Egyptenaren voorschriften gaf over de wijze van regeren en huishoudelijk bestuur. De vijfde was koning Amasis. Van de zesde wordt gezegd dat het Darius was, de vader van Xerxes, die aan de Egyptische wetten heeft toegevoegd.”

Ten slotte vermelden Josephus, Eusebius en anderen dat Mozes de eerste was van allen wier geschriften nu bewaard zijn gebleven, of wier naam in de geschriften der heidenen is opgetekend, om theoloog, filosoof, dichter en geschiedschrijver te zijn. Derhalve was de verering van Mozes opmerkelijk niet alleen onder de Joden maar ook onder de heidenen. Josephus verhaalt, in boek 12, hoofdstuk 4, dat een zeker Romeins soldaat de boeken van Mozes verscheurde, en onmiddellijk liepen de Joden naar de Romeinse landvoogd Cumanus, eisend dat hij niet hun eigen onrecht, maar het onrecht aangedaan aan de beledigde Godheid zou wreken. Daarom sloeg Cumanus de soldaat die de wet had geschonden met de bijl.

Bovendien was Mozes ouder, en ging in tijd verre vooraf aan alle wijzen van Griekenland en van de heidenen, namelijk Homerus, Hesiodus, Thales, Pythagoras, Socrates, en degenen die ouder waren dan zij — Orpheus, Linus, Musaeus, Hercules, Aesculapius, Apollo, en zelfs Mercurius Trismegistus zelf, die de alleroudste van allen was. Want deze Mercurius Trismegistus, zegt H. Augustinus, in boek 18 van De stad Gods, hoofdstuk 39, was de kleinzoon van de oudere Mercurius, wiens grootvader van moederskant Atlas de sterrenkundige was, en een tijdgenoot van Prometheus, en hij bloeide in de tijd dat Mozes leefde. Merk hier op dat Mozes de Pentateuch eenvoudig schreef, op de wijze van een dagboek of jaarboeken; Jozua echter, of iemand als hij, bracht dezelfde jaarboeken van Mozes in orde, ordende ze, en voegde bepaalde uitspraken toe en weefde ze erin. Want zo werd aan het einde van Deuteronomium de dood van Mozes, aangezien hij stellig dood was, door Jozua of een ander persoon toegevoegd en beschreven. Evenzo werd niet door Mozes maar door een ander persoon, naar het schijnt, de lofprijzing van Mozes' zachtmoedigheid ingeweven bij Numeri 12:3. Evenzo wordt bij Genesis 14:15 de stad Laïs Dan genoemd, hoewel zij pas lang na de tijden van Mozes Dan werd genoemd, en daarom werd de naam Dan daar voor Laïs in de plaats gesteld, niet door Jozua, maar door een ander die later leefde. Evenzo werden bij Numeri 21, de verzen 14, 15 en 27 op gelijke wijze door een ander toegevoegd. Op dezelfde wijze werd de dood van Jozua door een ander toegevoegd, in het laatste hoofdstuk van Jozua, vers 29. Op dezelfde wijze werd de profetie van Jeremia geordend en op orde gebracht door Baruch, zoals ik zal aantonen in het voorwoord bij Jeremia. Evenzo werden de spreuken van Salomo niet door hemzelf verzameld en geordend, maar door anderen uit zijn geschriften, zoals blijkt uit Spreuken 25:1.

Bovendien leerde en ontving Mozes deze dingen deels door overlevering, deels door goddelijke openbaring, deels door eigen waarneming: want de dingen die hij verhaalt in Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, was hij zelf bij aanwezig en zag hij en voerde hij uit.

Bovendien werd deze verering zowel door martelaarschappen als door wonderen geïllustreerd. Toen Maximianus en Diocletianus bij edict bevalen dat de boeken van Mozes en de overige boeken der Heilige Schrift aan hen overgedragen zouden worden om verbrand te worden, verzetten de gelovigen zich, liever stervend dan ze over te geven. Daarom ondergingen velen een roemrijke strijd voor de heilige boeken, en verwierven de triomferende lauwerkrans van het martelaarschap.

Maar toen Fundanus, voorheen bisschop van Alutina, uit doodsvrees de heilige boeken had overgeleverd, en de goddeloos magistraat ze aan het vuur toevertrouwde, stortte plotseling een regenbui uit heldere hemel neer, het vuur dat bij de heilige boeken was gebracht werd gedoofd, hagel volgde, en het gehele gebied zelf werd door woedende elementen verwoest ten behoeve van de heilige boeken, zoals de akten van de heilige Saturninus vermelden, die te vinden zijn bij Surius onder 11 februari.


Gebed tot Mozes

Zie op ons neer, wij smeken u, heilige Mozes, gij die eens van verre op de Sinaï een aanschouwer waart van de heerlijkheid Gods, en van nabij op de Tabor van de heerlijkheid van Christus, maar nu beide van aangezicht tot aangezicht geniet. Reik uw hand uit de hoogte, leid de stromen van uw wijsheid naar ons toe, en schenk ons door uw hulp, gebeden en verdiensten ook maar een vonk van dat eeuwige licht. Verkrijg van de Vader der lichten dat Hij ons, Zijn kleine wormpjes, naar deze heilige voorhoven van de Pentateuch moge leiden; geef dat wij in Zijn Schriften Hem mogen erkennen; geef dat wij Hem zozeer beminnen als wij Hem kennen: want wij verlangen Hem niet te kennen dan om Hem te beminnen, en dat wij, ontvlamd door liefde tot Hem, als fakkels, zowel anderen als de gehele wereld in brand mogen steken. Want dit is de kennis der heiligen; want Hij Zelf is onze liefde en onze vreze, op Hem alleen zijn al onze zorgen gericht, aan Hem wijden wij ons en al het onze. Leid ons ten slotte tot Christus, die het doel is van uw wet; opdat Hij Zelf al onze studies en inspanningen moge richten, begunstigen en tot voltooiing brengen, tot de heerlijkheid van Hem aan wie ieder schepsel lof brengt — heerlijkheid die verkondigd moet worden in het rijk van Zijn nu strijdende Kerk, en eenmaal allerzoetest en allergelukkigst samen gezongen zal worden in het triomferende koor der gelukzaligen in de hemel, door ons allen die u zijn toegewijd, met u, voor alle eeuwigheid, zoals ik hoop. Daar zullen wij staan op de glazen zee, wij allen die het beest hebben overwonnen, „zingende het lied van Mozes en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heer, God almachtig; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning der eeuwen; wie zal U niet vrezen, Heer, en Uw naam grootmaken? Want Gij alleen zijt heilig,” Apocalyps 15:3; omdat Gij ons hebt uitverkoren, omdat Gij ons tot koningen en priesters hebt gemaakt, en wij zullen heersen in de eeuwen der eeuwen.

Amen.