Cornelius a Lapide, S.J.

Commentaria in Pentateuchum Mosis

(Commentaar op de Pentateuch van Mozes)


Argumentum

De Hebreeën tellen, naar het getuigenis van H. Hiëronymus in zijn Gehelmde Proloog, evenveel boeken van de Heilige Schrift — dat wil zeggen van het Oude Testament — als zij letters hebben, namelijk tweeëntwintig, en verdelen deze in drie klassen: namelijk Torah, dat is de Wet; Nebiim, dat is de Profeten; en Ketoebim, dat is de Hagiografen. De Torah of Wet omvat de Pentateuch, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, die aldus niet door Mozes, zoals Philo meent, maar door de Zeventig Vertalers werden verdeeld en benoemd, aangezien het voordien één enkel boek van de Wet was.

Zij tellen een dubbele reeks Profeten, de Vroegere en de Latere: de Vroegere Profeten noemen zij Jozua, Rechters, Ruth en de vier boeken der Koningen; de Latere Profeten rekenen zij als Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de twaalf kleine profeten.

De Hagiografen rekenen zij als Job, de Psalmen, Spreuken, Prediker, het Hooglied, Daniël, de boeken der Kronieken, Ezra en Ester.

De Pentateuch, dat wil zeggen dit vijfvoudige boekwerk van Mozes, is een kroniek van de wereld. Want het doel ervan is de geschiedenis en chronologie van de wereld samen te weven, alsook de daden van de aartsvaders vanaf de eerste schepping van de wereld tot aan de dood van Mozes. Want in Genesis traceert Mozes vanaf het begin de schepping van de wereld en de daden van Adam, Eva, Noach, Abraham, Isaak, Jakob en anderen tot aan de dood van Jozef. In Exodus de vervolging door Farao, en vandaar de tien plagen van Egypte, het vertrek der Hebreeën uit Egypte en hun omzwervingen door de woestijn, waar zij bij de Sinaï de Decaloog en de overige wetten van God ontvingen. In Leviticus worden de heilige riten en offers beschreven, verboden spijzen, feesten en andere rituelen, reinigingen en ceremoniën, zowel van het volk als van de priesters en Levieten. In Numeri worden het volk, de vorsten en de Levieten geteld, eveneens de tweeënveertig legerplaatsen der Hebreeën, en hun daden alsook Gods daden in de woestijn; bovendien wordt de profetie van Bileam verhaald, en de oorlog der Hebreeën met de Midjanieten. Deuteronomium, of de tweede wet, herhaalt en prent de Hebreeën de wetten in die God eerder door Mozes had gegeven in Exodus, Leviticus en Numeri.

Merk ten eerste op. De auteur van de Pentateuch is Mozes: zo leren alle Grieken en Latijnen, ja zelfs Christus zelf, zoals blijkt uit Johannes 1,17 en 45; Johannes 5,46, en elders.

Bovendien was Mozes ouder en ging hij in tijd verre vooraf aan alle wijzen van Griekenland en de heidenen, namelijk Homerus, Hesiodus, Thales, Pythagoras, Socrates, en hen die nog ouder waren dan dezen — Orpheus, Linus, Musaeus, Hercules, Aesculapius, Apollo — ja zelfs Mercurius Trismegistus zelf, die de oudste van allen was. Want deze Mercurius Trismegistus, zegt H. Augustinus in Boek XVIII van De Stad Gods, hoofdstuk 39, was de kleinzoon van de oudere Mercurius, wiens grootvader van moederszijde Atlas de sterrenkundige, een tijdgenoot van Prometheus, bloeide in de tijd dat Mozes leefde. Merk hier op dat Mozes de Pentateuch eenvoudigweg schreef op de wijze van een dagboek of annalen; toch heeft Jozua, of iemand als hij, dezelfde annalen van Mozes geordend, verdeeld, en bepaalde passages toegevoegd en ingevlochten. Want zo werd aan het einde van Deuteronomium de dood van Mozes — hij was uiteraard reeds gestorven — door Jozua of iemand anders toegevoegd en beschreven. Evenzo was het niet Mozes maar iemand anders, naar het schijnt, die de lofprijzing van Mozes' zachtmoedigheid invlocht in Numeri 12,3. Evenzo wordt in Genesis 14,15 de stad Laïs Dan genoemd, hoewel zij pas lang na Mozes' tijd Dan werd genoemd; daarom werd de naam Dan daar voor Laïs in de plaats gesteld, niet door Jozua, maar door een ander die later leefde. Evenzo werden in Numeri 21, de verzen 14, 15 en 27 op gelijke wijze door een ander toegevoegd. Op dezelfde wijze werd de dood van Jozua door een ander toegevoegd, in Jozua, het laatste hoofdstuk, vers 29. Op dezelfde wijze werd de profetie van Jeremia geordend en op orde gebracht door Baruch, zoals ik zal aantonen in het voorwoord bij Jeremia. Zo werden ook de spreuken van Salomo niet door hemzelf, maar door anderen uit zijn geschriften verzameld en geordend, zoals blijkt uit Spreuken 25,1.

Bovendien leerde en ontving Mozes deze dingen deels door overlevering, deels door goddelijke openbaring, en deels door persoonlijke waarneming: want bij de dingen die hij in Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium verhaalt, was hij zelf aanwezig om ze te zien en te doen.

Merk ten tweede op. Mozes schreef Genesis terwijl hij als balling in Midjan verbleef, Exodus 2,15, zegt Pererius, en dit ter vertroosting van de Hebreeën, die door Farao in Egypte werden onderdrukt. Maar Theodoretus, Beda en Tostatus huldigen een betere opvatting (van wie Eusebius niet afwijkt, in Boek VII van de Voorbereiding, hoofdstuk 11, als men zijn woorden nauwkeurig onderzoekt): dat zowel Genesis als de vier volgende boeken door Mozes werden geschreven na het vertrek der Hebreeën uit Egypte, toen hij zelf in de woestijn als leider, hogepriester, profeet, leraar en wetgever van het volk werkzaam was, en uit de vergadering en Synagoge der Joden een staat en Kerk van God vormde en onderrichtte, opdat zij uit de schepping en het bestuur der dingen God de Schepper zouden erkennen, liefhebben en aanbidden.


Canones die een fakkel dragen voor de Pentateuch

Canon 1. Aangezien Mozes hier een geschiedenis van de wereld schrijft, is het duidelijk dat zijn verhaal niet symbolisch, niet allegorisch, niet mystiek is, maar historisch, eenvoudig en helder; en daarom moeten de dingen die hij verhaalt over het paradijs, Adam, Eva, en de schepping van alle dingen die achtereenvolgens in de tijdspanne van zes dagen werd voltooid, enz., historisch en letterlijk worden genomen, zoals zij klinken. Dit is tegen Origenes, die meende dat al deze dingen allegorisch en symbolisch moesten worden uitgelegd, en aldus de letter en de letterlijke zin ondermijnde. Maar alle andere Kerkvaders leveren onze canon over, en de Kerk, die hier de allegorieën van Origenes veroordeelt. Zie H. Basilius die hier tegen Origenes argumenteert, Homilieën 3 en 9 over het Hexaëmeron. H. Hiëronymus zegt naar waarheid: „Origenes maakte zijn eigen verstand tot de mysteriën van de Kerk.”

Canon 2. De filosofie en de natuurwetenschap moeten worden aangepast aan de Heilige Schrift en aan het woord van God, van wie alle getal, orde en maat van de natuur afstamt, zegt H. Augustinus. Daarom moet omgekeerd de Heilige Schrift niet worden verdraaid naar de opvattingen van filosofen, of naar het licht en voorschrift van de natuur.

Canon 3. Mozes maakt vaak gebruik van prolepsis of anticipatie: want hij noemt steden en plaatsen bij de naam die hun veel later werd gegeven. Zo noemt hij in Genesis 14,2 de stad Bala bij de naam Segor, die echter niet toen maar pas later Segor werd genoemd, toen Lot daarheen uit Sodom was ontkomen. Evenzo noemt hij in vers 6 van hetzelfde hoofdstuk de bergen Seïr, die pas lang daarna door Esau Seïr werden genoemd. Evenzo noemt hij in vers 14 van hetzelfde hoofdstuk Dan wat toen Laïs heette.

Canon 4. „Eeuwig” betekent vaak niet de eigenlijk zo genoemde eeuwigheid, maar een lange tijdperiode waarvan het einde niet wordt voorzien: want het Hebreeuwse olam, dat is „eeuwig”, betekent een tijdperk, voor zover het verborgen is, of waarvan de grens en het einde niet worden waargenomen. Want de wortel alam betekent verbergen of verhullen. Voorts wordt „eeuwig” vaak niet absoluut maar betrekkelijk gezegd, en betekent het de volledige duur van een zaak, die eeuwig is niet absoluut maar met betrekking tot een bepaalde staat, gemeenschap of natie. Zo wordt gezegd dat de oude wet eeuwig zal duren, dat wil zeggen altijd — niet absoluut, maar met betrekking tot de Joden: omdat die wet namelijk zo lang duurde als de Joodse gemeenschap en Synagoge duurde, namelijk gedurende de gehele tijd van het jodendom, totdat de nieuwe wet haar zou opvolgen; want zij moest duren totdat de waarheid door Christus zou aanbreken. Dat dit zo is, blijkt duidelijk: want elders zegt dezelfde Schrift dat de oude wet moet worden afgeschaft en een nieuwe Evangelische wet in haar plaats moet worden gesteld, zoals blijkt uit Jeremia 31,32 en volgende. Zo neemt Horatius „eeuwig” wanneer hij zegt: „Wie niet met weinig weet om te gaan, zal eeuwig dienen.” Want hij kan niet eeuwig in absolute zin dienen, wiens leven zelf, waarin hij dient, niet eeuwig kan zijn. H. Augustinus levert deze canon over in Quaestio 31 over Genesis, waarover men meer kan zien bij Pererius, deel III over Genesis, p. 430 en volgende.

Canon 5. De Hebreeën verwisselen door enallage vaak de ene zintuiglijke waarneming met de andere, en nemen vooral het gezicht voor elk willekeurig zintuig, zowel omdat het gezicht het voortreffelijkste en zekerste van alle zintuigen is, als omdat in de gemeenschappelijke zin, die boven het gezicht en de ogen staat, de gewaarwordingen van alle zintuigen samenkomen. Zo wordt het gezicht genomen voor de tastzin in Johannes 20,29: „Omdat gij gezien hebt, dat is aangeraakt, Thomas, hebt gij geloofd.” Voor de reuk wordt het genomen in Exodus 5,21, in het Hebreeuws: „Gij hebt onze geur (naam en faam) doen stinken in de ogen,” dat is, in de neusgaten van Farao. Voor de smaak wordt het genomen in Psalm 34,9: „Proeft en ziet (dat is, smaakt) dat de Heer zoet is.” Voor het gehoor wordt het genomen in Exodus 20,18: „Het volk zag, dat is hoorde, de stemmen;” „zien” betekent dus hetzelfde als kennen of helder waarnemen.

Canon 6. „Zonde” wordt vaak, vooral in Leviticus, metonymisch genomen: ten eerste voor het offer dat voor de zonde werd gebracht; ten tweede voor de straf van de zonde; ten derde voor de onregelmatigheid of wettelijke onreinheid die werd opgelopen door het vloeien van menstrueel bloed, van zaad, van melaatsheid, of door contact met een dode. Zo wordt in Leviticus 12,6 de bevalling „zonde” genoemd, dat is wettelijke onreinheid; en in Leviticus 14,13 wordt melaatsheid „zonde” genoemd — niet zonde in eigenlijke zin, maar wettelijke zonde, dat is een onregelmatigheid die de melaatse uitsloot van heilige riten en van het gezelschap der mensen.

Canon 7. De wetten van God worden ten eerste geboden, bepalingen of verordeningen genoemd, omdat zij voorschrijven wat bewaard of vermeden moet worden; ten tweede worden zij oordelen genoemd, omdat zij geschillen onder de mensen richten en beslechten — want in een rechtszitting moet men volgens de wetten oordelen. Ten derde worden zij gerechtigdheden genoemd, omdat zij vaststellen wat billijk en rechtvaardig is. Ten vierde worden zij getuigenissen genoemd, omdat zij getuigen van de wil van God, of wat God van ons verlangt, wat Hij wil dat wij doen. Ten vijfde worden zij een verbond genoemd, dat is een verdrag en pact — dat wil zeggen de voorwaarden van het met God gesloten verbond — omdat God op deze voorwaarde zowel met de Joden als met de christenen een verbond sloot: dat Hij hun God en Vader zou zijn, indien zij zijn wetten zouden onderhouden.

Canon 8. In de Pentateuch is synecdoche veelvuldig. Zo wordt het geslacht genomen voor de soort: „een bokje, een lam, een kalf maken” betekent een bokje, een lam, een kalf offeren. Zo wordt het deel genomen voor het geheel: „de hand vullen” — aanvul: met olie — betekent iemand door zalving tot priester wijden. Zo betekent „de naaktheid ontbloten”, of „een vrouw kennen”, of „tot haar ingaan”, dat een man gemeenschap heeft met een vrouw. Zo betekent „iemands oor openen” hem in het oor spreken, of fluisteren, aanduiden en iets openbaren.

Canon 9. Op gelijke wijze is metonymie veelvuldig, zoals in Genesis 14,22 en Exodus 6,8: „Ik hef mijn hand op,” dat is, met opgeheven hand roep ik de Heer des hemels tot getuige aan en zweer ik bij God. Zo betekent „mond” een woord of gebod dat met de mond wordt gegeven. Zo betekent „hand” macht, kracht of straf, die met de hand wordt uitgeoefend. Zo betekent „ziel” het leven, of het dier zelf, waarvan de ziel de vorm en het leven is. Zo wordt een „man van bloed” een moordenaar genoemd.

Canon 10. Op gelijke wijze is catachrese veelvuldig; zoals wanneer de „vader” van iets degene wordt genoemd die de schepper, stichter of uitvinder van de zaak is, of hij die de eerste en voornaamste in die zaak is. Zo wordt God de „vader” van de regen genoemd, dat is de schepper ervan. Zo wordt de duivel de „vader” van de leugen genoemd, dat is de schepper ervan. Zo wordt Tubalkaïn de „vader” van hen die op instrumenten spelen genoemd: vader, dat is de eerste en uitvinder van het instrument. Zo zeggen zij: „Hij sloeg hen met de mond, dat is met de scherpte, van het zwaard” — want de „mond” van het zwaard is wat de snede zelf van het zwaard wordt genoemd, die mensen verslindt en verteert, zoals een mond brood verslindt. Want op deze wijze slaan leeuwen, tijgers, wolven en andere wilde dieren schapen, honden en runderen met hun muil, wanneer zij hen met het gapen van hun kaken verscheuren, uiteenrijten en verslinden. Door een soortgelijke catachrese noemen zij de kleinere steden en dorpen „dochters”, die aan de moederstad als aan een moeder grenzen en onderworpen zijn. Wederom noemen zij de steden zelf „dochters” vanwege hun schoonheid en sierlijkheid, zoals „dochter van Sion” de stad en burcht van Sion is; „dochter van Jeruzalem” de stad Jeruzalem is; „dochter van Babylon” de stad Babylon is, dat is Babylon zelf. Op dezelfde wijze betekent voor iemand „een huis bouwen”, of het verwoesten, iemand een familie en nakomelingschap geven of verwoesten. Want „huis” betekent nakomelingschap en nageslacht. Vandaar noemen de Hebreeën zonen banim, als het ware abanim, dat is „stenen”, van de wortel bana, dat is „hij bouwde”; want uit zonen als uit stenen worden de huizen en families der ouders gebouwd, zoals Euripides zegt: „de pilaren van huizen zijn mannelijke kinderen.”

Canon 11. De Hebreeën nemen vaak werkelijke werkwoorden voor verbale of mentale. Zo wordt in Leviticus 13,6.11.20.27.30 gezegd dat de priester de melaatse zal „reinigen” of „verontreinigen”, dat is: rein of verontreinigd zal verklaren en uitspreken, opdat hij tot het gezelschap der mensen wordt teruggevoerd of daarvan wordt uitgesloten. Zo wordt in Jeremia 1,10 gezegd: „Ik heb u gesteld over naties en over koninkrijken, om uit te rukken en te vernietigen en te verstrooien en omver te werpen, en om te bouwen en te planten” — dat is, om te profeteren en te prediken dat deze naties moeten worden uitgerukt en vernietigd, maar die moeten worden opgebouwd en geplant. Zo wordt in Leviticus 20,8, en hoofdstuk 21,8.15 en 25 gezegd: „Ik ben de Heer die u heiligt,” dat is, Ik beveel u heilig te zijn.

Canon 12. De Hebreeën laten vaak het onderwerp onuitgedrukt, hetzij de persoon of zaak die handelt of waarop gehandeld wordt, omdat zij het uit de voorafgaande of volgende context laten begrijpen, zoals in Deuteronomium 33,12, en elders.

Canon 13. De woorden en zinnen van de Heilige Schrift moeten niet altijd worden terugverwezen naar de onmiddellijk voorafgaande, maar soms naar meer verwijderde die lang ervoor kwamen. Zo moet die passage van Exodus 22,3 — „Indien hij (de dief) niet heeft waaruit hij voor de diefstal kan herstellen, zal hij zelf worden verkocht” — niet met de onmiddellijk voorafgaande woorden worden verbonden, maar met vers 1, waar staat: „Indien iemand een os heeft gestolen, zal hij vijfvoudig herstellen.” Evenzo staat in Hooglied 1: „Zwart ben ik maar schoon, als de tenten van Kedar, als de gordijnen van Salomo,” waar „tenten van Kedar” niet met „schoon” kan worden verbonden, want zij waren zelf onooglijk, door de hitte verschroeid, zwart en lelijk. Daarom moeten deze woorden aldus worden verbonden en uitgelegd: Ik ben zwart als de tenten van Kedar, maar tegelijkertijd ben ik schoon als de geborduurde en koninklijke gordijnen van Salomo.

Canon 14. Een ontkenning ontkent bij de Hebreeën alles wat erop volgt; vandaar dat „niet allen” in het Hebreeuws hetzelfde betekent als „niemand”, terwijl het in het Latijn „sommigen niet” betekent (dat wil zeggen: niet iedereen).

Canon 15. De Schrift is gewoon bepaalde dingen aan bepaalde personen te beloven die niet in henzelf maar in hun nakomelingen worden vervuld, om aan te duiden dat God deze dingen aan de nakomelingen schenkt ter wille van de oorspronkelijke ontvangers; omdat wat aan nakomelingen wordt gegeven, wordt geacht te zijn gegeven aan hen van wie de nakomelingen een deel zijn, als aan de bron en het hoofd van het nageslacht. Zo wordt aan Abraham het land Kanaän niet in hemzelf maar in zijn nakomelingen beloofd, Genesis 13,14. Zo wordt aan Jakob, dat is aan de Jakobieten, heerschappij over Esau, dat is de Edomieten, beloofd, Genesis 27,29. Zo wordt in Genesis 29 aan de twaalf Aartsvaders beloofd wat aan hun nakomelingen zou toekomen. H. Johannes Chrysostomus levert deze canon over, Homilie 8 over Mattheüs.

Canon 16. Hoewel H. Cyprianus, Boek II Tegen de Joden, hoofdstuk 5; Hilarius, Boek IV over de Drie-eenheid; en Nazianzenus, in het traktaat Over het Geloof, menen dat God in een aangenomen lichaamsgedaante zichtbaar verscheen aan Abraham, Mozes en de Profeten, is het toch meer waar dat al deze verschijningen geschiedden door engelen, die in aangenomen lichamen de persoon van God vertegenwoordigden, en daarom God worden genoemd. Zo Dionysius, hoofdstuk 4 van de Hemelse Hiërarchie; H. Hiëronymus over hoofdstuk 3 van de Brief aan de Galaten; Augustinus, Boek III over de Drie-eenheid, het laatste hoofdstuk; Gregorius in het voorwoord van de Moralia, Boek 1, en anderen alom. En het wordt bewezen. Want hij die aan Mozes verscheen en zei: „Ik ben de God van Abraham,” was een engel, zoals H. Stefanus leert in Handelingen 7,30. Zo wordt de Heer die de wet aan Mozes gaf op de Sinaï, Exodus 19 en 20, door Paulus in Galaten 3,19 een engel genoemd. Want engelen zijn dienende geesten, door wie God al zijn werken uitvoert. Daarom moet hetgeen het Concilie van Sirmium, canon 14, definieert — dat degene die met Jakob worstelde, Genesis 32, de Zoon van God was — aldus worden verstaan: dat het een engel was die de Zoon van God vertegenwoordigde. Voeg daaraan toe dat de decreten van dit Concilie geen geloofsdefinities zijn, noch zelfs leerstukken van de Kerk, behalve voor zover zij de ketterijen van Photinus veroordelen; want het staat vast dat dit Concilie een vergadering van Arianen was.

Canon 17. Wanneer de Heilige Schrift iemand een nieuwe naam oplegt, moet dit worden verstaan als het niet wegnemen van de eerdere naam, maar het toevoegen van de latere aan de vorige, zodat de persoon met beide namen kan worden aangeduid, nu eens met de ene, dan weer met de andere. Zo staat in Genesis 35,10: „Gij zult niet langer Jakob worden genoemd, maar Israël” — de betekenis is, alsof men zou zeggen: Gij zult niet alleen Jakob, maar ook Israël worden genoemd; want vaak daarna wordt hij nog steeds Jakob genoemd. Zo wordt van Gideon in Rechters 6,32 gezegd dat hij vanaf die dag Jerubbaäl werd genoemd, en niettemin blijft de Schrift hem Gideon noemen. Zo wordt Simon, nadat hij door de Heer Kefas werd genoemd, niet zelden daarna nog Simon genoemd.

Merk hier op: God en de Hebreeën legden hun mensen namen op naar aanleiding van gebeurtenissen, namelijk namen die een gebeurtenis aanduidden, hetzij een tegenwoordige, hetzij een toekomstige; en dan waren de namen als het ware voortekenen, of waarschuwingen, of wensen voor de toekomst; want door iemand een naam op te leggen, voorspelden of wensten zij dat die persoon zou zijn zoals door die naam werd aangeduid. Dat dit zo is, blijkt uit de namen Adam, Eva, Seth, Kaïn, Noach, Abraham, Ismaël, Isaak, Jakob, enz., zoals ik op de betreffende plaatsen zal aantonen.

De Romeinen, Grieken en Germanen volgden dezelfde gewoonte na. De Romeinen noemden Corvinus naar de raaf (corvus) die hem in het legerkamp een voorteken van overwinning gaf; Caesar naar de volle haardos (caesaries) waarmee hij geboren zou zijn; Caligula naar de militaire laars (caliga) die hij dikwijls droeg. Zo werden de Pisones zo genoemd omdat zij uitstekend erwten (pisa) zaaiden; zoals de Cicerones hun naam ontvingen van de kikkererwt (cicer), de Fabii van de boon (faba), en de Lentuli van de linze (lens) die zij uitstekend zaaiden. Zo werd Ancus naar zijn kromme elleboog genoemd, zegt Festus — want „elleboog” heet in het Grieks ankon. Zo Servius, omdat hij uit een slavin was geboren; Paulus, naar zijn kleine gestalte; Torquatus, naar de halsketting die hij een Galliër in de strijd ontnam; Plancus, naar zijn platte voeten. Zo was Scipio de bijnaam van de Cornelii, waaraan P. Cornelius (de grootvader van P. Cornelius Scipio Africanus, die Hannibal versloeg) het begin gaf. Want omdat hij zijn vader in de plaats van een staf (scipio) leidde en begeleidde, was hij de eerste die de bijnaam Scipio ontving, en hij gaf die bijnaam door aan zijn nageslacht.

De Grieken noemden Plato, als het ware „de brede”, naar zijn brede schouders, hoewel hij voordien Aristocles heette; Chrysostomus, als het ware „gulden mond”, naar zijn welsprekendheid; Laonicus, als het ware „overwinnaar van het volk”; Leonicus, als het ware „van een leeuw”; Stratonicus, als het ware „overwinnaar van een leger”; Demosthenes, als het ware „het bolwerk van het volk”; Aristoteles, als het ware „het beste doel”; Gregorius, als het ware „de waakzame”; Diogenes, als het ware „uit Zeus geboren”; Aristobulus, als het ware „een man van de beste raad”; Theodorus, als het ware „een gave van God”; Hippocrates, als het ware „begiftigd met de kracht van een paard”; Callimachus, naar „een schone strijd”.

De Germanen en Belgen noemden Frederik, als het ware „rijk aan vrede”, dat is volkomen vreedzaam; Leonardus, als het ware „van leeuwenaard”; Bernardus, als het ware „van berenaard”; Gerardus, als het ware „van gierenaard”; Koenraad, als het ware „stoutmoedig”; Coenraad, als het ware „van stoutmoedige raad”; Adelgisius, als het ware „van edele geest”; Knoet, naar het ledigen van bekers; Faramund of Framund, naar de schoonheid van het gelaat. Zo Willem naar een vergulde helm; Gudela, als het ware „een goed deel of lot”; Lotharius, als het ware „loden hart”; Leopold, als het ware „leeuwenpoot”; Lanfranc, als het ware „langdurige vrijheid”; Wolfgang, als het ware „wolvengang”. Zie meer bij Goropius, Scrieckius en Pontus Heutterus over België.

Canon 18. Wanneer voor iemand die reeds een naam heeft, de naam niet wordt veranderd, maar eenvoudig — terwijl zijn naam stilzwijgend wordt voorondersteld — wordt gezegd dat hij zo of zo zal worden genoemd, dan wordt hem geen andere naam opgelegd, maar wordt aangeduid dat hij zodanig zal zijn dat hij terecht met die andere naam kan worden aangesproken en genoemd. Zo wordt in Jesaja 7,14 Christus Emmanuel genoemd; en in hoofdstuk 8, vers 3: „Haast u om buit te roven, spoed u om te plunderen”; en in hoofdstuk 9, vers 6: „Wonderbaar, Raadsman, God, Machtige, Vader van de toekomende eeuw, Vredevorst”; en in Zacharia hoofdstuk 6, vers 12, wordt hij de Oriënt genoemd. Zo wordt Johannes de Doper door Maleachi Elia genoemd; en de zonen van Zebedeüs worden in het Evangelie Boanerges genoemd, dat is zonen des donders.

Canon 19. Mannen en vrouwen van weleer droegen vele namen: vandaar is het niet verwonderlijk als dezelfde persoon in de Schrift nu eens met de ene naam, dan weer met een andere wordt aangeduid. Zo wordt de vrouw van Esau die in Genesis 36,2 Ada heet, dochter van Elon de Hethiet, in Genesis 26,34 Judit genoemd, dochter van Beëri de Hethiet; en zijn andere vrouw die in Genesis 36,2 Oholibama heet, dochter van Ana, wordt in Genesis 26,34 Basemat genoemd, dochter van Elon. Evenzo worden in 1 Kronieken, door de eerste tien hoofdstukken, dikwijls andere namen aan mannen en vrouwen gegeven — andere, zeg ik, dan die welke zij hebben in Genesis, Jozua, Rechters en de boeken der Koningen. Zo zijn Abimelech en Achimelech dezelfden, Job en Jobab, Achar en Achan, Aram en Ram, Arauna en Ornan, Jetro en Reüel. Merk hier terloops op dat namen, wanneer zij in een andere taal worden overgebracht, zodanig veranderen dat zij nauwelijks dezelfden lijken te zijn, vooral wanneer zij in hun eigen taal naar een andere etymologie verwijzen en neigen.

Canon 20. De Schrift is gewoon datgene een oorzaak te noemen en voor de ware oorzaak der zaak te stellen, wat slechts een aanleiding was, omdat mensen gewoonlijk zo spreken, elke uitkomst uit welke bron ook een gevolg noemend, en een aanleiding een oorzaak noemend. Zo zegt Jakob in Genesis 43,6: „Dit hebt gij gedaan tot mijn ellende, door hem te vertellen dat gij nog een andere broeder haddet.” Want de zonen van Jakob beoogden niet de ellende van hun vader, maar zij volgde toevallig en bij gelegenheid uit hun daden en woorden terwijl zij iets anders deden. Zie Ribera over Amos 2,19.

Canon 21. De Hebreeën stellen vaak het abstracte voor het concrete, zoals „gruwel” voor een gruwelijke of verafschuwde zaak, Exodus 8,28: „Zullen wij de gruwelen der Egyptenaren aan de Heer offeren?” Psalm 21,2: „Het verlangen (dat is de verlangde zaak) van zijn hart hebt Gij hem geschonken.” Zo wordt God onze hoop genoemd, dat is het gehoopte, en ons geduld en onze roem, dat is degene ter wille van wie wij lijden, in wie wij roemen.

Canon 22. De Hebreeën nemen werkwoorden nu eens in de voltooide handeling, dan weer in de voortdurende, dan weer in de beginnende, zodat „doen” hetzelfde is als proberen, ondernemen, beginnen iets te doen. Zo wordt gezegd dat de Hebreeën uit Egypte vertrokken soms 's avonds, zoals in Deuteronomium 16,6, soms 's nachts, zoals in Exodus 12,42, en elders 's morgens, zoals in Numeri 23,3, omdat zij 's avonds het lam offerden, dat de oorzaak en het begin van het vertrek was; 's nachts, nadat de eerstgeborenen der Egyptenaren waren gedood, ontvingen zij van Farao verlof, ja zelfs het bevel om te vertrekken, en hun bezittingen inpakkend begonnen zij uit te trekken; maar 's morgens vertrokken zij inderdaad volledig en geheel.

Canon 23. Wanneer de Hebreeën iets willen overdrijven, of de overtreffende trap willen uitdrukken (die zij missen), gebruiken zij hetzij een abstract zelfstandig naamwoord, hetzij een verdubbeld concreet zelfstandig naamwoord, zoals „heiligheid is” of „het heilige der heiligen is”, dat is „het is allerheiligst” — wat veelvuldig voorkomt in Leviticus.

Canon 24. In de Schrift is hypallage veelvuldig, zoals in Exodus 12,11: „Gij zult sandalen aan uw voeten hebben,” hetgeen bij omkering is: gij zult uw voeten in sandalen hebben, dat is geschoeid. Want sandalen zijn niet aan voeten, maar voeten zijn in sandalen. Exodus 3,2, in het Hebreeuws: „De doornstruik brandde in vuur,” dat is, vuur brandde in de doornstruik. Rechters 1,8, in het Hebreeuws: „Zij wierpen de stad in het vuur,” dat is, zij wierpen vuur in de stad. 4 Koningen 9,30, van Izebel wordt in het Hebreeuws gezegd: „Zij zette haar ogen in oogzalf,” dat is, zij zette oogzalf op haar ogen, zij beschilderde haar ogen met oogzalf. Psalm 77,6, in het Hebreeuws: „Gij hebt ons een maat in tranen te drinken gegeven,” dat is, tranen in een maat, en wel een grote, zoals Rabbi David zegt. Psalm 19,5: „Van de zon stelde hij zijn tent op,” dat is, hij stelde de zon in zijn tent, of hij stelde een tent voor de zon op aan de hemelen, zoals het Hebreeuws luidt. Psalm 81,6: „Hij stelde een getuigenis in Jozef,” dat is, hij stelde Jozef tot een getuigenis, voor wie immers alle dingen goed gingen omdat hij de wet van God onderhield. Zo de Chaldeeër: hoewel er een andere, meer eigenlijke betekenis van deze passage is, zoals ik bij Psalm 81 heb gezegd.

Canon 25. De Hebreeën nemen zelfstandige naamwoorden nu eens actief, dan weer passief. Zo wordt „vrees” zowel gebruikt voor de vrees waarmee wij iemand vrezen, als voor degene die gevreesd wordt, zoals in Genesis 31,42 God de vrees van Isaak wordt genoemd, dat is degene die door Isaak werd gevreesd, voor wie Isaak ontzag en eerbied had. Zo wordt „geduld” niet alleen gebruikt voor die deugd die ons aanspoort om dapper te lijden, maar ook voor het lijden zelf, en voor de tegenspoed die wij verduren, ja zelfs voor God zelf, ter wille van wie wij lijden, zoals in Psalm 71,5: „Gij zijt mijn geduld, o Heer.” Evenzo wordt „liefde” niet alleen gebruikt voor de liefde waarmee wij liefhebben, maar ook voor wat bemind wordt, zoals: „Mijn God, mijn liefde en mijn alles.”

Canon 26. In de Schrift is litotes veelvuldig (die eigenlijk litotes moet worden genoemd, dat is understatement), hetgeen een verkleining is waarmee grote zaken met schamele woorden worden uitgedrukt en als het ware geminimaliseerd, zoals die van Vergilius, Georgica boek 3: „Wie kent niet de hardvochtige Eurystheus, of de altaren van de onbezongen Busiris?” „Onbezongen,” dat is allermisdadigst en alle blaam waardigst. Want Busiris placht zijn gasten te slachten en te offeren. Zo staat in 1 Samuël 12,21: „Wijkt niet af naar ijdele dingen, die u niet zullen baten,” dat is, wijkt niet af naar afgoden, die u zeer zullen schaden en schadelijk voor u zullen zijn. 1 Makkabeeën 2,21: „Het is ons niet nuttig (dat is, het zal ons zeer schaden) de wet te verlaten.” Micha 2,1: „Wee hun die het nutteloze beramen,” dat is het verderfelijke. Leviticus 10,1: „Vreemd vuur aanbiedend voor de Heer, dat hun niet was geboden,” dat is, dat hun was verboden.

Canon 27. Mozes, zegt Clemens (Stromata, boek 6), maakte, omdat hij was onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, van tijd tot tijd gebruik van hun hiëroglyfische methode in zijn wetten, en levert deze over door middel van symbolen en raadsels. Zo antwoordde ook Eleazar de hogepriester aan Aristeas (zoals hij zelf getuigt in zijn verhandeling Over de Zeventig Vertalers, deel 2 van de Bibliotheek der Heilige Vaders), de gezant van Ptolemaeus Philadelphus, die vroeg waarom Mozes bepaalde dieren had verboden te eten of te offeren die andere volken gebruikten: Deze voorschriften van Mozes zijn symbolisch en raadselachtig, zoals de symbolen van Pythagoras en de hiërogliefen der Egyptenaren. Voorts waren de raadsels van Pythagoras, zegt H. Hiëronymus (Tegen Rufinus, boek 3), als volgt: „Stap niet over de weegschaal,” dat is, overtreed de gerechtigheid niet. „Pook het vuur niet op met een zwaard,” dat is, terg een toornige niet met woorden. „De kroon moet niet worden geplukt,” dat is, de wetten der steden mogen niet worden aangetast maar bewaard. „Eet het hart niet,” dat is, verban het verdriet uit uw gemoed. „Wandel niet over de openbare weg,” dat is, volg niet de dwaling der menigte. „Een zwaluw moet niet in huis worden ontvangen,” dat is, kletskousen mogen niet in huis worden toegelaten. „Een last moet worden opgelegd aan hen die beladen zijn, maar een last mag niet worden gedeeld met hen die haar neerleggen,” dat is, voor hen die naar de deugd streven moeten de voorschriften worden vermeerderd; maar wie de arbeid ontvluchten en aan ledigheid zijn overgegeven, moeten met rust worden gelaten.

Canon 28. De latere Hebreeën kennen de ware betekenis niet van eigennamen, van dieren, kruiden, bomen en edelstenen; maar ieder van hen raadt wat hij wil. En daarom is in deze zaak de zekerste regel de geleerdste oude Hebreeën te volgen, en bovenal onze vertaler [de Vulgaatvertaler], die naar het oordeel van de Kerk de beste van allen is.

Canon 29. Hebreeuwse namen voor dieren, bomen en stenen zijn algemeen en aan velen gemeenschappelijk. Zo betekent saphan, Leviticus 11,5, het klipdas; maar Spreuken 30,26 betekent het de haas; Psalm 104,18 echter betekent het de egel. Zie Ribera over Zacharia hoofdstuk 5, nummer 21.

Canon 30. De Hebreeën stellen vaak de handeling, de gewoonte en het vermogen voor het voorwerp, en omgekeerd, door metonymie. Zo noemen zij de kleur een „oog” of „blik”, aangezien kleur het voorwerp is van het oog en het gezicht, zoals in Leviticus 13,10 gezegd wordt dat melaatsheid de „blik” verandert, dat is het uiterlijk en de kleur. Zo wordt God wederom onze vrees, liefde, hoop, geduld en roem genoemd, omdat Hij het voorwerp is van onze vrees, liefde, hoop, ons geduld en onze roem; want Hij is degene die wij vrezen, liefhebben, op wie wij hopen, ter wille van wie wij lijden, in wie wij roemen.

Canon 31. Mozes treedt in de Pentateuch ten eerste op als geschiedschrijver, ten tweede als wetgever, ten derde als profeet; vandaar dat hij nu eens historisch, dan weer juridisch, dan weer profetisch moet worden uitgelegd.

Canon 32. Het voegwoord „en” is bij de Hebreeën vaak exegetisch, dat is een teken van uitleg, en betekent „dat is”, zoals in Leviticus 3,3: „Wier handen zijn gevuld, en (dat is) gewijd”: want de handen met olie vullen was ze wijden voor het priesterschap. Zo Kolossenzen 2,8: „Ziet toe dat niemand u bedriege door filosofie, en (dat is) ijdel bedrog.” Want de Apostel wil niet de ware filosofie veroordelen, maar enkel de valse en sofistische. Op soortgelijke wijze wordt „en” genomen in Mattheüs 13,41; Jeremia 34,21, en elders.

Canon 33. De Hebreeën gebruiken veelvuldig de vragende vorm niet in een twijfelachtige zaak maar in een duidelijke, en niet ter berisping maar ter opwekking en verscherping van de aandacht van de hoorder. Zo zeggen de Egyptenaren in Genesis 47,19 tot Jozef: „Waarom zouden wij voor uw ogen sterven?” Zo zegt God in Exodus 4,2 tot Mozes: „Wat is het dat gij in uw hand houdt?” en in hoofdstuk 14, vers 15: „Waarom roept gij tot Mij?” Zo is die uitspraak van Christus tot zijn moeder: „Wat is er tussen Mij en u, vrouw?” geen berisping, maar een beproeving van de hoop, die haar aanscherpt.

Canon 34. Alle geboden van de Pentateuch, ook de rechterlijke, zijn van goddelijk recht, omdat zij door God zijn bekrachtigd; sommige daarvan schijnen echter niet onder doodzonde te hebben verplicht, maar slechts onder dagelijkse zonde, vanwege de geringheid van de materie, zoals: „Gij zult uw akker niet met verschillende soorten zaad bezaaien” (Leviticus 19,19), en: „Indien gij een nest vindt, neem de jongen, maar laat de moeder gaan” (Deuteronomium 22,6).

Canon 35. De Schrift omvat, vooral in de profetieën, van tijd tot tijd tegelijkertijd zowel het type als het antitype, dat is de zaak die de woorden eigenlijk aanduiden, en tegelijk de allegorie die die zaak vertegenwoordigt; maar op zodanige wijze dat sommige dingen beter bij het type passen, en andere beter bij het antitype; en dan is er een tweevoudige letterlijke zin van die passage: de eerste historisch, de tweede profetisch. Want ook scherpzinnige jongelui spotten en lachen dikwijls met een kameraad, zeggend, bijvoorbeeld: „Jij hebt een lange neus”, en bedoelen tegelijkertijd dat hij scherpzinnig is, als om te zeggen: „Jij bent even spitsneuzig als langneuzig”: waar het woord „neus” zowel zijn eigenlijke betekenis behoudt als een andere aanneemt door een elegante toespeling en allegorie. Waarom zou de Heilige Geest dan niet in één begrip en redevoering zowel het teken als het betekende, het type en de waarheid kunnen omvatten? Voorbeelden zijn in 2 Samuël 7,12, waar Hij letterlijk over Salomo spreekt, maar toch door hyperbool bepaalde dingen over hem zegt die eigenlijk en ten volle in de letterlijke zin aan Christus alleen toekomen. Zo spreekt God in Genesis 3,14 tot de slang, en door haar tot de duivel die in haar schuilt. Vandaar zegt Hij sommige dingen die eigenlijk bij de slang passen, zoals: „Op uw buik zult gij kruipen, en gij zult aarde eten”; en sommige die eigenlijk bij de duivel passen, zoals: „Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw; zij zal uw hoofd verpletteren.” Zo verstaat Mozes in Deuteronomium 18,18 onder de Profeet die hij na zichzelf belooft, zowel alle profeten als eigenlijk Christus. Zo verstaat Bileam, zeggend dat Israël Moab, Edom en de zonen van Seth zal verwoesten (Numeri 24,17), onder Israël zowel David als Christus. Zo beschrijft Jesaja in hoofdstuk 14,11 en volgende de val van de koning van Babylon door de val van Lucifer; vandaar zegt hij sommige dingen die eigenlijk bij Lucifer passen, en bij Belsassar slechts figuurlijk, dat is hyperbolisch of parabolisch, zoals: „Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, Lucifer! Uw hoogmoed is neergesleurd naar de hel, gij die zeidet: Ik zal ten hemel opstijgen, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren Gods, ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste.” Maar hij zegt andere dingen die eigenlijk bij Belsassar passen, zoals: „Uw lijk is gevallen, de mot zal onder u worden gespreid, en wormen zullen uw bedekking zijn.” Op soortgelijke wijze beschrijft Ezechiël in hoofdstuk 28, verzen 2 en 14, de rijkdom en val van de koning van Tyrus naar het voorbeeld van de rijkdom en val van een zekere Cherub. Want de geest van de Profeet wordt meegevoerd door het meest verheven profetische licht, waarin alle dingen nabij en verbonden zijn, en het ene het beeld van het andere schijnt te zijn; vandaar springen de Profeten dikwijls van het ene naar het andere, zowel om de zojuist genoemde reden als vanwege de elegantie, waarmee zij gelijksoortige dingen met gelijksoortige vergelijken en afschaduwen.

Canon 36. Dat er meerdere letterlijke betekenissen van de Heilige Schrift kunnen zijn — niet alleen typische en typisch ondergeschikte, maar zelfs ongelijksoortige en uiteenlopende — leert H. Augustinus, Belijdenissen boek 12, hoofdstukken 18, 25, 26, 31 en 32, die H. Thomas aanhaalt en volgt (Summa Theologiae I, q. 1, art. 10, in het corpus), en dit wordt afgeleid uit het Lateraans Concilie, hoofdstuk Firmiter, over de Allerhoogste Drie-eenheid, waar het Concilie uit die passage in Genesis 1, „In het begin schiep God de hemel en de aarde,” volgens twee letterlijke betekenissen twee waarheden concludeert: namelijk dat de wereld een begin had, alsof „in het begin” het begin van de tijd aanduidt; en dat niets vóór de wereld werd voortgebracht, alsof „in het begin” hetzelfde betekent als „vóór alle dingen”. Zo leggen de Kerkvaders die passage van Psalm 2,7: „Heden heb Ik u verwekt,” uit zowel van de menselijke als van de goddelijke geboorte van Christus. Vandaar geeft ook de Septuagintavertaling van tijd tot tijd een andere letterlijke betekenis dan de onze, en voorheen waren er vele andere vertalingen die van elkaar verschilden. Zo zei in de ene zin Kajafas, in een andere de Heilige Geest door zijn mond: „Het is u dienstig dat één mens sterft voor het volk” (Johannes 11,50); en toch verhaalt H. Johannes met deze woorden de zin en bedoeling van beiden, namelijk zowel van Kajafas als van de Heilige Geest, en duidt deze aan. Maar hierin is, zoals in de meeste andere gevallen, de ene zin op enigerlei wijze verbonden met de andere en als het ware daaraan ondergeschikt.

Canon 37. Bij de Hebreeën, vooral de Profeten, is enallage en verwisseling veelvuldig — van persoon, zodat zij overgaan van de eerste of tweede persoon naar de derde, zoals in Deuteronomium 33,7; van tijd, zodat zij de verleden tijd voor de toekomstige stellen, vanwege de zekerheid van het toekomstige, zoals in Deuteronomium 32,15.16.17.18.21.22 en volgende; van getal, zodat zij overgaan van het enkelvoud naar het meervoud en omgekeerd, zoals in Deuteronomium 32,45 en 16; van geslacht, zodat zij overgaan van het vrouwelijke naar het mannelijke en omgekeerd, zoals in Genesis 3,15.

Canon 38. De luchtstreken, of streken van de wereld, zoals Oost, West, Zuid en Noord, moeten in de Schrift worden verstaan naar de ligging van Judea, Jeruzalem en de Tempel. Want Mozes en de andere heilige schrijvers schrijven voor de Joden; en Judea, gelegen als het ware in het midden van de bewoonde en bebouwde wereld, was het land en het bijzonder eigendom van God.

Canon 39. Eén zaak kan een beeld zijn van twee zelfs tegenstrijdige dingen, maar in verschillend opzicht. Zo was de zondvloed, voor zover Noach daarin door de ark overleefde, voor de gelovigen een type van het doopsel; maar voor zover de goddelozen daarin werden verzwolgen, was zij een type van de straf die de verworpenen bij het laatste oordeel zal worden opgelegd. Zo is Christus de rots en hoeksteen van de Kerk; maar voor de vromen is Hij de steen des heils, terwijl Hij voor de ongelovigen en goddelozen een steen des aanstoots en een rots van ergernis is. Zo wordt Christus een leeuw genoemd vanwege zijn sterkte; maar de duivel wordt een leeuw genoemd vanwege zijn wreedheid en roofzucht. H. Augustinus (Brief 99 aan Evodius) en H. Basilius (over Jesaja hoofdstuk 2) leveren deze canon over.

Canon 40. In de letterlijke zin moeten alle zinnen en alle woorden worden uitgelegd en toegepast op de aangeduide zaak; maar dit is niet noodzakelijk in de allegorische zin. Sterker nog, H. Hiëronymus, Gregorius, Origenes en anderen willen dikwijls dat de allegorie vrij is, en bij de uitleg ervan bewaren zij niet de strengheid van de geschiedenis. Een voorbeeld is het overspel van David, waarvan H. Augustinus, H. Ambrosius en anderen leren dat het een type was van de liefde van Christus voor de Kerk der heidenen, die voordien met afgoden als een overspeelster had geleefd. Maar een eigenlijke en degelijke allegorie moet overeenkomen met de geschiedenis, en hoe treffender zij daarmee overeenstemt, des te geschikter is zij; ja, anders is zij geen eigenlijke zin van de Schrift, maar veeleer een geaccommodeerde. Want zoals de letterlijke zin die is welke de woorden allereerst aanduiden, zo is de allegorische zin die welke de door de letterlijke zin aangeduide zaken afschaduwen en aanduiden. Zo leert H. Hiëronymus over Hosea hoofdstuk 5, waar hij het tegendeel herroept dat hij elders had gezegd.

Canon 41. In Mozes en de Schrift komt niet zelden hendiadys voor — een stijlfiguur waardoor één zaak in tweeën wordt verdeeld, vandaar dat zij juister hen dia dyoin wordt genoemd, dat is één door twee, zoals bij Vergilius, Aeneïs 1: „Hij legde een massa en hoge bergen op hen,” dat is, hij legde de massa's van hoge bergen erop; en elders: „Hij beet op het goud en het bit,” dat is, hij beet op het gouden bit; en elders: „Wij plengen met schalen en goud,” dat is, met gouden schalen. Zo is Genesis 1,14: „Dat (de zon en de maan) er zijn als tekenen, en tijden, en dagen, en jaren,” dat is, dat zij er zijn als tekenen van tijden, dagen en jaren. Zo is ook Kolossenzen 2,8: „Ziet toe dat niemand u bedriege door filosofie en ijdel bedrog,” dat is, door de filosofie van ijdel bedrog, of die ijdel bedrog is, als om te zeggen: Ik veroordeel niet alle filosofie, maar slechts die welke niets anders is dan ijdel bedrog. Want het woord „en” moet daar en elders worden uitgelegd als „dat is”.

Canon 42. Mozes en de andere Profeten zijn gewoon de verlossing door Christus met een tweevoudige benaming aan te duiden, en gewoonlijk een gepaarde — namelijk slachting en heil, wraak en verlossing, verontwaardiging en vrede, bloed en behoud, losprijs en overwinning. Vandaar ten tweede dat de Profeten, zonder onderscheid te maken tussen vijanden en burgers, Christus die komt om de mensheid te verlossen invoeren als een geharnaste veldheer die, gedreven door goddelijke toorn, op de mensen afstormt en wie hij maar ontmoet omverwerpt, vertrapt en doodt. Want zo zingt Bileam in Numeri 24,17 over Christus de Verlosser: „Hij zal de aanvoerders van Moab slaan, en alle zonen van Seth verwoesten,” dat is alle mensen; want dezen stammen af van Adam door Seth. En de Psalmist in Psalm 110,6: „Hij zal oordelen onder de volkeren, Hij zal ze met puinhopen vullen, Hij zal hoofden verpletteren over het wijde land, Hij zal uit de beek langs de weg drinken.” En Jesaja beschrijft in hoofdstuk 61 de vertroosting en verlossing door Christus, maar in hoofdstuk 63 zijn wraak: „Ik heb hen vertrapt, zegt Hij, in mijn toorn, en ik heb hen dronken gemaakt in mijn verontwaardiging, en ik heb hun kracht ter aarde gesleurd. Want de dag der wraak was in mijn hart.” En onmiddellijk voegt Hij eraan toe: „In zijn liefde en in zijn barmhartigheid heeft Hij hen zelf verlost,” enz.

De oorzaak van deze zaak en deze manier van spreken is tweevoudig: de eerste, omdat elke tijdelijke bevrijding die als type aan de geestelijke bevrijding van het menselijk geslacht voorafging — namelijk de Egyptische en de Babylonische (want daarop zinspelen zij) — niet zonder bloed en slachting van vijanden, namelijk van de Egyptenaren in de Rode Zee, en van de Chaldeeën door Cyrus, werd verworven en volbracht. De tweede reden is dat in deze wraak en verlossing door Christus dezelfden vijanden en vrienden zijn, overwonnenen en bevrijden, gedoden en verlosten — maar ongelijksoortig in gezindheid, karakter en genegenheid. Want zij die voordien ongelovig en goddeloos waren, werden door Christus gelovig en vroom. Christus doodde dus volkeren en mensen, en wekte anderen op — ja dezelfden; omdat Hij bijvoorbeeld Petrus de afgodendienaar, de dronkaard, de overspeelster doodde, en diezelfde mens opwekte en hem maakte tot Petrus de aanbidder van God, nuchter, kuis, enz.

Let wel: De zondaar vertegenwoordigt een tweevoudige persoon en bestaat als het ware in een tweevoudige natuur — namelijk die van een mens en die van een duivel, of van ondeugd en zonde. De eerste is een soldaat, de tweede een vijand van Christus; de eerste moest worden bevrijd, de tweede moest worden overwonnen. Aan de eerste behoort het jaar van kwijtschelding, aan de tweede de dag der wraak. De eerste wordt vergeleken met de verloste Israëlieten, de tweede met de geslachte Egyptenaren en Babyloniërs. Zo strijdt de toorn van Christus tegen de duivel en zijn handlangers, namelijk de ondeugden, en verdrijft hen uit de mens, om het koninkrijk van God in de mens te vestigen en de mens aan zichzelf en aan God terug te geven.


Heilige Chronologie

Aangezien de Pentateuch de kronieken van de wereld bevat, leek het goed hier een beknopte en waarschijnlijke chronologie aan te bieden, nuttig en aangenaam voor de lezer, waarin men als in een overzicht met één enkele blik de tijdperken en tijden van afzonderlijke personen of opmerkelijke gebeurtenissen in de Heilige Schrift, en hun onderlinge afstanden, kan overzien. Ik ontving haar van de eerwaarde pater Henricus Samerius, zaliger gedachtenis, die haar met nauwkeurigheid heeft uitgewerkt; zij was echter niet vrij van fouten, waarvan ik haar zorgvuldig heb gezuiverd. Hij zelf laat Kaïnan weg; aan Saul alleen geeft hij na Samuël 40 jaar, zoals wordt aangeduid in Handelingen 13,21; en de 70 jaar van gevangenschap of dienstbaarheid, die Jeremia voorzegd heeft in hoofdstuk 25,12 en hoofdstuk 29,10, laat hij waarschijnlijk beginnen bij de deportatie en gevangenschap van Jechonja of Joachin, die de zoon was van Jojakim en de kleinzoon van Sedekia — over welke zaken en andere zal ik op de daarvoor bestemde plaatsen uitvoeriger handelen en ze nauwkeuriger onderzoeken. De jaren die in deze tabel in de eerste verticale reeks geschreven staan, en in de daaraan verbonden kolom zijn aangetekend, geven de jaren van de wereld aan die opeenvolgend toenemen tot aan Christus. De jaren die in de horizontale lijnen en kolommen zijn aangetekend, geven de onderlinge afstanden aan, wanneer die welke in de verticale reeks staan zodanig gecombineerd worden dat zij in één en dezelfde kolom samenkomen — bijvoorbeeld: de tweede horizontale kolom die samenkomt met de vierde in de verticale lijn, geeft aan dat er van de zondvloed tot Abraham 292 jaar zijn verstreken.

Eerste opmerking: Dezelfde gebeurtenis wordt soms één jaar eerder, soms één jaar later opgetekend. Bijvoorbeeld: van het vertrek der Hebreeën uit Egypte tot de tempel van Salomo worden soms 479 jaar geteld, namelijk voltooide jaren; soms 480, namelijk begonnen jaren — want het 480ste jaar was begonnen toen de bouw van de tempel aanving. Vandaar het gangbare axioma van chronologen dat één jaar in de chronologie geen verschil maakt in de tijdrekening, en derhalve niet als belangrijk moet worden beschouwd.

Tweede opmerking: Zoals de Joden en christenen hun chronologie beginnen bij Adam, of bij de zondvloed, of bij Abraham, of bij het vertrek der Hebreeën uit Egypte, zo rekenen de heidenen hun tijden: ten eerste, vanaf Ninus en Semiramis, die de eerste monarchie der Assyriërs hebben gesticht, in wier tijd Abraham leefde. Ten tweede, vanaf de vloed van Ogyges en het koningschap van Inachus en Phoroneus als koningen, hetgeen valt in de tijd van de aartsvader Jakob. Ten derde, vanaf de oorlog en de verwoesting van Troje, die plaatsvond in de tijd van Simson en de hogepriester Eli. Ten vierde, vanaf het begin van de Olympiaden, die begonnen tegen het einde van de regering van Uzzia, koning van Juda. Ten vijfde, vanaf de stichting van de stad Rome, die plaatsvond tegen het einde van de regering van Jotam, koning van Juda.


Overzicht van de Chronologie van de Oudtestamentische Wereld tot Christus

De volgende chronologische gegevens vergelijken belangrijke bijbelse gebeurtenissen met meerdere dateringssystemen. Elk item geeft de gebeurtenis en het aantal jaren vanaf het begin van de wereld.

Jaren vanaf het begin van de wereld tot Noach: 1056

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de zondvloed (einde van de zondvloed): 1657

Jaren vanaf het begin van de wereld tot Abraham: 2024

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de belofte aan Abraham gedaan: 2084

Jaren vanaf het begin van de wereld tot Jakobs intocht in Egypte: 2299

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de dood van Jozef: 2370

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de slavernij in Egypte in leem en stro: 2431

Jaren vanaf het begin van de wereld tot het vertrek der Israëlieten uit Egypte: 2531

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de intocht in het beloofde land, en de Rechters: 2571

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de tempel van Salomo: 3011

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de Koningen: 3046

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de Olympiaden: 3228

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de stichting van Rome: 3250

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de gevangenschap van de tien stammen onder Salmanassar: 3283

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de deportatie van Jechonja of Joachin: 3405

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de Babylonische gevangenschap en de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnessar: 3416

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de bevrijding onder Cyrus: 3486

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de jaarweken van Daniël: 3486

Jaren vanaf het begin van de wereld tot het Griekse tijdperk of de Seleuciden: 3694

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de onderwerping van Judea aan de Romeinen door Pompeius: 3888

Jaren vanaf het begin van de wereld tot de Geboorte van Christus: 3950

Het eerste jaar van Christus: 3951

Jaren vanaf het begin van de wereld tot het Doopsel van de Verlosser: 3981

Jaren vanaf het begin van de wereld tot het Lijden van de Verlosser: 3984

Jaren vanaf het begin van de wereld tot het einde van de jaarweken van Daniël: 3984

Van de Babylonische gevangenschap tot de jaren der Grieken of Seleuciden, vanaf wie de boeken der Makkabeeën hun geschiedenissen berekenen en optekenen, en die beginnen na de dood van Alexander de Grote in het twaalfde jaar waarin Seleucus zich de koninklijke titel toeëigende, zijn 278 jaar verstreken.

En opdat gij van dit alles een samenvatting hebt, merk op en onthoud: Van Adam tot de zondvloed zijn 1656 jaar verstreken, zoals wordt afgeleid uit Genesis 5 en 7; tot het einde van de zondvloed echter 1657 jaar, want de zondvloed duurde een volledig jaar, Gen. 7 en 8.

Christus is derhalve geboren in het jaar van de wereld 3950.


Chronologie van de Bijbel

De onderzoekingen van moderne geleerden bij het raadplegen van de boeken en monumenten der ouden hebben de zaak van de chronologie tot dusver niet van elke verwikkeling en knoop bevrijd; integendeel, zij hebben haar ingewikkelder en moeilijker achtergelaten. Om deze reden hebben wij het voor ons doel voldoende geacht onze lezers te wijzen op een voortreffelijk werk van dit soort, getiteld Fasti Hellenici, van Clinton, en tevens hun de beknopte tabel voor ogen te stellen die ontleend is aan het werk van Dr. Sepp, in het Frans geschreven, La Vie de N.-S. Jésus-Christ, dl. II, blz. 454.

Genealogie der Aartsvaders

Adam, 130 jaar oud, verwekt Set. Jaar van de wereld: 130. Jaren vóór Christus: 4061.

Set, 105 jaar oud, verwekt Enos. Jaar van de wereld: 235. Jaren vóór Christus: 3956.

Enos, 90 jaar oud, verwekt Kaïnan. Jaar van de wereld: 325. Jaren vóór Christus: 3866.

Kaïnan, 70 jaar oud, verwekt Mahalalel. Jaar van de wereld: 395. Jaren vóór Christus: 3796.

Mahalalel, 65 jaar oud, verwekt Jered. Jaar van de wereld: 460. Jaren vóór Christus: 3731.

Jered, 162 jaar oud, verwekt Henoch. Jaar van de wereld: 622. Jaren vóór Christus: 3569.

Henoch, 65 jaar oud, verwekt Metuselach. Jaar van de wereld: 687. Jaren vóór Christus: 3504.

Metuselach, 187 jaar oud, verwekt Lamech. Jaar van de wereld: 874. Jaren vóór Christus: 3317.

Lamech, 182 jaar oud, verwekt Noach. Jaar van de wereld: 1056. Jaren vóór Christus: 3135.

Noach, 500 jaar oud, verwekt Sem, Cham en Jafet. Jaar van de wereld: 1556. Jaren vóór Christus: 2635.

Metuselach sterft op 969-jarige leeftijd. De zondvloed wordt voltooid in het 34ste jubeljaar na de schepping (evenveel jaren als Christus op aarde heeft geleefd), terwijl Noach in zijn 600ste levensjaar is. De zondvloed houdt op. Jaar van de wereld: 1657. Jaren vóór Christus: 2534.

Twee jaar later verwekt Sem, 100 jaar oud, Arpachsad. Jaar van de wereld: 1659. Jaren vóór Christus: 2532.

Arpachsad, 35 jaar oud, verwekt Selach. Jaar van de wereld: 1694. Jaren vóór Christus: 2497.

Selach, 30 jaar oud, verwekt Eber. Jaar van de wereld: 1724. Jaren vóór Christus: 2467.

Eber, 34 jaar oud, verwekt Peleg. Jaar van de wereld: 1758. Jaren vóór Christus: 2433.

Peleg, 30 jaar oud, verwekt Reü. Jaar van de wereld: 1788. Jaren vóór Christus: 2403.

Reü, 32 jaar oud, verwekt Serug. Jaar van de wereld: 1820. Jaren vóór Christus: 2371.

Serug, 30 jaar oud, verwekt Nachor. Jaar van de wereld: 1850. Jaren vóór Christus: 2341.

Nachor, 29 jaar oud, verwekt Terach. Jaar van de wereld: 1879. Jaren vóór Christus: 2312.

Terach, 70 jaar oud, verwekt Abram, Nachor en Haran. Jaar van de wereld: 1949. Jaren vóór Christus: 2242.

Abram, 75 jaar oud, komt in het land Kanaän. Jaar van de wereld: 2084. Jaren vóór Christus: 2107.

Abraham, 86 jaar oud, verwekt Ismaël. Jaar van de wereld: 2095. Jaren vóór Christus: 2096.

Abraham, 100 jaar oud, verwekt Isaak. Jaar van de wereld: 2109. Jaren vóór Christus: 2082.

Isaak, 40 jaar oud, huwt Rebekka. Jaar van de wereld: 2149. Jaren vóór Christus: 2042.

Isaak, 60 jaar oud, verwekt Esau en Jakob. Jaar van de wereld: 2169. Jaren vóór Christus: 2022.

Abraham sterft, 175 jaar oud. Jaar van de wereld: 2184. Jaren vóór Christus: 2007.

Esau huwt op veertigjarige leeftijd de dochter van Beëri de Hethiet. Jaar van de wereld: 2209. Jaren vóór Christus: 1982.

Jakob, 77 jaar oud, vlucht naar Mesopotamië. Jaar van de wereld: 2246. Jaren vóór Christus: 1945.

Jakob, 91 jaar oud, verwekt Jozef. Jaar van de wereld: 2260. Jaren vóór Christus: 1931.

Jakob, 97 jaar oud, keert terug naar het land Kanaän. Jaar van de wereld: 2266. Jaren vóór Christus: 1925.

Jozef, 16 jaar oud, wordt door zijn broers verkocht. Jaar van de wereld: 2276. Jaren vóór Christus: 1915.

Isaak sterft op 180-jarige leeftijd. Jaar van de wereld: 2289. Jaren vóór Christus: 1902.

Jakob, 130 jaar oud, komt naar Egypte, in het 24ste jaar na de aankomst van Jozef zelf, en 215 jaar na de volksverhuizing van Abraham. Jaar van de wereld: 2299. Jaren vóór Christus: 1892.

Jakob sterft, 147 jaar oud. Jaar van de wereld: 2316. Jaren vóór Christus: 1875.

Jozef sterft, 110 jaar oud. Jaar van de wereld: 2370. Jaren vóór Christus: 1821.

De Israëlieten verlaten Egypte in het 430ste jaar van de gevangenschap. Jaar van de wereld: 2700. Jaren vóór Christus: 1491.

Koningen van Juda

480 jaar worden geteld van de Egyptische gevangenschap tot de bouw van de Tempel, in het vierde jaar van Salomo's regering. Jaar van de wereld: 3011. Jaren vóór Christus: 1180.

Van dit punt tot de bouw van de tempel van Herodes zijn 1000 jaar verstreken. Salomo regeerde bovendien 36 jaar na de bouw van de Tempel. Jaar van de wereld: 3046. Jaren vóór Christus: 1145.

Rechabeam regeert 17 jaar. Jaar van de wereld: 3082. Jaren vóór Christus: 1109.

Abia regeert 3 jaar. Jaar van de wereld: 3085. Jaren vóór Christus: 1106.

Asa regeert 41 jaar. Jaar van de wereld: 3126. Jaren vóór Christus: 1065.

Josafat regeert 25 jaar. Jaar van de wereld: 3151. Jaren vóór Christus: 1040.

Joram regeert 8 jaar. Jaar van de wereld: 3159. Jaren vóór Christus: 1032.

Achazja regeert 1 jaar. Jaar van de wereld: 3160. Jaren vóór Christus: 1031.

Atalja regeert 6 jaar. Jaar van de wereld: 3166. Jaren vóór Christus: 1025.

Joas regeert 40 jaar. Jaar van de wereld: 3206. Jaren vóór Christus: 985.

Amasja regeert 29 jaar. Jaar van de wereld: 3235. Jaren vóór Christus: 956.

Uzzia regeert 52 jaar. Jaar van de wereld: 3287. Jaren vóór Christus: 904.

Jotam regeert 16 jaar. Jaar van de wereld: 3303. Jaren vóór Christus: 888.

Achaz regeert 16 jaar. Jaar van de wereld: 3319. Jaren vóór Christus: 872.

Hizkia regeert 29 jaar. Jaar van de wereld: 3348. Jaren vóór Christus: 843.

Manasse regeert 55 jaar. Jaar van de wereld: 3403. Jaren vóór Christus: 788.

Amon regeert 2 jaar. Jaar van de wereld: 3405. Jaren vóór Christus: 786.

Josia regeert 31 jaar. Jaar van de wereld: 3436. Jaren vóór Christus: 755.

Joachaz regeert 3 maanden. Jaar van de wereld: 3436. Jaren vóór Christus: 755.

Jojakim regeert 11 jaar. Jaar van de wereld: 3447. Jaren vóór Christus: 744.

Joachin regeert 3 maanden. Jaar van de wereld: 3447. Jaren vóór Christus: 744.

Sedekia regeert 11 jaar, vóór de bestorming van Jeruzalem door Nebukadnessar. Deze bestorming vond plaats 430 jaar na de bouw van de tempel van Salomo, 580 jaar vóór de geboorte van Christus, ofwel 166 jaar na de stichting van Rome. Jaar van de wereld: 3611. Jaren vóór Christus: 580.

Want Joachin was 37 jaar lang gevangene in Babylon, tot de regering van Evil-Merodach (4 Koningen 25). Van daar tot de verovering van Babylon door Cyrus zijn 23 jaar verstreken volgens de canon van Ptolemaeus, vervolgens 233 jaar tot Ptolemaeus Lagus, daarna 275 jaar tot de verovering van Alexandrië door Augustus (jaar 724 na de stichting van de stad). Wanneer men nu 166 jaar aftrekt van 747 (het jaar waarin de stad werd gesticht), verkrijgt men 581, ofwel het jaar van de wereld 4191.

Derhalve zijn er van de schepping van de wereld tot de geboorte van Christus 4191 zonnejaren verstreken, maar 4320 maanjaren en 5625 priesterlijke jaren.

Vgl. des Vignoles, Chronologie van de Heilige Geschiedenis.