Guigo I

Overdenkingen

(Meditationes)


Hoofdstuk I. Over waarheid en vrede, en hoe vrede alleen door waarheid wordt verkregen.

De waarheid moet in het midden worden geplaatst, als iets schoons. Oordeel niet als iemand ervoor terugdeinst, maar heb medelijden. Maar gij, hoewel gij tot de waarheid wilt komen, waarom verwerpt gij haar wanneer gij om uw gebreken wordt berispt? Zie hoezeer de waarheid te lijden heeft. Tot de dronkaard wordt gezegd: Gij zijt een dronkaard; en evenzo tot de wellusteling, de hoogmoedige en de praatzieke. En dit is waar. Toch worden zij dadelijk razend, en vervolgen en doden de waarheid in haar prediker. Zie hoezeer de leugen wordt geëerd. Tot de slechtsten der mensen, slaven van alle ondeugden, wordt gezegd: Goede meesters. Zij worden bevredigd, zij verheugen zich, en zij vereren de leugen in degene die zo spreekt.

Zonder gedaante of schoonheid, en aan het kruis genageld, moet de waarheid worden aanbeden.

Hoe edeler en machtiger enig schepsel is, des te gewilliger onderwerpt het zich aan de waarheid; ja, het is juist machtig en edel omdat het zich aan de waarheid onderwerpt.

Tijdelijke dingen steken u — waarom vlucht gij niet naar andere dingen, dat wil zeggen, naar de waarheid?

De reden waarom de waarheid voor ons bitterder is dan alle tegenspoed, is dat afzonderlijke tegenslagen één of meer genoegens aanvallen; maar de waarheid klaagt ze alle tegelijk aan.

Indien gij alle kleuren en al het overige dat door de ogen ervaren kan worden hadt ervaren, of door de andere lichamelijke zintuigen hadt ervaren, indien gij alle berichten zoudt vertellen of aanhoren — wat zou het nut ervan zijn? Zo ook met al de vele dingen die gij hebt ervaren of gehoord.

Gij kunt niemand haten dan door uw eigen ongerechtigheid. Want het is eigen aan de heiligen ook de bozen het goede toe te wensen. Men behoort alleen de waarheid lief te hebben en de vrede die daaruit voortkomt.

Laat de dienaar van de waarheid liefhebben wat hij bedient, en degene aan wie het bediend wordt. En wanneer hetzelfde hem door een ander bediend wordt, laat hij het met dankzegging ontvangen, als datgene wat hij liefheeft.

Laat de liefde uw beweegreden zijn om de waarheid te spreken, als tot genezing. En indien iemand haar niet ontvangt, hebt gij ofwel medelijden met hem, ofwel gij hebt hem niet lief, ofwel gij acht wat hij versmaadt gering — alsof een zieke een heilzaam geneesmiddel zou weigeren.

Op de waarheid volgt vrede zonder einde, gemeenschappelijk met de engelen; op de leugen volgt moeite en smart, gemeenschappelijk met de duivel. De waarheid behoeft niet verdedigd te worden — veeleer hebt gij haar nodig.

De waarheid is uiterst bitter en onaangenaam voor uw soort, niet door haar eigen schuld maar door de hunne — zoals helder licht voor zwakke ogen. Zie daarom toe dat gij haar niet bitterder maakt door haar niet te spreken zoals het behoort, dat wil zeggen, met liefde. Want zoals een goedhartige arts, die een heilzaam maar bitter drankje aan een zieke geeft, de rand van de beker met honing bestrijkt, opdat wat zoet is gewillig genomen worde, en wat heilzaam is gemakkelijk in dezelfde teug worde ingeslikt. Uw gehele plicht is immers anderen ten nutte te zijn.

Indien gij de waarheid spreekt niet uit liefde voor de waarheid, maar uit verlangen een ander te kwetsen, zult gij niet het loon van iemand die de waarheid spreekt ontvangen, maar de straf van een lasteraar.

Zie hoeveel kwelling gij zult doorstaan, wanneer het ware licht u volkomen aan uzelf heeft geopenbaard — indien reeds zozeer gekweld wordt degene aan wie gij met een enkel woord iets van zijn kwaden toont. Want dan zullen de raadslagen der harten worden blootgelegd.

Gij zondigt evenzeer of gij een ander smaadt of door een ander gesmaad wordt; want in beide gevallen ontvangt gij de waarheid slecht of legt gij haar als een kwaad op. Laat daarom wie u wil geselen uw leven grijpen, dat is de waarheid; laat hem u daardoor slaan en kwellen.

De waarheid is het leven en het eeuwige heil. Gij behoort daarom medelijden te hebben met degene wie zij mishaagt. Want in die mate is hij dood en verloren. Maar gij, verkeerd als gij zijt, zoudt hem de waarheid niet zeggen tenzij gij dacht dat zij hem bitter en ondraaglijk was. Want gij meet anderen naar uzelf. Maar het ergste is wanneer gij, om mensen te behagen, de waarheid spreekt die zij liefhebben en bewonderen, zoals gij leugens of vleierijen zou spreken. Daarom moet de waarheid niet gesproken worden omdat zij mishaagt noch omdat zij behaagt, maar opdat zij bate. Zij moet alleen verzwegen worden opdat zij niet schade, zoals licht zwakke ogen schaadt.

Brood, dat wil zeggen waarheid, sterkt het hart van de mens opdat het niet bezwijke voor de gedaanten der lichamen.

Zalig is hij wiens geest alleen door de kennis en liefde van de waarheid wordt bewogen of aangedaan, en wiens lichaam alleen door de geest zelf wordt bewogen. Want zo wordt ook het lichaam door de waarheid alleen bewogen. Want indien er geen beweging in de geest is dan die van de waarheid, en geen in het lichaam dan die van de geest, dan zou er geen beweging in het lichaam zijn dan die van de waarheid, dat wil zeggen, van God.

Gij doet alles ter wille van de vrede, waartoe de weg alleen door de waarheid voert — die uw tegenpartij is in dit leven. Onderwerp daarom ofwel de waarheid aan u, ofwel uzelf aan de waarheid. Want niets anders rest u.

Tegenspoed maant u aan vrede te verlangen. Maar gij, verblind, verlangt datgene wat, terwijl gij het liefhebt en verlangt, het u volstrekt onmogelijk maakt vrede te hebben.

Waarom rukt gij in u wat u zo mishaagt in een ander, namelijk de toorn? Gij zijt dus toornig, omdat hij toornig is. Wees liever toornig op uzelf, omdat gij toornig zijt. Indien de toorn u waarlijk mishaagde, zoudt gij hem niet toelaten maar ervoor vluchten. Dit wordt alleen bereikt door de vrede te bewaren.

Een vijver beroemt zich er niet op dat hij overvloeit van water, want het komt uit de bron. Zo is het met uw vrede. Want er is altijd iets anders dat de oorzaak van de vrede is. Daarom is uw vrede even zwak en bedrieglijk als het ding waaruit zij ontspringt veranderlijk is. Hoe waardeloos is zij dan, wanneer zij ontspringt uit de aangenaamheid van een menselijk gelaat!

Ieder mens verlangt veilig te zijn. Maar deze veiligheid wordt des te geringer naarmate men meer verstoord kan worden. En men kan des te meer verstoord worden naarmate de dingen die men liefheeft gereder zijn zich anders voor te doen dan men wenst. Laat iemand daarom tot u zeggen: Ik zal u kwaad doen; ik zal u de vrede ontnemen. Ik zal immers kwaad over u denken of spreken. Zie hoe gereed gij zijt om gekweld en verstoord te worden.

Laat tijdelijke dingen niet de oorzaak van uw vrede zijn, want zij zal even waardeloos en broos zijn als die dingen. Zulk een vrede zult gij gemeen hebben met de redeloze dieren; laat de uwe met de engelen zijn, dat wil zeggen, de vrede die uit de waarheid voortkomt.

Al wat gij ter wille van vrede en geluk had vastgehouden en liefgehad, veracht het — tenzij gij vrede en geluk geheel wilt verliezen.

Vrede is een goed van de ziel waarin zij verblijft. Zij moet daarom om haarzelf begeerd worden, als een aangename smaak. Laat zij zo groot in u zijn dat gij zelfs de bozen niet uitsluit.

„Laat uw hart niet verontrust worden en wees niet bevreesd” (Joh. 14,27). Dit is de ware sabbat. Hij viert haar die noch verlokt noch gedwongen wordt; deze heeft zichzelf in zijn macht; deze kan aalmoezen van zichzelf geven, zodat hij, naar gelang een ander het nuttig acht, vertoornd of bevredigd kan zijn.

Liefde voor tijdelijke vrede brengt noodzakelijkerwijs onrust des geestes voort. Daarom mist wie deze vrede heeft en liefheeft noodzakelijkerwijs de vrede.

Indien gij degenen die u kwaad doen niet benijdt, zult gij vrede met hen hebben.

Zoals alle dingen bestaan door gelijkheid en vrede, zo gaan door ongelijkheid en tweedracht alle dingen te gronde.


Hoofdstuk II. Over het nuttige onbehagen met zichzelf, en over de ootmoedige belijdenis van de zonde.

Het begin van de terugkeer tot de waarheid is een mishagen aan zichzelf in de leugen. Aan de verbetering gaat de berisping vooraf. Want men heeft geen lust te veranderen wat niet mishaagt. Omdat gij daarom altijd verandering nodig hebt, hebt gij altijd nodig aan uzelf te mishagen.

In alle zorg die gij voor uw heil draagt, is er geen plicht of geneesmiddel dat u nuttiger is dan uzelf te berispen en te verachten. Daarom is al wie dit doet uw helper. Want hij doet wat gij deedt, of had behoren te doen, om gered te worden.

Gij bevalt uzelf omdat gij niet begrijpt dat gij niets goeds van uzelf hebt. Van uzelf hebt gij niets dan het kwade. Daarom zijt gij uzelf geen dank verschuldigd. Alle kwaad komt u van uzelf toe. Daarom zijt gij grote straffen tot vergelding verschuldigd.

De weg tot God is gemakkelijk, want men gaat door zich te ontlasten; hij zou moeilijk zijn als men ging door zich te belasten. Ontlast u daarom zozeer dat gij, na alles te hebben losgelaten, uzelf verloochent.

Wie weet dat hij waardeloos is, ontvangt berispingen kalm en ootmoedig, als waren het zijn eigen oordelen. Maar lof verwerpt hij, als zijnde niet zijn eigen oordelen.

Wanneer iemand kwaad van u spreekt, indien het niet waar is, schaadt het hem, niet u — zoals wanneer men goud drek zou noemen, welk kwaad zou het het goud doen? Indien wat van u gezegd wordt waar is, leert het u wat gij moet vermijden. Maar wie het goede spreekt baat niet degene die hij prijst, maar zichzelf. Wanneer iets goeds tot u over uzelf gezegd wordt, waarom worden geruchten verteld die gij beter kent? Berisp alleen uzelf.

Laat ieder zijn eigen ondeugden ontvluchten; want die van anderen zullen hem niet schaden. Uw kleding en uw kroon zijn een voortdurende leugen, want zij duiden aan wat ontbreekt.

Wanneer iemand treurt dat hij een diefstal heeft begaan, wegens de schande die eruit voortkwam, heeft hij geen berouw over de diefstal maar treurt hij dat hij schande op zich heeft geladen. Hij vreest het niet en acht het geen kwaad te zondigen, maar gestraft te worden. Maar voor de rechtvaardigen zijn zondigen en gestraft worden niet twee verschillende dingen. Zij beschouwen de zonde zelf als de wreedste straf, en daarom menen zij dat geen ongerechtigheid ongestraft kan blijven, omdat de ongerechtigheid der zonde zelf een grote straf is, en niets ergers iemand kan worden opgelegd. En daarom oordelen zij dat men haar boven alle kwaden moet mijden en ontvluchten, zelfs als er geen ander kwaad uit zou volgen.

Indien gij iemand moet haten, haat dan niemand zozeer als uzelf. Want niemand heeft u zoveel kwaad berokkend.

Indien niets verbeterd wordt tenzij het eerst berispt is, dan wil wie niet berispt wil worden ook niet verbeterd worden. Want er staat geschreven: „Wie de terechtwijzing haat, is dwaas” (Spr. 12,1); „Maar wie de berisping ter harte neemt, bezit verstand” (Spr. 15,32).

Over de belijdenis.

Er had voor de tollenaar geen terugkeer tot het heil kunnen zijn, tenzij hij ootmoedig had beleden wat de Farizeeër hem hoogmoedig voor de voeten wierp.

Hierin alleen zijt gij rechtvaardig: als gij erkent en verklaart dat gij om uw zonden de verdoemenis verdient. Indien gij u rechtvaardig noemt, zijt gij een leugenaar, en gij wordt veroordeeld door de Heer die de waarheid is, als zijnde Hem tegengesteld. Noem u een zondaar, opdat gij, als waarachtige, moogt instemmen met de Heer die de waarheid is, en bevrijd moogt worden.

Het is eigen aan de groten voor hen die belijden ten beste te spreken, opdat hun vergeven worde; maar aan de groteren, om ook voor hen goedgunstig te smeken die hun schuld nog niet erkennen, opdat zij die mogen erkennen, en voor hen die, hetzij uit schaamte hetzij uit liefde voor hun schuld, niet belijden, opdat zij mogen belijden.

Iedere redelijke ziel die zich wil wreken, legt een ander op wat zij voor zichzelf vreest, en verafschuwt, en als kwaad beschouwt. Maar niets grijpt zij gretiger tot wraak dan de waarheid, en geen kwaad legt zij met heviger gemoed op. Daarom verafschuwt zij niets meer dan dat de waarheid over haarzelf gesproken wordt. Want wat de tegenstander over een ander zegt, is zodanig dat, indien degene tot wie het gezegd wordt het ootmoedig erkent, hij het eeuwige heil kan verdienen. Want wie een echtbreker een echtbreker noemt, zegt hem als een kwaad wat de echtbreker zelf vrijwillig voor zijn eigen heil behoort te belijden. Laat hij het daarom gewillig ontvangen, en niet letten op de bedoeling waarmee het gezegd wordt, maar op wat hem gezegd wordt.

Wie waarlijk liefheeft niet te schijnen maar waarachtig te zijn, en waarlijk vreest niet te schijnen maar een leugenaar te zijn — zodra hij beseft dat hij gelogen heeft, spreekt hij zichzelf tegen, en geen smaad of verlies weerhoudt hem daarvan. Want de waarachtige wil liever sterven dan als leugenaar leven — indien een leugenaar al leeft, aangezien er geschreven staat: „De mond die liegt, doodt de ziel” (Wijsh. 1,11).

Dat wat gij wilt verbergen, namelijk uw zonde, veroordeel het en er zal niets meer zijn dat gij behoeft te verbergen. Want gij kunt het uitwissen, maar gij kunt het niet verbergen. Want niets is bedekt dat niet onthuld zal worden, noch verborgen dat niet bekend zal worden. Waarom verkiest gij dan liever de ziekte te verhullen dan te genezen? Zoals gij gewillig de ziekten van uw lichaam aan anderen toont opdat zij medelijden hebben, en indien zij niet willen geloven, gij u ellendig acht en de pijn toeneemt, en gij zelfs vertoornd wordt — doe evenzo met de ziekten van uw ziel.


Hoofdstuk III. Over de genietingen en lage vermaken van de vijf zintuigen.

Beschouw twee ervaringen: die van het opnemen en die van het uitstoten. Welke maakt u zaliger — wat gij door de ene ervaart, of door de andere? De eerste belast met nutteloze dingen, de tweede ontlast. Overweeg wat elk u baat. Dit is wat het betekent alles door ervaring verslonden te hebben. Geen verdere hoop blijft over. Zo is het met alle zinnelijke dingen. Zie daarom wat voor geluk al dergelijke dingen, hetzij in hoop hetzij in werkelijkheid, in u hebben voortgebracht, en denk dienovereenkomstig over de toekomst. Overdenk, zeg ik, de voorbije voorspoed, en oordeel zo over de toekomst. Alles wat gij hoopt zal vergaan. En gij — wat dan? Heb iets lief en hoop op iets dat niet voorbijgaat.

Gij wilt hout beschilderen met kleuren, hout dat door het vuur verteerd zal worden, wanneer gij wilt dat wat gij verteert schoon zij, hetzij spijzen hetzij kleding. Gij hebt kleding nodig tegen de koude, niet deze of gene kleur; zo ook voedsel tegen de honger, niet deze of gene smaak.

Dierlijk genot komt voort uit de zintuigen van het vlees; duivels genot uit alle hoogmoed, afgunst en bedrog; wijsgerig genot uit het kennen van het geschapene; engelachtig genot uit het kennen en liefhebben van God.

Die dingen onder de voorbijgaande genoegens die meer behagen zijn ook dodelijker.

Het is dezelfde of een ergere dwaasheid het soort dingen na te jagen dat gijzelf hebt gemaakt, en de ziel te neigen naar dingen die gij vernietigt, dat wil zeggen, naar smaken en andere zintuiglijke dingen.

„Hij verzamelde hen uit de gewesten” — dat wil zeggen, heilige zielen losrukkend van smaken, geuren en vleselijke aanrakingen, verzamelt Hij hen in Zichzelf.

Zo trachten de mensen waar genot of geluk te scheppen, alsof het niet bestond of geschapen kon worden, terwijl het alleen waarlijk bestaat, maar op geen enkele wijze geschapen kan worden. Dit te beproeven is zichzelf een god en geluk te maken, en te veronderstellen dat het geluk niet bestaat, en dat God niet bestaat.

Zie of alle mensen, alles overlatend waarmee zij zich bezighouden, zich geheel zouden wijden aan één enkele kleur of smaak, hoe ellendig, lelijk en dwaas zij zouden zijn. Zij zijn het evenzeer nu, wanneer zij zich bezighouden met zoveel en zo uiteenlopende hoedanigheden der dingen. Want vele schepselen, of alle schepselen tezamen, zijn niet meer onze God of ons heil dan welk enkel schepsel ook.

Wanneer wij ons verheugen in dezelfde dingen als de redeloze dieren — dat wil zeggen, in wellust als honden, in vraatzucht als varkens, en zo verder — wordt onze ziel gelijk aan hun zielen, en wij huiveren er niet voor. Toch zou ik liever het lichaam van een hond hebben dan zijn ziel. En toch, indien ons lichaam in even grote gelijkenis met het lichaam van een hond zou overgaan als onze ziel door de wellust overgaat in de gelijkenis van de ziel van een hond, wie zou ons verdragen? Wie zou niet huiveren? Het zou beter en draaglijker zijn dat ons lichaam in een beest veranderd werd terwijl de ziel in haar waardigheid bleef, dat wil zeggen, in het beeld van God, dan dat de ziel beestachtig werd terwijl het lichaam menselijk bleef. En deze verandering is des te verschrikkelijker en des te meer te beklagen naarmate de ziel het lichaam te boven gaat. Vandaar dat David zegt: „Weest niet als het paard en het muildier, die geen verstand hebben” (Ps. 31,9). Want men moet niet menen dat dit op de lichamelijke gelijkenis slaat, opdat het niet belachelijk zij.

Iets bereiden, zoals spijs of drank, alleen opdat het meer genot verschaffe, is samenwerken met de duivel tot ons verderf, en een zwaard slijpen opdat het gemakkelijker en dieper in onze ingewanden moge dringen. Want hoe meer wij ons in deze dingen verheugen, des te zwaarder en dieper worden wij gewond.


Hoofdstuk IV. Over de ijdele angsten, smarten en kwellingen van de kinderen van deze tijd, die zij oplopen door het verlangen naar en de liefde voor vergankelijke dingen.

De mens verstrikt zich gewillig in de liefde voor lichamen en ijdelheid, maar, of hij het wil of niet, wordt hij gekweld door vrees en smart over hun vernietiging, hetzij wanneer de lichamen zelf worden weggenomen, hetzij wanneer hijzelf wordt berispt. Want de liefde voor vergankelijke dingen is als een bron van nutteloze angsten, smarten en alle bezorgdheden. Daarom bevrijdt de Heer de arme uit de macht van de sterke door hem los te maken van de band der wereldse liefde. Want wie niets vergankelijks liefheeft, heeft geen plek waar hij door enige machtige gewond kan worden, en is geheel onschendbaar, omdat hij alleen onschendbare dingen liefheeft zoals zij liefgehad behoren te worden.

Indien iemand al de haren van uw hoofd zou afsnijden, zou hij u geen pijn doen, behalve wanneer hij die raakte welke nog aan de hoofdhuid vastzitten. Zo doet u niets pijn, tenzij iemand die dingen raakt die door de begeerte hun wortels in u hebben geslagen. Hoe talrijker en geliefder deze zijn, des te talrijker en heviger zullen de smarten zijn die zij voortbrengen.

Doof het verlangen geheel uit, of bereid u voor om verstoord te worden — dat wil zeggen, om te vrezen en te treuren over dingen waarover gij niet behoort te treuren.

De menselijke ziel wordt in zichzelf gekweld zolang zij gekweld kan worden, dat wil zeggen, zolang zij iets liefheeft buiten God. Want God kan zij niet tegen haar wil verliezen. Zij kan Hem verlaten, maar niet verliezen. Want niemand wordt geschaad dan door zichzelf.

Van evenveel liefden voor dingen — dingen die voor u zouden vergaan, of waarvoor gij zoudt vergaan — als de Heer u heeft bevrijd, van evenveel angsten, smarten en grieven heeft Hij u ontslagen.

Terwijl de verschijningen of gedaanten der lichamen, door wier aanhechting aan u gij bezoedeld wordt, vergaan (als lettergrepen op hun bestemde tijd, terwijl God de melodie leidt), wordt gij gekweld. Want de roest die was aangegroeid wordt afgeschraapt.

Niets is u moeizamer dan niet te zwoegen, dat wil zeggen, alle dingen te verachten waaruit moeiten voortkomen, namelijk alle veranderlijke dingen.

Zie hoe een grote menigte van uw soort zich voor de wereld heeft afgesloofd, en niet alleen bereikten zij haar niet, maar zij verloren bovendien zichzelf op de koop toe. Maar indien gij u inspant, zult gij onvergelijkelijk meer verwerven dan datgene waarvoor allen zwoegen of gezwoegd hebben.

De dwaze verstoring der ziel is zelf de ellende. Deze is bijna altijd in u, wanneer God de oorzaken van uw dood bederft — dat wil zeggen, de dingen waaraan gij u verkeerd had gehecht — opdat gij door ze los te laten moogt leven.

Gij hebt de dienstmaagd schandelijk lief, dat wil zeggen, het schepsel; daarom wordt gij zo hevig gekweld wanneer haar meester, dat is uw God, met haar doet wat Hij terecht wil.

Gij hebt u vastgeklemd aan één lettergreep van een groot lied; daarom wordt gij verstoord wanneer de allerwijste zanger voortgaat in zijn gezang. Want de lettergreep die gij alleen liefhadt wordt u ontnomen, en andere volgen op hun beurt. Want hij zingt niet voor u alleen, noch naar uw wil, maar naar de zijne. En de lettergrepen die volgen zijn u alleen daarom tegen omdat zij die ene verdrijven die gij verkeerd liefhadt.

Wat een lettergreep is in een lied, dat bekleedt ieder ding in plaats of tijd in de loop der wereld. Daarom zult gij gekweld worden omdat gij u aan lagere dingen hebt vastgeklampt, en zij gaan voorbij in hun orde als lettergrepen in een lied.

Al deze dingen die tegenslagen worden genoemd zijn geen tegenslagen dan voor de bozen, dat wil zeggen, voor hen die het schepsel liefhebben in plaats van de Schepper.

Indien die of gene persoon zich evenzeer zou inspannen voor God als hij zich inspant voor de wereld, zou zijn geboortedag als die van een martelaar worden gevierd.

Zoals koude uit ijs komt, zo dringt uit de liefde voor tijdelijke dingen nutteloze vrees de ziel binnen, te zamen met alle andere ellenden. Verwijder van u alles wat oorzaak van vrees is, zoals gij de oorzaken van koude zoudt verwijderen. Ik zeg: verwijder ze niet van hun plaats, maar uit de ziel. Want niets behoeft gevreesd te worden dan wat vermeden kan en moet worden, namelijk de zonde. En alles wat het baat te vermijden kan ook vermeden worden, met Gods hulp — dat wil zeggen, de ongerechtigheid.

Zie hoezeer gij in de macht van mensen zijt om verstoord en gekweld te worden. Zo gemakkelijk als zij u met woorden kunnen smaden, of met een gedachte of mening, zo gemakkelijk kunnen zij u verstoren. Wat dan? Indien gij hun mishaagt, wordt gij verstoord. Daarom zijt gij in hun macht. Of iemand dit doet of niet, gij zijt niettemin door de gesteldheid van uw gemoed blootgesteld. Indien gij hun mishaagt in het goede, schaadt dit hun, niet u. Werk er dan aan hun harten te veranderen, niet uw goede. Indien gij hun mishaagt in het kwade, schaadt het mishagen zelf u niet — het baat u zelfs — maar uw eigen kwaad schaadt u.

De martelaren zeggen tot God: „Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood” (Ps. 43,22); gij zegt tot allerlei nietige dingen: Om uwentwil word ik de ganse dag verstoord.

Bedwing uzelf en verzamel u van alle kanten; opdat de maalstroom der veranderlijke dingen u niet te midden daarvan aantreffe, en gij gekweld wordt.

Op welke wijze gij ook gekweld wordt, hetzij door vrees, toorn, haat of enige soort van smart, schrijf het alleen aan uzelf toe — dat wil zeggen, aan uw eigen begeerte, onwetendheid of traagheid. Maar indien iemand u wil schaden, schrijf het toe aan zijn begeerte. Uw verwonding en pijn zijn een teken van uw zonde — namelijk dat gij iets kwetsbars hebt liefgehad, God verlatend.

Wanneer de schouwspelen die gij liefhebt beschadigd worden, treurt gij. Geef daarvan uzelf en uw dwaling de schuld, omdat gij u hebt gehecht aan dingen die beschadigd kunnen worden. Want de mens is zo gewoon alle kwaad op iets anders af te wentelen, dat hij, indien hij tegen een steen stoot of door vuur gebrand wordt, de schepselen Gods zelf durft te beschuldigen en te vervloeken — schepselen die, indien zij dit niet deden, terecht als krachteloos en levenloos zouden worden verweten, in plaats van dat hij de ellende van zijn eigen zwakheid zou bewenen.

Hoewel de voedster weet dat het kleine kind zich zal verheugen bij het ontvangen van een mus, vreest zij toch ten zeerste dat het er een zal krijgen, en des te meer naarmate zij denkt dat het er meer om zal juichen. Zeker, alle mensen wensen dat zij en wie zij liefhebben zich verheugen. Waarom wenst de voedster dit dan niet alleen niet voor het kind, maar waakt zij er zelfs als tegen een groot kwaad voor? Zeker, zij wil dat het zich verheugt. Waarom ontneemt zij het dan datgene waarvan zij weet dat het er vreugde aan zal beleven? Waarom, tenzij omdat zij vooruitziet op het komende verdriet, waarvan zij weet dat deze vreugde de oorzaak is? Want zij weet stellig dat het leed dat nadien het hart van het kind zal treffen des te zwaarder zal zijn naarmate de voorafgaande vreugde heviger was, en zij meet de grootte van het toekomstige verdriet af aan de grootte van de tegenwoordige blijdschap. Wat anders beduidt deze vrouw met haar handelen dan dat al die genoegens die op klaagzangen uitlopen, als pest en vergif gemeden moeten worden? Men moet niet letten op de zoetheid die zij bezitten in het heden zolang zij duren, maar op de bitterheid die zij in ons voortbrengen wanneer zij heengaan. Zo zijn alle tijdelijke genoegens. Waarom zou ik dan niet met dezelfde vooruitziende voorzichtigheid het bezit van een wijngaard vermijden, een weide, een ruim huis, een akker; waarom niet goud en zilver, waarom niet de meningen en lofprijzingen der mensen, en andere dergelijke dingen? O, wie zal aan het afgeleefde maar toch dwaze kind — dat wil zeggen, aan het gehele mensengeslacht, verspreid over de aarde — een grote, een allerwijste voedster geven, die met zulke zorg en bezorgdheid het de genoegens ontneemt of het daarvan terughoudt, genoegens die de zaden zijn van toekomstig leed? Maar vanwaar komt zulk een groot geween en gekerm over de gehele wereld, tenzij omdat deze allerliefste en allermachtigste voedster nooit ophoudt, hetzij door haarzelf hetzij anderszins, aan het mensengeslacht de oorzaken van het leed — dat wil zeggen, de tijdelijke dingen — te ontnemen of te onthouden, zoals men een mus van een kind afneemt.


Hoofdstuk V. Over het verlangen naar, de liefde voor en het roemen in aardse en tijdelijke dingen, en hoe daardoor de ware ellende niet wordt weggenomen maar vermeerderd.

Op twee manieren kan, wanneer twee dingen gelijk zijn, het ene groter worden dan het andere: hetzij door eigen toename, hetzij door vermindering van het andere. Op deze laatste wijze verheugen alle vorsten en machten van deze wereld zich erin, of streven zij ernaar, groter te zijn dan alle anderen — namelijk door de vernedering en vermindering van anderen, niet door hun eigen verheffing of toename van lichaam of geest. Want noch hun lichamen, noch hun geesten worden op enigerlei wijze verbeterd; maar zij schijnen zichzelf te zijn vooruitgegaan en gegroeid, omdat anderen zijn afgenomen en verminderd. Maar als alles zodanig verminderd zou zijn dat het tot niets zou zijn herleid, op welke wijze zou dan uw ziel of lichaam daardoor groeien?

Zoals iemand die bakstenen wil maken een plein gereedmaakt waar hij ze ondertussen kan neerleggen — niet om daar te blijven, maar om elders heen te worden gebracht zodra zij gedroogd zijn; en dat plein is dus niet voor bepaalde bakstenen bestemd, maar gelijkelijk voor alle die gemaakt moeten worden — zo heeft God deze plaats van menselijke bewoning gemaakt om mensen te scheppen en hen elders heen over te brengen wanneer hun tijd voltooid is. En zoals een pottenbakker sommige wegneemt opdat nieuw gemaakte hun plaats innemen, zo bereidt God door de dood, als door het verplaatsen van de voorgangers, een plaats voor hen die zullen volgen. Dwaas en krankzinnig is daarom degene die zich met de liefde van zijn hart aan het plein vastklampt, en niet veeleer angstvallig overdenkt waarheen hij overgebracht zal worden. Het moet de bakstenen ook niet onrechtvaardig of hardvochtig lijken wanneer zij verplaatst worden, aangezien zij immers met dit doel daar geplaatst waren. En het zal ook alleen zo lijken aan hen die niet bedenken dat zij noodzakelijkerwijs verplaatst moeten worden, die met krankzinnige begeerte als hun eigendom opeisen wat gemeenschappelijk is en niemands bezit, maar gemeenschappelijk bestemd voor ontelbare toekomstige bewoners. Zie in dezelfde zaak nog een andere waanzin, die niet minder groot is. Want hoewel deze bakstenen bijna allemaal van dezelfde grootte zijn, is toch nauwelijks een van hen tevreden met de ruimte van slechts één; veeleer, nadat het er zoveel als het kan heeft uitgeworpen of verbrijzeld, eist ieder afzonderlijk de plaats van velen voor zichzelf alleen op.

Wat denkt gij van iemand die al zijn aandacht en tijd besteedt aan het stutten van een huis dat onmogelijk gestut kan worden met de materialen die voorhanden zijn — materialen waarmee helemaal niets gestut kan worden — of als het wel kon, de stutten zelf evenveel andere stutten nodig hebben als het huis dat erdoor gestut moet worden; en die stutten weer evenveel, en zo tot in het oneindige? Dit leven is het huis; gij zijt degene die het stut; de stutten zijn de tijdelijke dingen, die nooit in dezelfde toestand blijven, en die noch stutten noch gestut worden kunnen.

Wie om een lang leven vraagt, vraagt om een lange verzoeking. Want het leven van de mens op aarde is een beproeving (Job 7,1).

Wat God niet liefhad in zijn vrienden of verwanten — namelijk macht, adeldom, rijkdommen, eerbewijzen — bemin dat ook niet in de uwen.

Gij eet strikken, gij drinkt strikken, gij draagt strikken, gij slaapt op strikken; alles is een strik.

Gij zijt ballingen in liefde, in genot, in gehechtheid — niet in plaats. Gij zijt ballingen in het gewest van bederf, van hartstochten, van duisternis, van onwetendheid, van kwade liefden en haatgevoelens.

Hoezeer gij uzelf ook liefhebt — dat wil zeggen, dit tijdelijke leven — in dezelfde mate moet gij noodzakelijkerwijs vergankelijke dingen liefhebben, want gij kunt niet zonder hen bestaan. En omgekeerd, in dezelfde mate als gij dit leven en zijn ondersteuning veracht.

Het valt u zwaar dit of dat verloren te hebben. Zoek dan niet te verliezen. Want wie dingen liefheeft en verwerft die niet behouden kunnen worden, zoekt te verliezen.

Alle ellende ligt hierin. Iedereen heeft iets principieel lief, waarop zij altijd hun aandacht gericht houden. Maar gij — wat? Zie, allen grijpen, alsof zij een schat gevonden hebben, ieder afzonderlijke delen van de wereld en wijden zich daaraan, of anders worden zij tussen meerdere verscheurd, als een hond die tussen twee stukken vlees is geplaatst en niet weet welk hij het eerst moet benaderen, uit vrees het andere te verliezen.

Als de dingen waarin gij vertrouwt of u verheugt, aan zichzelf deden wat zij doen — zoudt gij hen als dwazen bespotten, of veeleer als verlorenen bewenen. En als allen zo krankzinnig zijn, is het dan ooit goed voor u om krankzinnig te zijn? Als gij uzelf zo onrein verdraagt, waarom dan niet ieder ander? Aan evenveel wisselvalligheden als de dingen die gij liefhebt onderworpen zijn, is ook uw geest onderworpen.

Wie liefheeft wat niet liefgehad behoort te worden, is ellendig en dwaas, zelfs als noch hijzelf, noch het beminde ooit vergaat. Want is de afgodendienaar alleen daarom ellendig, omdat hetgeen hij aanbidt zal vergaan? Dan zou hij niet ellendig zijn als het niet verging? Stellig, zolang zijn afgod standhoudt, is de aanbidder allerdiepst ellendig, al is hij ongedeerd van lichaam en vol van tijdelijke goederen.

Tegenspoeden maken u niet ellendig; zij tonen en leren u dat gij het reeds was. Maar voorspoed verblindt de ziel en bedekt en vermeerdert de ellende in plaats van haar weg te nemen.

Zie hoe de ziel door lichamelijke dingen gevangen wordt, en eenmaal gevangen, gepijnigd wordt — zoals bijvoorbeeld bij een kind. Want zij wordt gevangen bij het zien van een mus, en wanneer zij die eenmaal heeft ontvangen, is zij aan evenveel wisselvalligheden onderworpen als de mus zelf. Maar hoe veilig is zij voordat zij door zulke dingen gevangen wordt? Want de dingen die haar behagen houden haar vast, opdat zij door tegenspoeden gestraft kan worden.

Toen ons een schip was gegeven, werden wij door de winden gedragen om ons te verheugen of te bedroeven door de afwisseling van gedaanten die ons tegemoet kwamen.

Hoe zou een mens niet opscheppen of trots zijn op zijn kracht of schoonheid, wanneer hij zelfs opschept over zijn zwakte en lelijkheid? Want hij schept op als hij op een paard rijdt, of als zijn lelijkheid door fraaie kleding wordt verhuld — terwijl hij veeleer zou kunnen opscheppen als hij zelf het paard droeg door eigen kracht, of er althans geen behoefte aan had, en als hij zelf zijn kleding versierde met eigen luister, of althans hun versiering niet nodig had. Want deze dingen en dergelijke meer verkondigen zijn behoefte en lelijkheid.

Hoe graag zou een mens zijn eigen schoonheid tonen als hij die had, aangezien hij zo graag die van een ander tentoonspreidt — namelijk in kleding, hetzij van bont, hetzij van welke soort ook!

Men moet niet minder treuren om degene die zich verheugt over het verwerven van tijdelijke dingen dan om degene die treurt over het verlies ervan. Want beiden worden gekweld door een koorts, namelijk de liefde voor de wereld.


Hoofdstuk VI. Over de nutteloze en lage begeerte naar lof, roem en gunst.

Indien gij de aard en de kracht van de menselijke mening of gunst goed kende, zoudt gij er nooit ook maar in geringe mate voor werken, of u erover verheugen of bedroeven. Want zij baten degene aan wie zij worden bewezen niets — evenmin als kleuren en andere vormen, lichamen of de dingen waarin zij zich bevinden, hen ontsieren, en aan die dingen zelf noch baten noch schaden. Want wat baatte het de zon of de maan dat de heidenen hen voor goden hielden? Of wat schaadt het hun dat gij hen als schepselen erkent? En als gij hen voor drek hield, wat zou het hun schaden? Onderzoek daarom de aard en de kracht van deze dingen, evenals gij dat zoudt doen bij dit of dat kruid of stuk hout. Met Gods hulp zult gij dat gemakkelijk kunnen doen, en uit dit voorbeeld alle andere meningen en gunstbewijzen beoordelen.

Hierin erkent gij wat aan God alleen verschuldigd is: dat het, aan welk ding ook bewezen, niets baat — zoals kennis, welwillende liefde, vrees, eerbied, bewondering, enzovoorts. Want juist het feit dat zij degene aan wie zij worden bewezen niets baten, toont aan dat zij aan Hem alleen verschuldigd zijn die niets behoeft. Want als geprezen, gekend of bewonderd worden nuttig was, wie zou dan niet dagelijks arbeiders huren om hem deze dingen voortdurend te bewijzen, opdat hij zonder ophouden zou vooruitgaan? Welke moeder zou dit niet onophoudelijk aan haar kinderen schenken? Wie zou niet zijn kleding, zijn landgoederen, zijn lastdieren en zichzelf dag en nacht goed noemen, om ze door ze te prijzen beter te maken?

Daarom baten deze dingen degene aan wie zij worden bewezen niets. Maar wie ze bewijst, wordt door het bewijzen ervan slechter of beter. Als hij liefheeft, bewondert of vreest wat hij behoort, wordt hij beter; als wat hij niet behoort, wordt hij stellig slechter. En evenzo in de overige gevallen. Hoe barmhartig is daarom de Heer, die niets van ons eist tot zijn eigen voordeel, en het als een grote dienst beschouwt als wij altijd doen wat voor onszelf nuttig is.

Zoals gij de aard van wortels, kruiden en andere dingen weegt, zo weeg ook die van mening, gunst, lof en blaam.

De liefde van ieder afzonderlijk mens behoort aan allen toe. Want ieder behoort iedereen lief te hebben. Wie daarom wil dat deze liefde bij uitstek aan hemzelf wordt betoond, is een rover, en wordt daardoor schuldig tegenover allen.

Zie, vermengd met dit lichaam, waart gij al ellendig genoeg; want gij waart aan al zijn gebreken onderworpen, tot aan de beet van een vlo of een steenpuist toe. Maar dit was u niet genoeg. Gij hebt u vermengd met andere dingen als waren het lichamen — met de mening van mensen, met bewondering, liefde, eer, vrees en andere dergelijke dingen — en zoals gij door het letsel van het lichaam wordt getroffen, zo wordt gij door het letsel van deze dingen met pijn getroffen. Gijzelf hebt het hout aangebracht waardoor gij verbrand wordt. Want uw eer wordt gekwetst wanneer gij veracht wordt; en zo ook met het overige. Denk evenzo ook over de vormen van lichamen.

Door dezelfde ondeugd waarmee deze of gene u verachtte, door diezelfde ondeugd hebt gij als een vreesachtige geleden onder de verachting — namelijk door hoogmoed. En door dezelfde ondeugd waarmee hij van u afnam, door diezelfde ondeugd hebt gij geleden onder het afgenomene — namelijk door de liefde voor vergankelijke dingen.

Tenzij gij veracht al wat de mensen kunnen doen, hetzij door tegenwerking, hetzij door hulp, zult gij hun genegenheden niet kunnen verachten, dat wil zeggen hun haat of liefde; en bijgevolg ook niet hun goede of kwade meningen.

Zie hoe gij de liefde en de overige genegenheden van uw ziel verkoopt voor kleine munten, als wijn in een taverne. Let er anderzijds op hoe gij de meningen, de liefde en de overige genegenheden of bewegingen van menselijke zielen koopt voor kleine munten, als wijn in een taverne.

Deze man gaf al zijn bezittingen voor lofprijzingen; die ander, voor het genot van buik en keel. Wie van deze twee heeft het ergste gedaan? Dit weet ik niet, maar ik weet dat de een door een zwijns genot werd gedreven, de ander door een duivels genot.

Wilt gij geliefd worden door de mensen? Natuurlijk, opdat zij mij bijstaan — dat wil zeggen, dit leven van mij bijstaan. Dus omdat gij u zwak voelt, en bereid om te bezwijken voor hun geweld. Het is alsof gij zoudt zeggen: Als de mensen het willen, zal ik sterven; als zij het willen, zal ik leven. Hetgeen onwaar is. Want gij zult noodzakelijkerwijs sterven, of zij het nu willen of niet. Want wat zult gij doen om niet te sterven? Daarom wenst gij dat de mensen grote of goede dingen van u denken, opdat zij u liefhebben of vrezen. En u liefhebben of vrezen opdat zij u helpen, of u althans niet schaden. Omgekeerd vreest of verafschuwt gij dat de mensen lage of kwade dingen van u denken, opdat zij u niet haten of verachten, of u niet schaden, of u althans niet hun hulp onthouden. Maar dit alles komt voort uit de zwakte die gij hebt opgelopen door u van God te verwijderen, en u te hechten aan en te steunen op onbestendige en zwakke dingen. Want als gij hun nietigheid en zwakte niet voelde, zoudt gij er niet voor vrezen en niet erover treuren. Maar gij vreest en treurt ervoor, namelijk wanneer zij vergaan of worden weggenomen. Dus erkent gij hun nietigheid en zwakte. Daarom kunt gij volstrekt geen verontschuldiging aanvoeren voor het feit dat gij hen liefhebt of erop steunt. Toch is het werkelijk verbazingwekkend de zwakte van iets te voelen en er toch op te steunen, zijn nietigheid te kennen en het toch lief te hebben of te bewonderen. Wanneer gij daarom hierover treurt of vreest, toont gij aan dat er twee dingen in u zijn die niet te kunnen samengaan lijken — namelijk dat gij hun zwakte en nietigheid zowel kent als voelt, en toch hen liefhebt en erop steunt. Want als niet een van deze twee in u was — dat wil zeggen, als gij hen niet liefhad of hun nietigheid niet kende — zoudt gij op generlei wijze treuren om hun vergaan.


Hoofdstuk VII. Over de ware lof van de rechtvaardigen en de blaam van de goddelozen, en wie lof waardig of onwaardig is.

Wees zodanig dat gij geprezen kunt worden; want niemand wordt terecht geprezen, tenzij hij goed is, hetgeen niet het geval is bij wie belust is op lof; derhalve wordt hij niet geprezen. Wanneer gij daarom aangenaam zijt voor uw lofprijzer, zijt gij niet aangenaam voor uw eigen lofprijzer; want het zijt niet langer gij die geprezen wordt, aangezien gij zo ijdel zijt.

Wanneer er gezegd wordt „Hoe goed, hoe rechtvaardig” — dan wordt degene die zo is geprezen, niet gij die het niet zijt. Sterker nog, gij wordt niet weinig gelaakt, daar gij zo kwaad en zo onrechtvaardig zijt. Want de lof van de rechtvaardige is de blaam van de onrechtvaardige. Dus is het uw blaam, als onrechtvaardige. Wanneer gij daarom de lofprijzer van de rechtvaardige toejuicht, juicht gij uw meest waarachtige laker toe, omdat gij onrechtvaardig zijt. Want hij is niet rechtvaardig die zichzelf rechtvaardig acht — zelfs geen kind van één dag oud.

Wie zich verheugt in lofprijzingen, verliest lofprijzingen. Als gij van lof houdt, zoek dan niet geprezen te worden — dat wil zeggen, als gij geprezen wilt worden, wil dan niet geprezen worden. Want wie geprezen wil worden, kan niet waarlijk geprezen worden. Hij wordt geprezen wiens goede daden verkondigd worden. Maar wie geprezen wil worden is niet alleen leeg van alle goed, maar bovendien vol van een groot en duivels kwaad, namelijk grote aanmatiging. Derhalve wordt hij niet geprezen. De rechtvaardige daarentegen wordt altijd geprezen; blaam van hem is niet mogelijk. Want blaam is de afkeuring van het kwade; maar wat de rechtvaardige niet bezit, kan hem niet worden verweten, en daarom kan hij niet gelaakt worden. En in het algemeen geldt: alle lof van de rechtvaardigen is blaam van de onrechtvaardigen, en alle blaam van de onrechtvaardigen is ware lof van de rechtvaardigen. Maar wanneer iemand geprezen wordt om iets goeds, baat het niet de geprezene, maar de prijzende.

Iemand prijst u om uw heiligheid — hij reikt naar boven. Want wat hem behaagt, gaat u te boven, namelijk de heiligheid. Maar als gij hem niet liefhebt als iemand aan wie de heiligheid behaagt, dan reikt gij naar beneden.

Wie treurt of toornig is over het verlies van iets tijdelijks, toont juist daardoor dat hij verdiende het te verliezen. Evenzo toont wie toornig is of treurt bij het ontvangen van een belediging dat hij haar verdiende. Want hij zou evenzeer geprezen willen worden als hij niet beledigd wilde worden.

Gij hebt getreurd veracht of gering geacht te zijn; juist daardoor toont gij aan dat gij het verdiende veracht en gering geacht te worden, en dat het dus terecht geschiedde. Want als gij niet verdiende veracht en gering geacht te worden, zoudt gij het veracht of genegeerd worden nooit hebben gevreesd of betreurd. Want juist hierdoor alleen, of vooral, verdient gij het veracht en gering geacht te worden — dat gij het vreest of erover treurt. Kortom, niemand vreest voor niets geacht of veracht te worden, tenzij hij niets waard is en verachting verdient.


Hoofdstuk VIII. Over hen die geliefd en bewonderd willen worden, en hoe de mens door zulk verlangen gelijk wordt aan de duivel en zichzelf tot afgod voor anderen maakt.

Alleen hij vereert God waarlijk, die zich waarlijk tot God richt met de genegenheid van vrees, liefde, eer, eerbied en bewondering. Want dit alleen is ware en volmaakte eredienst. Daarom is wie dit aan iets anders dan God bewijst een ware afgodendienaar. En wie wil dat dit aan hemzelf bewezen wordt — wiens plaats bekleedt hij dan waarlijk, zo niet die van de duivel, die langs alle wegen tracht deze dingen van de mensen af te dwingen? En zo komen alle klachten van de mensen hierop neer: ofwel dat hun goden vergaan of hun worden ontnomen — dat wil zeggen, de schepselen aan wie zij deze ware en goddelijke eredienst bewezen — ofwel dat zulke eredienst hun niet wordt bewezen.

Zie daarom hoezeer de afgoderij nog in u en in de hele wereld heerst.

Geen enkel ding behoort als een goed geliefd te willen worden, tenzij het juist door het feit dat het geliefd wordt, zijn minnaar zalig maakt. Maar niets doet dit, behalve datgene wat geen minnaar behoeft — dat wil zeggen, waaraan het noch baat door een ander geliefd te worden, noch een ander lief te hebben. Het wreedste ding is daarom datgene wat wil dat iemand zijn aandacht, genegenheid en hoop erop vestigt, terwijl het hem zelf niet kan baten. Dit is wat de demonen doen, die willen dat de mensen zich met hun dienst bezighouden in plaats van met die van God. Roep daarom tot uw minnaars: Houdt nu op, ellendigen, mij te bewonderen, mij te vereren, of mij op welke wijze ook eer te bewijzen, want ik, ellendig als ik ben, kan noch mijzelf noch u enige hulp bieden — sterker nog, ik heb de uwe nodig.

Voor zover het in uw macht lag, hebt gij alle mensen te gronde gericht, want gij hebt uzelf tussen God en hen geplaatst, opdat zij, hun blik op u gericht hebbende en God verlaten hebbende, u alleen zouden bewonderen, aanschouwen en prijzen — en dit was volstrekt nutteloos voor u en voor hen, om niet te zeggen verderfelijk.

Niets is waardiger onder de redelijke schepselen, in het bijzonder vrome geesten; niets is lager dan het bederf van lichamen. Wanneer gij dus door de mensen bewonderd wilt worden, verblind door juist deze hoogmoed, zie dan tot welke beklagenswaardige diepten gij zijt gevallen. Zie daarom de rechtvaardigheid van God. Want gij hebt uzelf opgesteld als God — dat wil zeggen, als bewonderenswaardig voor het voortreffelijkste deel der schepping — en Hij heeft u onderworpen aan het laagste. Want gij hebt gewild en gedaan, voor zover het in u was, dat gij door alle mensen gekend, gezien, geprezen, bewonderd, vereerd, geliefd, gevreesd en geëerd zoudt worden — en dit alles is door het meest voortreffelijke deel van alle schepselen, namelijk alleen de redelijke geesten, alleen aan God verschuldigd. Daarom geschiedde het terecht dat gij, die u in de plaats van God stelde voor de waardigste delen der schepping, als uw God zoudt ontvangen wat het laagste in de schepping is; en dat gij, die door perverse toe-eigening van de meest voortreffelijken wenstet af te dwingen wat alleen aan God verschuldigd was, al wat gij zelf alleen aan God verschuldigd waart, zoudt besteden aan het laagste — dat wil zeggen, aan de bedorven kadavers van lichamen. Want al die hierboven genoemde dingen die alleen aan God verschuldigd zijn — liefde, enzovoorts — bewijst gij aan deze met heel uw hart. Terwijl gij daarom alles toe-eigent wat van God is — geprezen te worden, enzovoorts — hebt gij verloren al wat van de mens is: God te prijzen, waartoe gij geschapen zijt, enzovoorts. En omdat er boven het hoogste geen plaats is, noch beneden het laagste, terwijl gij boven het hoogste reikt, zijt gij opnieuw beneden het laagste. Want wie door iets begrensd wordt, moet er door liefde aan onderworpen zijn. Maar gij geniet van de laagste dingen. Daarom zijt gij beneden het laagste gestoten, waar in het geheel geen plaats is.

De vriendschap met deze wereld, zoals de zalige Jakobus zegt, is vijandschap jegens God. Want wie een vriend van deze wereld wil zijn, maakt zichzelf tot vijand van God (Jak. 4,4). Maar wie ook maar één vlieg in deze wereld liefheeft, moet noodzakelijkerwijs de hele wereld liefhebben. Want de hele wereld is noodzakelijk voor het ding dat hij liefheeft. Bovendien, zolang er liefde voor deze wereld is, is er vijandschap tussen God en de mensen. Wanneer gij dus door hen geliefd wilt worden, wilt gij dat zij vijanden van God worden. Toch predikt gij dat al het geschapene veracht moet worden, opdat zij met God verzoend mogen worden. Zult gij dan uzelf als enige uitzondering maken, en tot de mensen zeggen: Veracht alles omwille van God, behalve mij — zodat het enige wat de verzoening van de mensen met God verhindert, gij zoudt zijn, en dat om uwentwil alleen de vijandschap tussen God en de mensen zou voortduren, en niemand gered zou worden, aangezien zij door u lief te hebben gedwongen zouden worden de hele wereld lief te hebben als voor hen noodzakelijk? Want het is één ding de mensen in de wereld of omwille van de wereld lief te hebben, iets anders in God of omwille van God; één ding met begeerte lief te hebben, iets anders met barmhartigheid.


Hoofdstuk IX. Over de ziel die zich van God verwijdert door het genot en de liefde van tijdelijke dingen, en door demonen wordt geschonden.

Laat de tijdelijke goederen spreken: Als God ons zou genezen van de ziekte van het bederf, wat zoudt gij dan doen? Overweeg in het gebruik zelf van ons op welke wijze gij door ons beter wordt, of wat gij daarvan in de toekomst hoopt. Gij hebt ons beproefd. Wat dan? Wilt gij in ons veranderd worden, of wij in u? Wat hebt gij met ons te maken? Waarom treurt gij over ons heengaan? Wij gaven er de voorkeur aan te vergaan naar de wil van de Heer, liever dan te blijven naar uw begeerte. Wij zijn u geen dank verschuldigd voor deze liefde van u; veeleer bespotten wij u als een dwaas. Want aan wie behoren wij vooral te gehoorzamen — aan God of aan u? Zeg het, als gij durft: is niet nagenoeg uw gehele bezigheid ons te verslinden en tot bederf om te zetten?

Dit is uw nut, uw macht: dat door u ons bederf overvloedig stroomt; want gij kunt deze bezigheid van u niet laten voortduren. Dit is uw zaligheid: niet verstoken te zijn van onze vuilheid, waaraan gij gewillig bezwijkt, terwijl de duivel u daardoor bederft en schendt, niet zonder zijn eigen groot genot en vreugde over uw bedrog en uw ondergang.

Welke gedaante gij ook geniet, zij is als een echtgenoot voor uw geest. Want hij geeft eraan toe en bezwijkt ervoor; en het is niet de gedaante die zich naar u voegt, maar gij die u naar haar voegt en aan haar gelijkvormig wordt. En het beeld van diezelfde gedaante blijft ingedrukt als een afgodsbeeld in zijn tempel, waaraan gij niet een os, niet een bok, maar een redelijke ziel en een lichaam — dat wil zeggen, geheel uzelf — offert wanneer gij ervan geniet.

Zie hoe gij, als in een taverne, uw liefde als koopwaar hebt geprostituteerd, en haar naar de maat der geschenken aan de mensen uitdeelt. In deze taverne ontvangt niemand die niets geeft, of van wie niet verwacht wordt dat hij iets zal geven, ook maar iets. En toch zoudt gij niets te verkopen hebben als het u niet van boven om niet geschonken was, toen gij niets gaaft. Gij hebt daarom uw loon reeds ontvangen.

Zich van God ledigen en zich van Hem verwijderen bereidt voor op de begeerte.

Wie van u wil genieten in uzelf, verdient van u dezelfde dank als vliegen en vlooien die uw bloed zuigen.

Als deze dingen (door wier indruk op uw geest door middel van de bewondering en liefde die de eredienst vormen die alleen aan God verschuldigd is, gij bezwijkt) — als gij hen, uitgehouwen of geschilderd, in een hoek van uw huis vereerde, met bewondering of liefde of lichamelijke buiging, en het volk kwam het te weten, wat zouden zij met u doen?

De vrouw die zich van ontucht onthoudt en haar eigen man niet verlaat, alleen omdat zij geen overspeler vindt die lang genoeg blijft, vermijdt het overspel niet, maar zoekt een duurzaam overspel. Maar gij, om het kwaad op te stapelen, hebt de benen van uw geest wijd gespreid voor iedere voorbijganger, opdat gij zelfs van vluchtige overspelen zoudt genieten, aangezien gij geen duurzame of eeuwige kon hebben.

Dit is samengevat de gehele kern van de menselijke verdorvenheid: te verlaten wat beter is dan zijzelf, dat wil zeggen God; en zich te richten op wat minder is dan zijzelf, er door genot aan te kleven, dat wil zeggen tijdelijke dingen.

De mestkever vliegt over alles heen, bekijkt alle dingen, kiest niets dat schoon, heilzaam of duurzaam is; maar zodra hij stinkende mest vindt, gaat hij er onmiddellijk op zitten, terwijl hij zoveel schone dingen versmaadt. Zo ook uw ziel: vliegend met haar blik over hemel en aarde en de grote en kostbare dingen die zich daarin bevinden, hecht zij zich aan niets; en alles verachtend, omhelst zij gewillig de vele waardeloze en smerige dingen die haar te binnen komen. Bloost hierover.


Hoofdstuk X. Over de schaamteloosheid en brutaliteit van de hoererende ziel, die God vraagt haar te troosten in haar goddeloosheid.

Wanneer gij God vraagt u niet te ontnemen iets waaraan gij u begerig hebt gehecht, is het alsof een vrouw, door haar man op heterdaad van overspel betrapt, wanneer zij om vergiffenis voor haar misdaad behoorde te smeken, hem veeleer vraagt het genot van het overspel zelf niet te onderbreken.

Het is u niet genoeg van God weg te hoereren, tenzij gij Hem ook hiertoe beweegt: dat Hij de dingen vermeerdert, bewaart en schikt door wier genot gij bedorven wordt — dat wil zeggen, de gedaanten van lichamen, smaken en kleuren.

Welke vrouw is zo schaamteloos dat zij tot haar man zegt: Zoek mij die of die man om mee te slapen, want hij bevalt mij meer dan gij — anders zal ik geen rust hebben? Toch doet gij dit aan uw man, dat wil zeggen aan de Heer, wanneer gij, iets anders dan Hem liefhebbende, juist dat van Hem vraagt.

Wanneer gij tot God zegt: Geef mij dit of dat — is dit te zeggen: Geef mij iets waarmee ik U kan beledigen en van U weg hoereren. Want wanneer gij iets anders dan Hemzelf van Hem vraagt, openbaart gij Hem door uw eigen smeekbede uw schuld en uw ontucht van Hem af, en gij beseft het niet.

Het is een barmhartige wraak als de bruidegom, die zijn bruid op overspel betrapt, haar slechts die dingen ontneemt waarmee zij hoereerde. Maar hoe schaamteloos en onbeschaamd is zij, als zij dit als een onrecht opvat! Bijna de enige reden die gij hebt om te treuren is van deze soort — namelijk over uw ontucht die u is ontnomen. Daarom overtuigen juist uw smarten u van uw ontucht, zodat geen andere getuigen nodig zijn.

Zelfs de meest onbeschaamde en schaamteloze vrouw verbergt gewoonlijk voor de ogen van haar bruidegom de tranen die zij vergiet om de verliezen die haar minnaar treffen, en om de beledigingen die haar door haar vertoorndee minnaar worden aangedaan; en evenzo de beledigingen zelf, en ook haar vreugden.

Zie nu of gij althans dit jegens God doet — of gij niet openlijk voor Hem treurt over de verliezen van uw overspel, dat wil zeggen van deze wereld, en juicht over haar voorspoed. „Daarom hebt gij het voorhoofd van een hoer” (Jer. 3,3).


Hoofdstuk XI. Over de zelfonwetendheid waardoor de mens, buiten zichzelf gestort door de liefde voor aardse dingen, zichzelf niet kan beschouwen.

De armoede aan innerlijk schouwspel, dat wil zeggen aan God (niet dat Hij niet van binnen aanwezig is, maar dat Hij niet gezien wordt door u die innerlijk blind zijt), maakt dat gij gewillig uw innerlijk verlaat, of liever, dat gij niet in uzelf kunt verblijven als in duisternis, en u bezighoudt met het bewonderen van de uiterlijke gedaanten van lichamen of de meningen van mensen. Wijt het niet aan de lichamelijke gedaanten dat zij u vasthouden of verschrikken, of u op enige wijze bewegen, maar aan uw eigen blindheid en uw leegte van het hoogste goed.

Zie hoezeer gij uzelf niet kent. Want er is geen streek zo ver afgelegen en u zo onbekend, waarover gij gemakkelijker iemand die onwaarheden vertelt zoudt geloven.

Soms mishaagt het kwade zonder de beloning van het goede — bijvoorbeeld als twee mannen in één huis beiden hun eigen wil hoogmoedig willen uitoefenen: beiden willen het kwade. Als hun wil elkander mishaagt, geschiedt dit niet uit haat tegen de hoogmoed, maar uit liefde ervoor. Want deze, die zijn eigen hoogmoed liefheeft, haat die van de ander, omdat hij erdoor wordt belemmerd. Dit is een zeer verborgen strik.

Gij gedraagt u in deze wereld alsof gij hier gekomen zijt om de gedaanten van lichamen te aanschouwen en te bewonderen.

Als gij geen gebrek hadt aan innerlijke schouwspelen, zoudt gij nooit uitgaan naar de uiterlijke, of u ermee bezighouden.

Zoals in de fabel het meisje wegkwijnde bij het staren naar de zon, zo vergaat het u met de gedaanten van lichamen en de menselijke meningen, die noodzakelijkerwijs moeten vergaan.

Dit schouwspel — namelijk hoezeer uw ziel zich verheft boven of onderworpen ligt aan lichamen, hun gedaanten, menselijke meningen en gunstbewijzen — ligt in dit leven voor niemands ogen open, behalve bovenal voor die van God, en voor de uwe naar uw vermogen.

Zie hoe gij, van God afgekeerd, deze wereld zijt binnengegaan met uw mond wijd open voor alles behalve voor Hem.


Hoofdstuk XII. Over het ware nut van de mens, en hoe het nut van alle mensen één en hetzelfde is.

Zalig is hij die verkiest veilig te arbeiden. Dit is de veilige keuze en de nuttige arbeid: allen van dienst te willen zijn, op zulk een wijze dat gij voor hen zodanig wilt zijn dat zij uw hulp niet nodig hebben. Want hoe meer de mensen hun eigen voordelen schijnen na te streven, des te minder doen zij wat dienstig is. Want het eigenlijke voordeel van ieder mens is: allen van dienst te willen zijn. Maar wie verstaat dit? Daarom vindt wie zijn eigen voordeel tracht na te jagen, niet alleen geen enkel voordeel voor zichzelf, maar loopt ook grote schade aan zijn ziel op. Want terwijl hij het eigene zoekt, dat niet bestaan kan, wordt hij verstoten van het gemeenschappelijke goed, dat wil zeggen van God. Want zoals alle mensen één natuur hebben, zo ook één voordeel.

Gelukkig is ieder die niets wil dat hemzelf baat. Kan een mens dan willen wat hem niet baat of schaadt? Och, mocht gij ook maar eenmaal in uw hele leven willen wat dienstig is op de wijze waarop het gewild moet worden! O ellendig lot — niet in staat te zijn te weigeren wat schaadt!

Als gij de mensen vraagt waarom zij ellendig zijn — of zij niet willen wat hun nuttig is, of omdat zij niet hebben wat zij willen — zullen zij onmiddellijk antwoorden dat zij niet kunnen hebben wat zij willen. Maar dit is zeggen: Wij zijn verlicht, en wij weten goed wat ons nuttig is en wij hebben het lief, maar wij zijn te zwak. Hetgeen onwaar is. Want wie van alle wereldse mensen heeft iets lief dat hem beter kan maken? De mensen begeren niets dat niet geringer is dan zijzelf. En hoe kan wat beter, kostbaarder en waardiger is, verbeterd worden door wat slechter, geringer en onwaardiger is? Helaas, hoe velen zijn er die doen wat zij willen, en hoe weinigen die willen wat hun, eenmaal verkregen, waarlijk baat! En toch, wie zal de kinderen van Adam hiervan ooit kunnen overtuigen? Wanneer zal men geloven dat zij hun eigen voordeel niet liefhebben, aangezien zij bereid zijn te zweren dat zij zichzelf niets kwaads toewensen, en dat alles wat zij in zoveel arbeid verduren, zij verduren omwille van hun eigen voordeel? Het is alsof gij tot een afgodendienaar zoudt zeggen dat hij God niet vereert. Hij zou onmiddellijk opspringen, zwerend dat hij God vereert, opsommend hoeveel hij aan zijn eredienst besteedt, en zelfs met zijn vinger wijzend naar de God die hij vereert. En toch vereert hij God niet, maar behandelt, door dwaling bedrogen, iets anders als God. Zo hebben de mensen ongetwijfeld niet hun ware voordeel lief en willen zij het niet, maar wat zij in hun dwaling als hun voordeel beschouwen. En daarom denken zij dat alles wat zij voor zulk een ding doen of lijden, zij doen of lijden omwille van hun voordeel. Maar niemand wil of heeft zijn ware voordeel lief, behalve wie God liefheeft. Want Hij alleen is het gehele en enige voordeel van de menselijke natuur. Want er staat geschreven: „Wie in de liefde blijft — dat wil zeggen, wie God liefheeft — blijft in God, en God in hem” (1 Joh. 4,16). Zodanig is dan het menselijk voordeel, dat niemand het kan liefhebben tenzij wie het bezit, en het op generlei wijze gescheiden kan worden van wie het liefheeft. Daarom is juist het feit dat de mensen zeggen hun voordeel lief te hebben (want wie is niet bereid dit te bezweren?) maar het niet bezitten — juist dit feit, zeg ik, is een getuigenis dat zij iets anders liefhebben, niet hun ware voordeel. Want de mens hoeft niets anders te doen om zijn voordeel te bezitten dan het lief te hebben. Maar de mensen proberen het voortdurend te maken, alsof het niet bestond — zoals de heidenen proberen God te maken. Want als God alleen het voordeel van de mensheid is, en niemand Hem kan missen behalve wie Hem in het geheel niet liefheeft, dan hoeft dit voordeel niet gemaakt te worden, aangezien het eeuwig is, maar slechts liefgehad. Dit alleen is volstrekt de oorzaak van al onze ellende: dat wij ons voordeel niet kennen en niet liefhebben, of niet zozeer of niet op de wijze waarop het gekend en liefgehad behoort te worden.


Hoofdstuk XIII. Over de verstandige voorzichtigheid die men tot eigen voordeel moet aanwenden in iedere soort voorspoed of tegenspoed.

Zie, gij zijt bedroefd en verstoord, en gij beklaagt u over die of die persoon, dat hij u beledigende en van haat vervulde woorden heeft gesproken. Gij treurt dus, ofwel dat zulke dingen tot u zijn gezegd, ofwel dat zij met zulk een gezindheid zijn gesproken. Welnu en goed, als gij treurt om zijnentwil. Want dit baat hem niet. Maar als het om uwentwil is, dan is het verkeerd. Want niets zo heilig en goed had u zo heilig en goed gezegd kunnen worden, dat het u nuttiger zou zijn dan deze woorden zullen zijn, als gij er goed gebruik van maakt. Want of het nu goed of kwaad is, wat iemand u ook zegt of aandoet, goed of slecht, het zal voor u zijn naargelang gij er gebruik van maakt. Maar voor degene die het deed of zei, zal het zijn naargelang de wil waarmee hij het deed of zei. Want zoals de ongerechtigheid slechts tegen zichzelf liegt, niet tegen u (als gij niet instemt en als gij haar terechtwijst), zo doet en zegt al het kwade dat zij doet en zegt, zij het tegen zichzelf — dat wil zeggen, tot haar eigen verderf — als gij niet instemt maar haar godvruchtig en meelevend terechtwijst. Daarom moet gij treuren om degene die u kwaad deed of zei, niet om uzelf, aangezien zelfs het kwaad van anderen tot uw goed zal strekken, als gij er goed gebruik van maakt — en tot zoveel goed als gij er goed gebruik van maakt. Daarom zullen zij tot evenveel kwaad strekken als gij er slecht gebruik van maakt, of hetgeen u werd aangedaan of gezegd nu kwaad was of goed; want „alles werkt mee ten goede voor hen die God liefhebben” (Rom. 8,28) — dermate alles, dat zelfs het kwaad van anderen. Maar voor hen die God haten, werkt daarentegen alles mee ten kwade voor hen — dermate alles, dat zelfs het goede. Richt daarom uw gehele klacht tegen uzelf, omdat gij de dingen slecht gebruikt.

Want zelfs als hetgeen u werd aangedaan of gezegd waarlijk kwaad was, kan het voor u op generlei wijze kwaad zijn, tenzij gij er slecht gebruik van maakt; evenmin zullen goede dingen goed voor u zijn, tenzij gij er goed gebruik van hebt gemaakt.

Dit moet men altijd in het oog houden: wat er in uw ziel geschiedt; niet wat anderen doen, hetzij goed of kwaad, maar wat gij doet met hun daden — dat wil zeggen, hoe gij hun goed en kwaad gebruikt, en hoezeer gij daaruit voordeel trekt, hetzij door aan te moedigen en te helpen, hetzij door mee te lijden en te verbeteren. Want dan handelt gij goed met alle daden van de mensen, wanneer gij door geen van hun weldaden tot partijdigheid wordt verlokt, en door geen van hun euveldaden van de liefde wordt afgeschrikt. Want dan hebt gij de liefde om niet. Want het heeft geen verdienste vrede te hebben, behalve met hen die geen vrede met ons hebben.

Wat u ook overkomt, zolang uw ziel niet vervalt in de beweging van toorn, haat, droefheid of vrees, noch in hun oorzaken, zal het u in de toekomstige wereld niets schaden.

Plaats twee ballen in een zonnestraal, de ene van klei, de andere van was; hoewel het één en dezelfde straal is, kan hij toch niet hetzelfde in beide bewerken, maar handelt naar de eigenschappen van elk verschillend — de ene verhardend, de andere smeltend; want hij kan geen aarde smelten of was verharden. Zo ook wekt één soort metaal — namelijk goud — wanneer het door velen wordt aanschouwd, naar de gesteldheid van hun geest in hen verschillende bewegingen. De een wordt ontvlamd om het te grijpen, een ander om het te stelen, weer een ander om het aan de armen uit te delen. De dwaas noemt zijn bezitter zalig; de wijze betreurt zijn minnaar. Het kan in een goede geest geen kwade wil opwekken, noch in een kwade geest een goede wil; veeleer bewegen deze en alle andere gedaanten of oorzaken van lichamen of andere dingen de menselijke geesten naar de gesteldheden van die geesten. En daarom moet de gehele oorzaak van onze boosheid aan onszelf worden toegerekend, niet aan de dingen waarin wij zondigen. Zij doen ons dus niets anders dan beproeven. Want zij openbaren hoedanig wij in het verborgene waren; zij maken ons niet zo. Want hoe vast en onbeweeglijk de bruid haar bruidegom in liefde aankleeft, beproeft de blik van andere mannen. Want als zij waarlijk kuis is, wordt zij door de schoonheid van geen ander bewogen. Zo ook gij: als gij met de vasthoudendste genegenheid God aankleefde, zoudt gij door de aanblik van geen schepsel worden verlokt. Want al deze dingen beproeven hoe groot uw kuisheid jegens God is.


Hoofdstuk XIV. Over de tegenslagen van deze tijd, hoe zij verdragen moeten worden, omdat wij er heilzaam door gedwongen worden tot God terug te keren.

Zie hoe God u prikt waar gij u ook maar buiten Hem uitstrekt door begeerte naar schepselen — zoals een voedster de arm van een kind prikt die buiten de wieg is uitgestoken, opdat het niet omkomt van de kou.

Moge God u genadig zijn, opdat de voet van uw geest geen rustplaats vindt; zodat gij, o ziel, tenminste gedwongen terugkeert naar de ark, zoals de duif van Noach.

De armoede zelf, of de ontbering, dwingt ons in plaats van een tijdelijke beul om goede dingen te verlangen, en dingen die hiervan verschillen. Maar omdat wij slechts aan het tijdelijke gewend zijn en niets anders kennen, verlangen wij niet naar dingen die zeer verschillen van wat wij lijden, en wij wensen ofwel hun toorn — dat wil zeggen hun ontberingen — met enige matiging te onderbreken, als bij wijze van verzoening, voor een ogenblik, ofwel wij verkiezen dingen te ondergaan die niet zeer verschillen van deze.

O mens die pijn lijdt, wilt gij die verzachten? Ja. Tijdelijk of eeuwig? Eeuwig. Verlang dan naar het eeuwige balsem, dat wil zeggen God; want Hij heeft u geslagen opdat gij naar Hem zoudt verlangen — niet naar kruiden, niet naar verbanden.

Eén enkele koorts neemt alles weg waartegen gij strijdt — namelijk de genoegens van de vijf zintuigen. Wat rest er dan, behalve God te danken voor de geschonken overwinning? Maar gij zoekt integendeel iemand om aan te onderwerpen, de vrijheid hatend.

Welke hoop is er, als gij u gewillig neerlegt in de strikken en pijlen van de vijand, als gij ze niet alleen niet vermijdt, maar ze zelfs gaarne omhelst, en u eraan blootstelt, van het ene naar het andere vlucht? Gij beschouwt ze als geneesmiddel, als troost; gij verlangt ernaar en kunt het niet verdragen zonder ze te zijn.

Voorspoed is een strik; het mes dat deze strik doorsnijdt, is tegenspoed. Voorspoed is de kerker van de liefde tot God; de stormram die deze neerhaalt, is tegenspoed.

De tegenspoed zegt tot u: Gij streeft ernaar dat ik vertrek. Dit kunt gij stellig niet verhinderen; als gij het recht wilt, kunt gij het.

Want ik kan niet blijven terwijl de Heer de melodie leidt, aangezien ik slechts een lettergreep ben.

Als gij jegens de slechtste mensen als een lam moet zijn, hoeveel te meer dan jegens God, wanneer gij door Hem met enige gesel gecorrigeerd wordt?

Zie hoe gij als het ware in een oorlog zijt: dorst verschroeit, gij stelt er drinken tegenover; honger kwelt, gij stelt er voedsel tegenover; tegen koude, kleding of vuur; tegen ziekte, geneesmiddelen. Tegen dit alles zijn geduld en wereldverachting nodig, opdat gij niet overwonnen wordt door die andere oorlog die hieruit voortkomt — namelijk de slagorden der ondeugden.

Aangezien gij alleen door genot gevangen wordt, moet alleen het aangename vermeden worden. Daarom is de christelijke ziel nergens veilig dan in tegenspoed.

Van de dingen die gij liefhebt, heeft God roeden voor u gemaakt. Gij wordt gekweld door voorspoed te ontvluchten en in tegenspoed te rennen. Alles is een gesel behalve Hijzelf die de gesel vernietigt — zoals een zoon die de roede breekt van de vader die hem slaat.

Het lichaam, door sterkere krachten overwonnen, wordt ofwel geduwd ofwel getrokken; zo ook de wil. Maar let niet op wat het lichaam beweegt door het te overwinnen, maar op wat de geest en de wil beweegt.

Wee niet hun die het tijdelijke verloren hebben, maar hun die het geduld verloren hebben. Want geen hartstocht wordt overwonnen behalve door het geduld zelf. Want honger wordt niet bedwongen door te eten, maar gediend, evenals dorst gediend wordt door te drinken. Want deze hartstochten streven ernaar de ziel te neigen tot het genieten van uiterlijke lichamelijke vormen. Wanneer dit geschiedt, worden zij niet overwonnen maar heersen zij, doordat zij hun doel bereikt hebben — namelijk de neiging van de ziel en haar voorbereiding tot een gemakkelijker en grotere neiging.

Het enige geneesmiddel voor alle pijnen en kwellingen is de verachting van de dingen die beschadigd zijn, en de kering van de geest tot God.

Zoveel vleselijke genoegens als gij versmaadt, en hoe hevig zij ook zijn, zoveel en zo machtige strikken van de duivel vermijdt gij. Zoveel beproevingen als gij ontvlucht, vooral omwille van de waarheid, zoveel geneeskrachtige middelen versmaadt gij.


Hoofdstuk XV. Over het ware geduld, waardoor zondaars en zwakken verdragen en bemind moeten worden, terwijl vroom op hun verbetering gehoopt wordt.

Zie hoe gij het graan kunt liefhebben terwijl het nog in de halm staat — tarwe die nog gebogen is: heb zo hen lief die nog niet goed zijn. Wees jegens allen zoals de Waarheid jegens u was. Zoals Hij u verdroeg en liefhad om u beter te maken, zo verdraag en bemin ook anderen, om hen beter te maken.

Gij lastert de geneesheer door aan de zieke te wanhopen. Want zijn genezing is zo gemakkelijk als de macht en goedheid van de geneesheer in het genezen groot is.

Zie toe dat gij het werk van God niet veracht omwille van het werk van de mens. Want het werk van de mens is moord, overspel en dergelijke dingen; maar het werk van God is de mens zelf. Wie iets liefheeft, zoals een huis of iets dergelijks, heeft ook het materiaal lief waaruit het gemaakt kan worden — namelijk hout of stenen. Daarom moet ieder die de goeden liefheeft, noodzakelijkerwijs ook de slechten liefhebben, aangezien de goeden nooit uit iets anders worden gemaakt. Want waarom hebt gij niet lief datgene waaruit een engel gemaakt kan worden, als gij datgene liefhebt waaruit een beker gemaakt kan worden? Want er staat geschreven over de mensen: „Zij zullen gelijk zijn aan de engelen Gods” (Lc. 20,36).

Wat een schone kunst is het, het kwade door het goede te overwinnen; want tegengestelden worden door tegengestelden overwonnen.

Gij zijt als een doelwit geplaatst om de pijlen van de vijand af te stompen — dat wil zeggen om het kwade te vernietigen door het goede ertegenover te stellen. Gij moogt nooit kwaad met kwaad vergelden, behalve misschien op geneeskundige wijze, hetgeen dan niet langer kwaad met kwaad vergelden is, maar goed voor kwaad.

Zij die de wereld liefhebben, leren moeizaam de kunst waarmee zij bereiken of genieten wat zij liefhebben; gij wilt God bereiken, en gij veracht de kunst waarmee Hij bereikt wordt — namelijk goed voor kwaad vergelden.

Ga hier vandaan weg, of doe waarvoor gij hier geplaatst zijt — dat wil zeggen: genees en verdraag.

Deze is dwaas — dat wil zeggen de vijandige mens; die is listig — namelijk de duivel die u door hem aanvalt. Jegens deze wees zachtmoedig, om hem te bevrijden; tegen die ander, wees op uw hoede.

Gij zijt verstoord omdat ik verstoord ben; verstoord berispt gij de verstoorde. O schande! Laat de rechte de krombenige bespotten, de blanke de donkere. Ik voor mij zal mij verbeteren en dit kwaad niet meer doen. Maar wat zult gij doen met deze ondeugd van u, waardoor gij niet alleen mij niet kunt genezen, maar zelfs geen heil kunt brengen?

Waarom wilt gij die broeder wegsturen? Omdat hij vol toorn en elke ondeugd is? Laat God dan hetzelfde met u doen. Uit uw eigen mond hebt gij bewezen dat gij hem niet moet wegsturen. „Niet de gezonden hebben een geneesheer nodig, maar de zieken” (Mt. 9,12). Als gij een moeder vraagt waarom zij haar zoon verlaat, en zij antwoordt dat hij zwak en ziek is, vraag haar dan of zij zou willen dat haar zoon hetzelfde met haar deed. En wanneer zij nee zegt, voeg dan toe: Dan haat gij om een slechte reden. Zo is het ook met de geneesheer.

Laat hij die om vergiffenis vraagt, geen eiser van wraak zijn.

Als gij uzelf zo onrein verdraagt, waarom dan niet ook een ander?

Laat anderen naar Jeruzalem gaan; gij, ga tot aan het geduld of de nederigheid. Want dit is voor u de wereld uitgaan; dat is er binnengaan.

Welke gezindheid gij ook wilt dat God en de mensen jegens u hebben, hoezeer of op welke wijze gij ook misdoet — toon dezelfde gezindheid jegens anderen, hoezeer of op welke wijze zij ook overtreden.


Hoofdstuk XVI. Over de meedogende zorg en genezing van de zwakken, en hoe men met een onbedorven geest onder hen moet leven.

Een moeder die door haar zoon gekwetst is, zoekt niet zijn verwonding als wraak, omdat zij zijn leed als het hare beschouwt. Wanneer dus iemand die haar wil wreken haar zoon verwondt, moet hij niet geacht worden haar gewroken te hebben, maar het leed herhaald te hebben. Zo moet iedere christen zijn jegens alle mensen: verlangend barmhartigheid te betonen, wetend wat de zekerste oorzaken van zijn smart zijn — namelijk vergankelijke dingen.

Het is even gemakkelijk onderscheid te maken tussen uw broeder en zijn ondeugd als tussen goed en kwaad. Want wie wordt er boos bij het zien van een mens, wie wordt er verontwaardigd? Maar bij het zien van zijn ondeugd, wie ergert zich niet — tenzij iemand die zeer wijs en goed is, die weet dat dit de mens zelf meer schaadt dan wie ook, en dat hem daarom medelijden betoond moet worden?

Uw broeder is vervuld van liefde en wijsheid, en gij deelt er niet in; hij is vervuld van toorn, haat en woede, en gij kunt niet vermijden erin te delen. De krankzinnige heeft de gezonde nodig, hetzij om hem in bedwang te houden, hetzij om hem te genezen.

Datgene wat gij alleen verlangt dat God u betoont — namelijk goedheid — betoon dit aan alle mensen, hetzij door de roede, hetzij door zachtmoedigheid. Waarom bespot gij de blinden en de zwakken? Gij zijt hetzelfde; of als gij iets anders zijt, dan niet door uzelf of uit uzelf.

Overweeg, als alle mensen altijd aldus door krankzinnigheid gedreven werden, wat gij zou moeten doen. Zoudt gij daarom verstoord moeten zijn? Waarom zijt gij dan verstoord, wanneer één mens soms verstoord is? Gij zijt hem geneesmiddel verschuldigd, niet verstoring. Want hoe kan krankzinnigheid genezen worden door krankzinnig te handelen?

Waarom behagen u de kwellingen van uw eigen soort? Is het omdat het rechtvaardig is? Laat dan ook de uwe God behagen, omdat het rechtvaardig is. Maar dit oordeel levert u over aan het eeuwige vuur.

Een dwaze geneesheer die zijn eigen reputatie niet wil schaden, schrijft de zieken zelf toe wat er misgaat, ook al is het zijn eigen schuld. Zo doet gij met hen die aan u zijn toevertrouwd.

Welke gezindheid gij ook jegens alle mensen zoudt hebben als gij van hen verwijderd waart en nadacht over hun zonden en ellende — heb tenminste nu diezelfde gezindheid, wanneer gij met eigen ogen ziet dat zij te gronde gaan hetzij door blindheid, hetzij door zwakheid; want zij worden ofwel door de duivel bedrogen door middel van het tijdelijke, ofwel overwonnen.

Beef voor de ondoorgrondelijke oordelen van God over u. Want wat gij ook boven anderen zijt, gij weet niet waarom zij niet boven u waren. Wees daarom jegens hen zoals gij ziet dat zij jegens u hadden moeten zijn, als zij boven u stonden.

Uw beloning zal niet gemeten worden naar de vooruitgang van hen die onder u staan, maar naar uw verlangen en inspanning, of zij nu vooruitgaan of niet.

Wanneer gij goed hebt vastgesteld dat een mens goddeloos is, zult gij noodzakelijkerwijs over zijn zonde moeten treuren, omdat de Heer ook over de uwe treurde. Want waarom peilt gij de ziekte van de zieke, als gij bij het kennen van de ziekte niet alleen niet met hem meelijdt en hem geneest, maar hem zelfs bespot?

Wanneer gij de kwaden van anderen ziet of hoort, kijk dan in uw eigen ziel, om te beproeven hoeveel ware liefde voor de mensen erin is.

Gij moet u niet verheugen als het u overkomt beter te zijn dan anderen, maar veeleer treuren dat zij minder van het goede hebben, en dit als een tekort van uzelf beschouwen.

Trek eerst de persoon aan van degene die gij wilt oordelen of berispen, zodat gij, zoals gij zoudt inzien dat het dienstig is als gij in zijn plaats waart, zo met hem handelt. Want „met de maat waarmee gij meet, zal u gemeten worden, en met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden” (Mt. 7,2), want ook Christus heeft eerst het menselijk bestaan aangenomen alvorens te oordelen.

Gij moet er niet naar streven dat uw heren — in wier dienst gij door hun Vader, dat wil zeggen de Heer uw God, zijt aangesteld — doen wat gij wilt, maar wat hun ten goede komt. Want gij moet u buigen naar hun voordeel, niet hen naar uw wil, omdat zij u niet zijn toevertrouwd opdat gij over hen zoudt heersen, maar opdat gij hun tot nut zoudt zijn — zoals een zieke aan een geneesheer wordt toevertrouwd, niet opdat de geneesheer over hem zou heersen, maar hem veeleer zou genezen. De geneesheer is niet tegen de zieke, maar voor hem — dat wil zeggen tegen zijn ziekte — en hij vindt zijn volledige en voldoende wraak voor alles wat hij van de patiënt lijdt in de gezondheid van de patiënt. Want hij schrijft niets toe aan de mens, maar aan de ziekte zelf, en daarom is zijn volle wraak de uitdoving van de ziekte.

Vier personen werden aan twee geneesheren toevertrouwd: aan elk één gezonde en één zieke. Een beloning werd beloofd voor de zorg om de gezondheid te bewaren of te herstellen. Een van hen deed alles wat gedaan moest worden om de gezondheid van de hem toevertrouwden te bewaren of te herstellen, en toch stierven beiden. De ander deed niets van wat gedaan had moeten worden, en toch bleef de gezonde gezond en herstelde de zieke. Wie van deze twee verdient de beloning — degene wiens toevertrouwden beiden stierven, of degene wiens toevertrouwden leven en gedijen? Zonder twijfel is degene die met vrome wil deed wat gedaan behoorde te worden, niet minder lof en beloning waardig dan wanneer zij geleefd hadden en gedijd waren. En degene die weigerde te doen wat hij behoorde, is niet minder straf waardig dan wanneer zij gestorven waren.

Twee dingen maken dus een geneesheer: een goede wil en volmaakte kennis. Want allen te genezen voor wie hij zorg draagt — dit staat niet in zijn macht. Want niemand kan weten wie ongeneeslijk ziek is en wie ziek is met hoop op herstel. En daarom moet aan allen zorg worden besteed, en met alle goedheid moet de gehele kunst op een ieder worden toegepast. Want zo zullen wij bij de Vader van allen niet minder genade en beloning verdienen voor de gestorvenen dan voor de gezonden.

Bereid u voor om onder de slechten te wonen met een onbedorven geest — hetgeen engelachtig is. Maar welke roem schuilt erin dit te doen met heiligen?

Het is de deugd van engelen om te leven met de verdorvenen en niet door hun ondeugden bedorven te worden. Het is het kenmerk van de grootste geneesheren om te verblijven onder de zieken en de krankzinnigen, en niet alleen niet in het minst bedorven te worden, maar hun de gezondheid te herstellen.


Hoofdstuk XVII. Over de kracht en uitwerking van de liefde tot God en de naaste, en hoe de liefde gezocht en geschonken moet worden.

Wie geniet van enige lichamelijke vorm, schrijft wat hem goed lijkt daaraan niet aan zichzelf toe, maar aan de vorm zelf, en daarom prijst en bemint hij deze in zijn geest. Hij acht niet zichzelf goed, maar de vorm; en acht zichzelf slechts goed dankzij die vorm. Hij blijft niet in zichzelf, maar reikt naar die vorm en gaat erin over — met des te meer inspanning van de geest en beweging van de wil, naarmate hij die vorm meer bewondert en liefheeft in het genieten ervan. En daarom, als iemand die vorm verwondt of wegneemt, acht hij het onrecht niet zichzelf maar die vorm aangedaan. En omdat het zijn paradijs en zaligheid was eraan te hechten, zo is het zijn hel en ellende ervan gescheiden te worden. Wees gij evenzo jegens God.

Wanneer men een goed verlangt dat enig ander goed nodig heeft, wordt de ellende niet buitengesloten, maar wordt het gebrek opgehoopt en vermeerderd. Verlang daarom het goed dat geen ander goed nodig heeft. Maar alle dingen zijn goed door de goedheid. Daarom hebben alle dingen de goedheid nodig om goed te zijn. Maar de goedheid heeft niets nodig; want zij is goed uit zichzelf. Bemin haar daarom, en gij zult zalig zijn.

Zie wat voor soort goed het moet zijn, waarvan de laatste sporen van sporen — dat wil zeggen de tijdelijke dingen — met zoveel en zo grote gevaren van inspanningen en dwalingen door zoveel redelijke en redeloze wezens worden nagejaagd.

Gij moet u in niets verheugen, noch in uzelf noch in een ander, behalve in God.

Alle ondeugden en zonden, omdat zij gepleegd worden omwille van het schepsel — dat wil zeggen het laagste goed — zijn in strijd met de goedheid van de Schepper — dat wil zeggen het hoogste goed.

Als de wind van onze soort — dat wil zeggen de mening of de lof — zo gretig gezocht wordt, hoeveel meer moet dan het heil van onze soort — dat wil zeggen de Schepper — gezocht worden! Als het zo zoet is goed genoemd te worden dat zelfs de slechten, die niet goed willen zijn, zich hierover verheugen, hoeveel zoeter is het dan goed te zijn! En als het zo bitter en schandelijk is slecht genoemd te worden dat zelfs zij die „zich verheugen wanneer zij kwaad gedaan hebben en juichen over de slechtste dingen” (Spr. 2,14) het niet kunnen verdragen, hoeveel erger is het dan slecht te zijn!

De mens verlangt naar iets geschapens, of hecht er zich met lichamelijke zin aan vast en vergeet zichzelf — maar wanneer handelt gij zo jegens de Schepper?

De Heer beveelt u de zaligheid, dat wil zeggen de volmaakte liefde tot Hemzelf, waaruit voortvloeit niet te vrezen noch verstoord te worden — dat wil zeggen vrede en zekerheid.

Alleen de waarheid weet zich van het kwade af te keren, en alleen de liefde tot de waarheid kan dit doen. Daarom is het afkeren van het kwade geen zaak van plaats.

Bemin datgene wat gij door het te beminnen niet kunt missen — dat wil zeggen God.

Als God aanhangen uw gehele en enige goed is, dan is van Hem gescheiden te zijn uw gehele en enige kwaad, en niets anders. Dit is uw Gehenna, dit is uw hel.

Speen u nu af van deze lichamelijke vormen; laat het u beschamen niet zonder hen te kunnen bestaan. En aangezien gij ze, of gij het wilt of niet, op een dag zult verliezen, doe nu gewillig, met grote beloning of genade, wat gij op een dag niet zonder grote kwelling zult doen. Want zelfs als niemand ze u afneemt, zult gij dit leven en alles wat ertoe behoort niet verachten? Welaan, heb alles; zult gij er niet eens van alles beroofd worden? Doe daarom nu wat gij zult doen wanneer gij alles verloren hebt — dat wil zeggen, leer zonder deze dingen te leven, leer te leven en u te verheugen in de Heer.

Over de belangeloze liefde voor de naaste.

Wie allen liefheeft, zal zonder twijfel gered worden; maar wie door de mensen bemind wordt, zal niet daarom gered worden. Zoals de haat jegens u voor allen een belemmering voor het leven is, zo is de haat van allen dat voor u. Het is u daarom dienstig allen lief te hebben; en het is ook voor hen nuttig u lief te hebben.

De liefde moet om niet verlangd worden — dat wil zeggen om haar eigen zoetheid, als de zoetste nectar; zelfs als allen krankzinnig worden, mag zij voor geen enkele prijs verkocht worden. Want zij is ons nuttig en maakt ons zalig, wat anderen ook mogen doen.

Als gij liefhebt omdat gij bemind wordt, of om bemind te worden, dan hebt gij niet zozeer lief als dat gij wederliefde betoont, liefde met liefde vergeldend; gij zijt een wisselaar — gij hebt uw loon al ontvangen.

Jegens degene die u onrecht heeft aangedaan, toon u vriendelijker en vertrouwelijker; jegens degene wie gij onrecht hebt aangedaan, toon u ootmoedig en beschaamd.

Zoals gij al het goede dat mensen u bewijzen als gaven van God beschouwt, en gelooft dat alle dank aan Hem gebracht moet worden; zo moet gij al het goede dat gij de mensen bewijst, als Zijn weldaden rekenen, niet als de uwe.

Wanneer gij iemand als een vriend liefhebt, maar hem rijkdom toewenst als een goed, hebt gij de rijkdom voortreffelijker lief dan de persoon zelf. Want gij hebt hem lief als een behoeftige, maar de rijkdom als genoegzaamheid — eerder bereid het zonder hem te stellen dan zonder haar.

Hij die in zijn ongerechtigheid de goddeloze doodt omdat hij de ongerechtigheid haat en haar wil vernietigen, vergist zich. Want wanneer de goddeloze sterft in zijn ongerechtigheid, is de ongerechtigheid eeuwig. Wie daarom de ongerechtigheid haat, moet ervoor zorgen dat de goddeloze verbeterd wordt, en zo zal zijn ongerechtigheid vergaan.

„God is liefde” (1 Joh. 4,8). Wie daarom de liefde aan iemand betoont anders dan omwille van haarzelf, verkoopt God, verkoopt zijn eigen zaligheid; want het is hem niet wel tenzij wanneer hij liefheeft.

Als de liefde, en haar tekenen — dat wil zeggen blijmoedigheid, enzovoorts — u zo behagen in een ander, waarom is zij dan niet veel zoeter in uw eigen ziel?

Hij die iemand iets geeft, hetzij omdat die persoon iets gegeven heeft, hetzij omdat hij iets zal geven, heeft geen genade van God; zo is het ook met u wat betreft vrede en liefde.

Als gij zo zeer liefhebt, als gij door de liefde zelf gedwongen wordt, berisp, sla; als gij anders handelt, veroordeelt gij uzelf. Doe alles voor anderen met dezelfde gezindheid waarmee gij wilt dat God het voor u doet.

„De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest die ons geschonken is” (Rom. 5,5). Maar gij hebt noch God noch de naaste lief, tenzij omwille van tijdelijke weldaden. Daarom wordt wat in u uitgestort wordt, uitgestort door het tijdelijke, niet door de Heilige Geest. Wat zo uitgestort wordt, is niet liefde, maar begeerte.

Welnu, uw plicht is nu geen andere dan zij was vóórdat gij prior werd. Want door gebeden, smeekbeden en genegenheden deed gij wat gij nu door daden zijt gaan doen — dat wil zeggen de mensen ten goede komen. Maar de werken moeten de genegenheden zelf niet verminderen, maar prikkelen en vermeerderen.

In elke zaak waarin gij kuisheid jegens God bewaart, zult gij in diezelfde zaak ook gerechtigheid jegens uw naaste kunnen bewaren, welke bestaat in het niet begeren.

De mensen kunnen moeilijk geloven dat wat hun lastig valt, uit liefde gedaan wordt.


Hoofdstuk XVIII. Over de volmaakte gerechtigheid van de engelen, en wat het verschil is tussen hun gerechtigheid en de onze.

Wanneer iemand volmaakt van iets geniet en zichzelf vergeet, reikt hij ernaar als had hij zichzelf verlaten en veracht, niet lettend op wat er in hemzelf geschiedt maar op wat er in dat ding geschiedt — niet op hoe hij zelf is, maar op hoe het is. Daarom verachten de engelen zichzelf meer dan wij. Want zich met heel hun kracht uitstrekkend naar God, laten zij zichzelf met alle andere schepselen met heel hun aandacht achter zich; zij verwaardigen zich niet eens naar zichzelf om te kijken — zo gering achten zij zichzelf. Zichzelf met heel hun geest verachtend, en zichzelf vergetend, gaan zij geheel tot Hem, niet lettend op wat of hoedanig zij zelf zijn, maar op wat Hij is. En hoe meer zij zichzelf verachten, zich van zichzelf afwenden en zichzelf vergeten, des te meer worden zij aan Hem gelijk, en dus des te beter.

Christus leidt de engelen in de omhelzing van hun Bruidegom; ons rukt Hij los van de overspeler, dat wil zeggen van de wereld. Hen maakt Hij sterk en standvastig om van de Bruidegom te genieten; ons om het zonder de overspeler te stellen, dat wil zeggen zonder de wereld. Hen houdt Hij in aanschouwing en werkelijkheid; ons in geloof en hoop. Hun geeft Hij de volmaakte vreugde in de ware zaligheid; ons de volharding in de beproeving. Hun het zalige leven; ons, op zijn best, een kostbare dood. Hun om te leven voor zichzelf, dat wil zeggen voor God; ons om te sterven aan de wereld. Hun om zich te verheugen in hun goederen; ons om te treuren over onze kwaden. Hun vrolijke harten; ons verslagen harten. Hun gerechtigheid; ons boetedoening. Hun de voltooiing; ons het begin van het goede. Ik zweer met vertrouwen dat de engelen van God geen grotere of waardiger gave ontvangen hebben, geen kostbaarder of nuttiger, en daarom geen meer begerenswaardige, noch schonere, dan de liefde. Wie kan dit begrijpen of geloven? Want God is liefde. En daarom heeft wie iets groters of beters dan de liefde bezit, iets groters of beters dan God.


Hoofdstuk XIX. Over de ware en innerlijke schoonheid van de ziel, en waarin de ware volmaaktheid van ieder mens bestaat.

Gij ziet niets dat niet in zijn eigen soort een zekere natuurlijke schoonheid en volmaaktheid bezit. Wanneer deze op enigerlei wijze verminderd is en ontbreekt, mishaagt het u terecht — zoals wanneer gij bijvoorbeeld een mens ziet wiens neus is afgesneden, gij het onmiddellijk afkeurt. Want gij voelt aan wat hem ontbreekt voor de natuurlijke volmaaktheid van de menselijke natuur. Zo is het met alle dingen, tot aan het blad van een boom of elk willekeurig kruid. Ja, wie zou ontkennen dat de menselijke geest een zekere natuurlijke en eigen schoonheid en volmaaktheid bezit? Deze wordt, voor zover zij aanwezig is, terecht goedgekeurd; voor zover zij ontbreekt, terecht gelaakt. Overweeg daarom, met Gods hulp, hoezeer deze schoonheid en volmaaktheid in uw geest ontbreekt, en houd niet op dit gebrek af te keuren. Wat is dan de natuurlijke schoonheid van de ziel? Toegewijd te zijn aan God. En in welke mate? „Met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met al uw krachten” (Lc. 10,27). Tot dezelfde schoonheid behoort nog dat zij welwillend is jegens de naaste. In welke mate? Tot de dood toe. En als gij dit niet zijt, wiens verlies is het? Van God — in het geheel niet. Van de naaste — misschien enig. Maar het uwe — zonder twijfel het grootste. Want van natuurlijke schoonheid en volmaaktheid beroofd te worden, kan voor niets anders dan schadelijk zijn. Want als de roos zou ophouden rood te zijn, of de lelie goed te ruiken, zou het verlies mij niet gering lijken voor iemand die van zulke genoegens houdt; maar voor de roos of de lelie zelf, beroofd van hun natuurlijke en eigen schoonheid, zou het veel groter en veel grievender zijn.

De ware volmaaktheid van het redelijk schepsel is elk ding te achten naar de waarde waarmee het geacht moet worden. Want het hoger of lager achten is dwalen. Voorts is elk ding van nature ofwel boven het, ofwel naast het, ofwel beneden het. Erboven: God. Ernaast: de naaste. Eronder: al het overige. Men behoort God daarom zo hoog te achten als Hij geacht moet worden. En Hij moet zo hoog geacht worden als Hij is. Maar niemand kan Hem zo hoog achten als Hij is, tenzij hij weet hoe groot Hij is. Maar hoe groot Hij is, kan door niemand volmaakt gekend worden behalve door Hemzelf. Want zoveel als Zijn wezen het onze overtreft, zoveel overtreft Zijn zelfkennis de onze. Vandaar dat, zoals ons wezen vergeleken met het Zijne niets is, zo ook onze kennis vergeleken met Zijn zelfkennis blindheid en onwetendheid is. Daarom is alleen Zijn kennis van Zichzelf volmaakt en aan Hemzelf gelijk. Vandaar dat de Heer zegt: „Niemand kent de Vader dan de Zoon” (Mt. 11,27). Zoals daarom alleen Zijn kennis van Zichzelf volmaakt is, zo is ook alleen Zijn liefde tot Zichzelf gelijk en volledig. Want Hij alleen, omdat Hij volmaakt weet hoe groot Hij is, bemint Zichzelf volmaakt zo groot als Hij is.

Keer nu terug naar die omschrijving die ik aan het begin heb neergelegd. Want bij nauwkeuriger beschouwing blijkt zij niet op het redelijk schepsel, maar alleen op God van toepassing te zijn. Want — om het overige te laten rusten — zoals aangetoond is, kent en bemint niemand behalve Hijzelf Zichzelf ten volle zo groot als Hij is. Wat is dan de volmaaktheid van het redelijk schepsel? Zij is dit: alle dingen — zowel wat erboven is, dat wil zeggen God; wat gelijk is, dat wil zeggen de naaste; als wat eronder is, dat wil zeggen redeloze geesten, enzovoorts — te achten op de waarde waartegen zij door een redelijk schepsel geacht moeten worden. Hoe zij geacht moeten worden, leid aldus af: Niets wordt boven God gesteld, niets aan Hem gelijkgesteld, niets vergeleken als een helft, een derde, of welk deel ook tot in het oneindige. Laat daarom niets hoger geacht worden, niets evenveel, niets als een helft of welk deel ook tot in het oneindige. Laat niets meer, niets evenveel, niets voor enig deel in vergelijking met Hem bemind worden. Vandaar zegt de Heer zelf: „Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met al uw krachten, en met geheel uw verstand” (Lc. 10,27) — dat wil zeggen, bemin niets anders om ervan te genieten, om erop te steunen. Dit betreft hetgeen erboven is.

Wie van nature gelijk zijn — dat wil zeggen wat de natuur betreft — zijn alle mensen. Men behoort hen allen daarom even hoog te achten als zichzelf. Evenals men dus wat betreft hetgeen erboven is, dat wil zeggen God, in de liefde niets moet verkiezen boven Hem, niets gelijkstellen, niets in enig deel vergelijken, zo ook niet wat betreft het heil van enig mens; en alles wat men voor zijn eigen eeuwig heil moet doen of lijden, moet men geheel en al doen of lijden voor het eeuwig heil van welk mens ook. Vandaar zegt de Heer: „Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Dit betreft hetgeen ernaast is.

Het lagere is alles wat na de redelijke geest komt — dat wil zeggen het zintuiglijke leven, gemeenschappelijk met de dieren, en het vegetatieve leven van het lichaam, gemeenschappelijk met kruiden en bomen, en de lichamelijke substantie met haar vormen en hoedanigheden, gemeenschappelijk met metalen en stenen. Zoals men daarom niets meer moet liefhebben dan hetgeen erboven is, en niets evenveel in vergelijking ermee, zo moet men niets minder achten dan hetgeen eronder is, en niets zo gering houden, en niets in vergelijking ermee, voor welk deel ook tot in het oneindige, als waardeloos beschouwen. En dit is wat geschreven staat: „Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is” (1 Joh. 2,15). Dit betreft hetgeen eronder is.

Zo iemand zal daarom hetgeen erboven is hebben als vreugde, hetgeen gelijk is als gemeenschap, hetgeen eronder is als dienst. Hij zal toegewijd zijn jegens God, welwillend jegens de naaste, matig jegens de wereld; Gods dienaar, des mensen metgezel, de meesters der wereld. Onder God gesteld, niet verheven boven de naaste, niet onderworpen aan de wereld; het lagere richtend op het nut van het middelste, en het middelste op de eer van het hogere. Noch goddeloos, noch lasterlijk, noch heiligschennend jegens het hogere; noch hoogmoedig, noch afgunstig, noch toornig jegens het gelijke; noch razend, noch losbandig jegens het lagere. Niets ontvangend van het lagere, niets van het gelijke, maar alles van het hogere. Door het hogere beïnvloed, het lagere beïnvloedend. Door het hogere bewogen, het lagere bewegend. Door het hogere aangedaan, het lagere aandoend. Het hogere volgend, het lagere trekkend. Door die bezeten, deze bezittend. Door die in hun gelijkenis herleid, deze in zijn eigen gelijkenis herleidend.

Naar deze volmaaktheid streven wij in dit leven, hoewel wij haar slechts in het volgende ten volle zullen bereiken. Wij zullen haar dan des te voller bereiken, naarmate wij haar nu des te vuriger verlangen. Dan zal er geen beweging in de geest zijn dan van God; geen in het lichaam dan van de ziel; en zo noch in de ziel noch in het lichaam enige beweging dan van God. Er zal geen zonde zijn — dat wil zeggen verkeerheid van de wil — noch enige straf voor de zonde — namelijk bederf, pijn en dood van het vlees. De naakte geest zal de naakte waarheid aanhangen, geen woorden, geen sacramenten, geen gelijkenissen, geen voorbeelden nodig hebbend om haar te bereiken. Want daar zal „een mens zijn broeder niet onderwijzen, zeggend: Ken de Heer. Want allen van de kleinste tot de grootste zullen Mij kennen, zegt de Heer” (Jer. 31,34); want allen zullen „door God onderricht” zijn (Joh. 6,45).


Hoofdstuk XX. Over de Menswording van het Woord, en hoe Hij de voornoemde volmaaktheid op de meest volledige wijze in Zichzelf aan ons heeft getoond.

Deze deugden, of lijnen der gerechtigheid, zou de ziel ook nu in dit sterfelijk leven, als zij zeer zuiver ware, door zichzelf in de waarheid en wijsheid van God zelf aanschouwen. Zij zou ook zien niet alleen dat zij — dat wil zeggen de menselijke ziel — onsterfelijk en eeuwig zal zijn, maar ook dat haar vlees in de verrijzenis zodanig zal zijn. Want zij zou ook de verrijzenis zelf daar — dat wil zeggen in Gods Woord en Wijsheid — helder aanschouwen. Maar omdat de ziel dit niet kon vanwege haar onreinheid, werd een menselijke geest aan het Woord toegevoegd, die Gods Woord op de meest volledige wijze ontving en er geheel en al aan gelijkvormig en gelijkend werd gemaakt, en door dat Woord alleen geheel en ten volle werd beïnvloed. Zoals geschreven staat: „Leg mij als een zegel op uw hart” (Hoogl. 8,6). Zo geheel in Zijn gelijkenis herleid, zoals was in de gelijkenis van een zegel gedrukt wordt, zou zij Hem in zichzelf aan ons te aanschouwen en te kennen aanbieden.

Maar wij waren zo blind dat wij niet alleen Gods Woord niet konden zien, maar zelfs niet de menselijke ziel; en daarom werd ook een menselijk lichaam toegevoegd. Beschouw namelijk deze drie: Gods Woord, de menselijke geest, het menselijke lichaam. Als wij het eerste goed konden zien, hadden wij het tweede niet nodig. Als wij tenminste het tweede konden zien, hadden wij het derde niet nodig. Maar aangezien wij noch het eerste noch het tweede konden zien — dat wil zeggen noch Gods Woord noch de menselijke geest — werd het derde toegevoegd, namelijk het menselijke lichaam. En zo is „het Woord vlees geworden en heeft onder ons gewoond” (Joh. 1,14), in ons uiterlijke, opdat Hij ons aldus op een dag zou binnenleiden in Zijn innerlijke. Zo werd een redelijke ziel met vlees aan het Woord toegevoegd, opdat zij door dat vlees alles zou onderwijzen, doen en lijden wat voor onze onderrichting en verbetering noodzakelijk was. In haar alleen waren de dingen die wij hierboven besproken hebben op de meest volmaakte wijze aanwezig — namelijk toewijding aan God, welwillendheid jegens de naaste, matigheid jegens de wereld. Want zij stelde niets boven God, stelde niets gelijk, vergeleek niets als enig deel, zelfs niet het kleinste tot in het oneindige. Vandaar zegt Hij: „Ik doe altijd Zijn wil — dat wil zeggen die van de Vader” (Joh. 8,29). En Hij had Zijn naaste op de meest volmaakte wijze lief als Zichzelf. Want van niets wat beneden Hem was — dat wil zeggen beneden de redelijke geest — spaarde Hij iets, maar keerde alles ten nutte van de naaste: zowel het zintuiglijke leven, als het vegetatieve leven dat het vlees in stand houdt, als het vlees zelf. Want Hij doorstond de scherpste pijnen voor ons, en de dood tegen het vegetatieve leven, en verwondingen tegen het vlees zelf.

Jegens de wereld had Hij zulk een matigheid en zulk een verachting dat de Mensenzoon nergens zelfs maar Zijn hoofd kon neerleggen. Hij ontving niets van het lagere, niets van het middelste, maar alles van het hogere — dat wil zeggen van Gods Woord, waarmee Hij in eenheid van persoon verbonden was. Hij werd niet door sacramenten, niet door woorden, niet door voorbeelden onderricht, maar alleen door de tegenwoordigheid van Gods Woord, om te verstaan, en werd ontstoken om lief te hebben. Door deze ziel toonde Gods Woord en Wijsheid ons op drievoudige wijze — dat wil zeggen door sacramenten, woorden en voorbeelden — wat gedaan, wat verdragen moest worden, en door welk middel. Want de mens behoorde niemand te volgen dan God, maar kon niemand volgen dan een mens. Daarom werd de mens aangenomen, opdat hij, terwijl hij degene volgt die hij kan volgen, ook degene zou volgen die hij behoort te volgen. Evenzo kon hij aan niemand gelijkvormig worden dan aan God, naar wiens beeld hij gemaakt is; maar hij kon het niet dan aan een mens. En zo werd God mens, opdat de mens, terwijl hij gelijkvormig wordt aan de mens die hij kan volgen, ook gelijkvormig zou worden aan de God die het hem baat te volgen.