Cornelius a Lapide

Genesis IV


Inhoudsopgave


Hoofdstuk Vier

Synopsis van het hoofdstuk

Adam verwekt Kaïn en Abel. Ten tweede doodt Kaïn in vers 8 Abel, en wordt daarom door God vervloekt en wordt een vluchteling. Ten derde wordt in vers 17 het nageslacht van Kaïn opgesomd. Ten vierde verwekt Adam in vers 25 Seth, en Seth verwekt Enos.


Hoofdstuk IV: Vulgaattekst

1. En Adam kende zijn vrouw Eva: die ontving en baarde Kaïn, zeggende: Ik heb een man verworven door God. 2. En wederom baarde zij zijn broeder Abel. Nu was Abel een schaapherder, en Kaïn een landbouwer. 3. En het geschiedde na vele dagen dat Kaïn van de vruchten der aarde gaven offerde aan de Heer. 4. Abel offerde eveneens van de eerstgeborenen van zijn kudde, en van hun vet: en de Heer zag met welgevallen op Abel en op zijn gaven. 5. Maar op Kaïn en op zijn gaven sloeg Hij geen acht: en Kaïn werd zeer toornig, en zijn gelaat betrok. 6. En de Heer zeide tot hem: Waarom zijt gij toornig, en waarom is uw gelaat betrokken? 7. Indien gij wèl doet, zult gij dan niet ontvangen? maar indien kwaad, zal niet terstond de zonde voor de deur liggen? maar haar begeerte zal onder u zijn, en gij zult er over heersen. 8. En Kaïn zeide tot zijn broeder Abel: Laat ons uitgaan. En toen zij op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijn broeder Abel, en doodde hem. 9. En de Heer zeide tot Kaïn: Waar is Abel uw broeder? Hij antwoordde: Ik weet het niet. Ben ik de hoeder van mijn broeder? 10. En Hij zeide tot hem: Wat hebt gij gedaan? De stem van het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aarde. 11. Nu dan, vervloekt zult gij zijn op de aarde, die haar mond heeft geopend en het bloed van uw broeder uit uw hand heeft ontvangen. 12. Wanneer gij haar bewerkt, zal zij u haar vruchten niet meer geven: een zwerver en vluchteling zult gij zijn op de aarde. 13. En Kaïn zeide tot de Heer: Mijn ongerechtigheid is groter dan dat ik vergiffenis verdien. 14. Zie, Gij verdrijft mij heden van het aangezicht der aarde, en voor uw aanschijn zal ik mij verbergen, en ik zal een zwerver en vluchteling zijn op de aarde: ieder dus die mij vindt, zal mij doden. 15. En de Heer zeide tot hem: Neen, zo zal het niet zijn: maar wie Kaïn doodt, zal zevenvoudig gestraft worden. En de Heer stelde een teken op Kaïn, opdat niemand die hem vond hem zou doden. 16. En Kaïn ging uit van het aanschijn des Heren, en woonde als vluchteling in het land, ten oosten van Eden. 17. En Kaïn kende zijn vrouw, die ontving en baarde Henoch: en hij bouwde een stad, en noemde haar naam naar de naam van zijn zoon, Henoch. 18. En Henoch verwekte Irad, en Irad verwekte Mehujaël, en Mehujaël verwekte Metusaël, en Metusaël verwekte Lamech. 19. Die twee vrouwen nam: de naam van de ene was Ada, en de naam van de andere Sella. 20. En Ada baarde Jabal, die de vader was van hen die in tenten wonen en van herders. 21. En de naam van zijn broeder was Jubal: hij was de vader van hen die de harp en het orgel bespelen. 22. Sella baarde ook Tubalkaïn, die een hameraar en smid was in alle werken van koper en ijzer. En de zuster van Tubalkaïn was Noëma. 23. En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Sella: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech, luistert naar mijn woord: want ik heb een man gedood tot mijn verwonding, en een jongeling tot mijn kwetsing. 24. Zevenvoudige wraak zal voor Kaïn genomen worden: maar voor Lamech zeventig maal zevenvoudig. 25. Adam kende ook wederom zijn vrouw: en zij baarde een zoon, en noemde zijn naam Seth, zeggende: God heeft mij een ander zaad gegeven voor Abel, die Kaïn gedood heeft. 26. Maar ook aan Seth werd een zoon geboren, die hij Enos noemde: deze begon de naam des Heren aan te roepen.


Vers 1: Hij kende

KENDE. Met dit woord duidt de Schrift op zedige wijze de vleselijke vereniging aan; want aangezien de Hebreeën een maagd alma noemen, dat wil zeggen verborgen en onbekend voor de man, noemen zij het schenden van haar het „kennen” van haar, of het onthullen van haar schaamte, zoals blijkt uit Leviticus 18.

Sommige rabbijnen menen, samen met onze ketters, dat Adam Eva in het paradijs heeft gekend. Maar uit deze passage leren de Kerkvaders gewoonlijk het tegendeel, namelijk dat Adam en Eva in het paradijs maagd zijn gebleven. Want hier, na de verdrijving uit het paradijs, wordt voor het eerst melding gemaakt van hun vereniging: „Het huwelijk,” zegt H. Hiëronymus, boek I Tegen Jovinianus, „vult de aarde, de maagdelijkheid vult het paradijs.” Het schijnt dus dat dit de eerste voortplanting van Adam en Eva buiten het paradijs was, en bijgevolg was Kaïn hun eerstgeborene. Want de woorden van Eva bij zijn geboorte wijzen hierop: „Ik heb een man verworven door God,” alsof zij wilde zeggen: Nu heb ik voor het eerst een zoon gebaard, en ben ik moeder van een mens geworden.

Zij baarde Kaïn, zeggende: Ik heb een man verworven

Kaïn betekent in het Hebreeuws hetzelfde als „bezit,” van de wortel qanah, dat wil zeggen „ik heb verworven.” De Arabische vertaling luidt: „Ik heb een man gewonnen door God.” Daarom drijft Goropius Becanus de spot, die de naam Kaïn afleidt van de Vlaamse taal, alsof Kaïn hetzelfde zou zijn als quaet eynde, dat wil zeggen „slecht einde” of „kwade afloop.” En zo betekent Kaïn in het Hebreeuws hetzelfde als „bezit”; want een zoon is als het ware het bezit en eigendom van zijn ouders. Vandaar heeft de vader naar het natuurrecht macht over zijn zoon; vandaar worden vaders heren genoemd, Mattheüs 11,25; Sirach 23,1. Vandaar is het gekomen dat de Perzen (zoals Aristoteles getuigt in de Politica) hun kinderen als slaven gebruikten. Vandaar ook verkochten en doodden de Slaven (zoals Accursius getuigt) hun zonen naar eigen goeddunken. Eva zegt dus: „Ik heb een man verworven,” maar „door God,” alsof zij wilde zeggen: Mij is een zoon geboren, als het ware mijn bezit; maar hij is veeleer het bezit des Heren, en een erfenis mij door God geschonken. Zo H. Johannes Chrysostomus: „Niet de natuur (zegt Eva) heeft mij een kind gegeven, maar de goddelijke genade.” Zo zeide Jakob tot Esau: „Het zijn de kleinen die God mij geschonken heeft,” Genesis 33,5. Laten ouders hier leren dat kinderen gaven Gods zijn.

Torniellus oordeelt in zijn Annalen op aannemelijke wijze dat Kaïn verwekt werd onmiddellijk na de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs, namelijk in het eerste jaar van de wereld en van Adam, zowel omdat Adam en Eva geschapen werden in een volwassen gestalte geschikt voor de voortplanting; alsook omdat zij na hun zonde terstond de scherpe prikkels van de wellust en het huwelijksverlangen voelden; alsook omdat zij alleen op de wereld waren, en God door hen het menselijk geslacht terstond over de gehele aarde wilde verbreiden en vermenigvuldigen. Waaruit volgt dat Kaïn Abel doodde in het 129ste jaar van zijn leeftijd, namelijk kort voor de geboorte van Seth. Want Seth werd in dat jaar geboren, zoals blijkt uit hoofdstuk 5, vers 3. Daarom is het onwaarschijnlijk wat sommigen menen, dat Adam en Eva, treurend over hun zonde en val, zich honderd jaar onthielden van het gebruik van het huwelijk, en in het honderdste jaar samengekomen Kaïn verwekten, en kort daarna Abel; en dat zo Kaïn in het dertigste jaar van zijn leeftijd Abel doodde, en dat Adam daarom terstond Seth verwekte in de plaats van Abel, in het jaar van de wereld 130, zoals blijkt uit hoofdstuk 5, vers 3.

Dit, zeg ik, is onwaarschijnlijk: want Adam wist dat hij door God was aangesteld om de zaaier en verbreider van het menselijk geslacht te zijn; hij wist bovendien dat hij door God tot de dood was veroordeeld, en spoedig zou sterven; hij wist dat de dag van zijn dood onzeker was. Wie zou dus geloven dat hij zich honderd jaar onthield van de voortplanting en vermenigvuldiging van zijn geslacht, terwijl hij niet wist of hij honderd jaar zou leven?

Even onwaarschijnlijk en fabelachtig is het visioen dat ten onrechte aan H. Methodius de Martelaar wordt toegeschreven door Petrus Comestor in zijn Scholastieke Geschiedenis, Genesis hoofdstuk 25: namelijk dat Adam en Eva, in het vijftiende jaar van hun leeftijd en van de wereld, Kaïn en zijn zuster Calmana verwekten; en in het dertigste jaar Abel en zijn zuster Delbora verwekten; en in het jaar 130 Kaïn Abel doodde, die hun ouders honderd jaar beweenden, en na het rouwbeklag Seth verwekten in het jaar van hun leeftijd en van de wereld 230, zoals de Septuaginta het heeft. Want behalve hetgeen reeds gezegd is, is hier in de getallen bij de Septuaginta een klaarblijkelijke fout, en in plaats van 200 moet men 130 lezen, zoals de Hebreeuwse, Chaldeeuwse en Latijnse teksten het hebben.

In tropologische zin: „Kaïn wordt ‚verwerving' genoemd, omdat hij alles voor zichzelf opeiste; Abel, die alles naar God verwees (want Abel betekent volgens H. Ambrosius als het ware hab el, dat wil zeggen ‚alles aan God gevend,' namelijk die dingen die hij van Hem ontvangen had), niets voor zichzelf opeisend,” zegt H. Ambrosius, boek I Over Kaïn en Abel, hoofdstuk 1. Kaïn betekent dus de hoogmoedigen, die alles aan hun eigen bekwaamheid toeschrijven; Abel de ootmoedigen, die alles als van God de gever ontvangen erkennen. En in hoofdstuk 2: „Door Abel,” zegt hij, „wordt het christenvolk verstaan” (zoals door Kaïn de Joden, moordenaars van Christus en de Profeten) „dat God aanhangt, zoals ook David zegt: ‚Maar voor mij is het goed God aan te hangen.'” En in hoofdstuk 4 leert hij dat Kaïn het type is van de boosheid, Abel van de deugd. Het wordt dus aangeduid dat Kaïn, dat wil zeggen „de boosheid in tijd voorafgaat, maar in zwakheid veroudert. De boosheid heeft het loon van de ouderdom, maar de deugd heeft het voorrecht van de glorie, dat de onrechtvaardige gewoonlijk aan de rechtvaardige afstaat,” zoals Kaïn aan Abel week in gunst en eer bij God.

Door God

Het voorzetsel „door” is niet dat van iemand die zweert, maar van iemand die zich verheugt en de bewerker van de voortplanting erkent. In het Hebreeuws is het et Adonai. Isidorus Clarius meent dat et hier het lidwoord van de accusatief is, en vertaalt daarom: „Ik heb een man verworven, God,” alsof Eva dit in profetische geest zeide, voorziende dat Christus, die God en mens is, uit haar geboren zou worden. Maar wat heeft dit met Kaïn te maken? Want Christus is niet uit Kaïn, maar uit Seth geboren. Het woord et is hier dus geen lidwoord, maar een voorzetsel dat „met” of „voor” betekent. Vandaar vertaalt de Chaldeeër „voor de Heer,” anderen „met de Heer”; hetgeen onze vertaler in helderder zin heeft uitgedrukt door te vertalen „door de Heer,” dat wil zeggen „door God.”


Vers 2: En zij baarde wederom

EN ZIJ BAARDE WEDEROM. De rabbijnen, en onder hen Calvijn, menen dat Eva uit dezelfde ontvangenis een tweeling baarde, Kaïn en Abel, omdat hier bij Abel het woord „ontving” niet herhaald wordt, maar slechts „baarde”; waaruit zij hetzelfde uitbreiden tot andere geboorten van die tijd, en menen dat Eva en andere vrouwen aan het begin van de wereld altijd tweelingen baarden, opdat de mensen zich des te sneller zouden vermenigvuldigen. Maar deze dingen worden lichtvaardig en zonder grond beweerd; want Mozes gebruikt hier beknoptheid, en in het woord „baarde” veronderstelt en impliceert hij het woord „ontving.” Want niemand baart die niet eerst heeft ontvangen. Want de Heilige Geest beoogt hier niet de ontvangenissen, maar de geboorten en nakomelingen van de eerste mensen te vermelden.

Abel

Josephus en Eusebius verklaren Abel als „rouw,” alsof Hebel, dat wil zeggen Abel, hetzelfde zou zijn als Ebel, waarbij he in de plaats van aleph wordt gesteld; omdat Abel, de eerste der stervelingen, door zijn dood grote rouw bracht over zijn ouders, zegt Eusebius, boek 11 van de Voorbereiding, hoofdstuk 4. Maar eigenlijk betekent Abel, of zoals het in het Hebreeuws wordt gezegd Hebel, ijdelheid. Vandaar zegt Prediker: hebel habalim col hebel: „IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid.” Het schijnt dat moeder Eva de spoedige dood van Abel voorzag, of tenminste, indachtig dat zij met haar nageslacht kort tevoren tot de dood veroordeeld was, noemde zij hem Abel, dat wil zeggen „ijdelheid,” alsof zij wilde zeggen: „Alle levende mens is louter ijdelheid,” en het bezit van de mens is gelijk aan ijdelheid, omdat „de mens als een beeld (als een schaduw) voorbijgaat.” Zo Rabanus, Lipomanus en anderen.

Dat Abel maagd bleef en als maagd stierf, leren de Kerkvaders gewoonlijk tegen Calvijn; en zij leiden dit af uit het feit dat de Schrift geen melding maakt van zijn vrouw en kinderen, zoals zij de vrouw en kinderen van Kaïn vermeldt. Zo H. Hiëronymus, H. Basilius, H. Ambrosius en anderen. Vandaar werden naar Abel bepaalde ketters Abelianen of Abeloïeten genoemd, die naar het voorbeeld van Abel geen gemeenschap hadden met hun vrouwen, maar de kinderen van buren adopteerden en als hun erfgenamen aannamen, namelijk een jongen en een meisje tegelijk. Zo H. Augustinus, boek Over de ketterijen, ketterij 87, deel 6.


Vers 3: Na vele dagen

NA VELE DAGEN, dat wil zeggen na vele jaren. H. Ambrosius, boek 1 Over Kaïn, hoofdstuk 7, schrijft dit toe aan een fout: „De schuld van Kaïn is tweevoudig,” zegt hij: „de ene, dat hij na enige dagen offerde; de andere, dat hij niet van de eerstelingen offerde. Want het offer wordt zowel door snelheid als door genade aanbevolen,” enz.

Dat Kaïn offerde van de vruchten der aarde

Namelijk de mindere en geringere vruchten; want deze worden in de Schrift „vruchten der aarde” genoemd. Kaïn bewaarde dus de eerste en betere vruchten voor zichzelf; want hij wordt tegengesteld aan Abel, die God de eerstgeborenen offerde, en „van de vette stukken,” dat wil zeggen het beste en vetste van zijn kudde, omdat hij God met een onmetelijk geloof, eerbied en liefde nastreefde. Zo H. Ambrosius, boek 1 Over Kaïn en Abel, hoofdstukken 7 en 10: „Hij offerde,” zegt hij, „van de vruchten der aarde, niet de eerstelingen als eerstelingen aan God. Dit betekent de eerstelingen voor zichzelf opeisen, en God slechts het volgende aanbieden. En aangezien de ziel werkelijk boven het lichaam moet worden gesteld, als een meesteres boven een slaaf, behoren wij de eerstelingen van de ziel vóór die van het lichaam te offeren.” Hij voegt eraan toe dat Abel, als edelmoedige, dieren offerde; Kaïn, als gierigaard, slechts vruchten der aarde offerde. Eveneens zegt hij in boek 2, hoofdstuk 5, dat Abel door God boven Kaïn werd verkozen omdat hij de vettere delen van zijn kudde offerde, zoals David leert, zeggende: „Laat mijn ziel als met vet en rijkdom verzadigd worden, en: Laat uw brandoffer vet zijn; hiermee lerend dat het offer aanvaardbaar is dat vet is, dat zuiver is, en dat gevoed wordt door een zeker voedsel van geloof en toewijding, en de rijkere voeding van het hemelse woord.”

En in hoofdstuk 6: „Het nieuwe geloof derhalve van de vernieuwden, krachtig, bloeiend, groeiend in deugd; niet slap, niet vermoeid, niet door enige ouderdom verwelkt, en traag in kracht, is geschikt voor het offer, dat ontspruit met een zekere groene loot van wijsheid, en bloost met de jeugdige gloed van de goddelijke kennis.”

Dit is het devies van Abel: „Een vet offer zal ik geven; een mager zal ik niet offeren.” Daarentegen dat van Kaïn: „Ik zal het magere offeren; het vette offer zal ik niet geven.”

H. Athanasius leert, bij de tekst „Alle dingen zijn Mij overgeleverd,” dat Kaïn en Abel van hun vader Adam de godsdienst en de ritus van het offeren leerden; waaruit volgt dat Adam de allereerste was die offerde.

In zedelijke zin zegt Philo, in zijn boek Over de offers van Abel en Kaïn: „Zoals Kaïn God een offer bracht van vruchten en niet van de eerstelingen, zo zijn er velen die de eerste plaats geven aan het schepsel, en de tweede eer aan God,” bijvoorbeeld zij die het slechtste van hun oogst als tienden geven, die hun domme, lelijke, gebrekkige en luie kinderen aan het kloosterleven geven, en de mooie en begaafde aan het huwelijk.


Vers 4: De Heer zag met welgevallen op Abel

DE HEER ZAG MET WELGEVALLEN OP ABEL EN OP ZIJN GAVEN. Het eerste was de oorzaak van het tweede, want God had welgevallen aan Abels gaven omdat Abel zelf welgevallig was; want de oude offers behaagden God niet door het verrichte werk (ex opere operato), zoals het offer van de nieuwe wet, maar slechts door het werk van de offeraar (ex opere operantis). Vandaar zegt Rupertus, boek 4 Over Genesis, hoofdstuk 2, aldus: „De Apostel zegt (Hebreeën 11): ‚Door het geloof heeft Abel een voortreffelijker offer aan God gebracht dan Kaïn, waardoor hij het getuigenis verkreeg dat hij rechtvaardig was,'” enz. „‚Door het geloof,' zegt hij, ‚een voortreffelijker'; want in eredienst, of godsvrucht, bracht ieder evenveel, en daarom bracht ieder op de juiste wijze, maar hij verdeelde niet op de juiste wijze. Want Kaïn, toen hij het zijne aan God offerde, had zichzelf voor zichzelf behouden, zijn hart gevestigd in aardse begeerte. Zulk een aandeel aanvaardt God niet, maar zegt in Spreuken 23: ‚Mijn zoon, geef Mij uw hart.' Maar Abel, die eerst zijn hart en dan zijn bezit offerde, bracht een voortreffelijker offer door het geloof.” Dit geloof verklaart hij in hoofdstuk 4, waar hij leert dat Abel door dit offer het offer van Christus in de Eucharistie voorafbeeldde en vooruitliep. „Want waarlijk,” zegt hij, „het offer dat in die nacht onze Hogepriester Jezus Christus instelde, hoewel het naar het uiterlijk voorkomen brood en wijn is, is het in waarheid het Lam Gods, de eerstgeborene van alle lammeren of schapen die tot de schaapskooien des hemels behoren, tot de weiden van het paradijs.” Waarlijk H. Augustinus (of wie ook de schrijver is, want dit schijnt niet het werk van H. Augustinus te zijn), boek 1 Over de wonderen van de Heilige Schrift, hoofdstuk 3, zegt: De gerechtigheid was drievoudig in Abel: ten eerste de maagdelijkheid, door niet voort te planten; ten tweede het priesterschap, door gaven te offeren die God welgevallig waren; ten derde het martelaarschap, door zijn eigen bloed te vergieten; aan hem wordt de eer verleend de eerste voorafbeelding van de Verlosser te dragen, die maagd, martelaar en priester blijkt te zijn. En kort tevoren: „Abel,” zegt hij, „de prins van alle menselijke gerechtigheid, werd bij het allereerste begin van de wereld door het martelaarschap gegrepen, gekroond met de zegepraal van zijn bloed.” En onmiddellijk daarna: „Aan deze Abel heeft de Heer Jezus Christus het primaatschap der menselijke gerechtigheid toevertrouwd, aldus zeggende: ‚Van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharias,'” Mattheüs 23,35.

Opmerking: Voor „zag met welgevallen” is het Hebreeuws iissa, dat Symmachus vertaalt als „was verheugd”; Aquila als „ontving troost”; de Chaldeeër als „ontving met welgevallen.” Eigenlijk betekent iissa „blikte op,” van de wortel sha'a; maar als men het met andere klinkers leest als iasca, betekent het „was verheugd,” van de wortel sha'a met dubbele ayin, en zo lazen het Symmachus en Aquila.

Men kan vragen: door welk teken verklaarde God dat Hij behagen had in de gaven van Abel, maar niet in die van Kaïn? Ik antwoord: De Kerkvaders houden gewoonlijk dat God dit verklaarde door vuur dat uit de hemel werd gezonden op het offer van Abel, maar niet op dat van Kaïn: want dit vuur verteerde en verslond het offer van Abel, maar liet het offer van Kaïn onaangeroerd.

Luther en Calvijn bespotten dit als Joodse fabels. Maar hetzelfde wordt bevestigd en overgeleverd door H. Hiëronymus, Procopius, H. Cyrillus hier, H. Johannes Chrysostomus, Theophylactus, Oecumenius bij Hebreeën 11,4, en H. Cyprianus, preek Over de geboorte des Heren. Vandaar vertaalt ook Theodotion: „en de Heer zond vuur op Abel en zijn offer, maar niet op Kaïn.” Want door ditzelfde teken van vuur en verbranding van het slachtoffer pleegt God offers goed te keuren en te aanvaarden, zoals die van Gideon, Rechters 6,11; Manoach, Rechters 13,20; Aäron, Leviticus 9,24; Elia, 1 Koningen 18,38; David, 1 Kronieken 21,26; Salomo, 2 Kronieken 7,1; Nehemia, 2 Makkabeeën 1,32.


Vers 5: Maar op Kaïn

MAAR OP KAÏN EN OP ZIJN GAVEN SLOEG HIJ GEEN ACHT, Hij zond er geen vuur op. Zo verhaalt Nazianzenus, preek 1 Tegen Julianus, dat de twee neven van keizer Constantius, Gallus en Julianus, die een tempel wilden bouwen boven het graf van de martelaar Mammas, het werk onder elkaar verdeelden, maar het deel dat gebouwd werd door Gallus, die waarlijk vroom en gelovig was, verliep allervorspoedigst; terwijl het deel dat gebouwd werd door Julianus, die afvallige zou worden en reeds in zijn geest bedorven was, nooit kon samenhouden, omdat de aarde bevende alles als het ware verwijderde, omdat de martelaar niet geëerd wilde worden door iemand van wie hij voorzag dat diens metgezellen smaad zouden lijden; en omdat God, die de harten doorziet, het werk van Gallus aannam als het offer van Abel, maar het werk van Julianus verwierp als het offer van Kaïn, zegt Nazianzenus. Schitterend zegt H. Cyprianus in zijn verhandeling Over het gebed des Heren: „God,” zegt hij, „zag niet op de gaven van Kaïn en Abel, maar op hun harten, zodat hij die welgevallig was in zijn hart, welgevallig was in zijn gave. Abel, vreedzaam en rechtvaardig, leerde, toen hij onschuldig aan God offerde, ook anderen dat zij wanneer zij hun gave naar het altaar brengen, moeten komen met de vrees Gods, met een eenvoudig hart, met de regel der gerechtigheid, met de vrede der eendracht. Terecht werd hij, daar hij zo was in het offer aan God, daarna zelf een offer aan God, zodat hij, als eerste het martelaarschap tonend, door de glorie van zijn bloed het lijden des Heren inwijdde, hij die zowel de gerechtigheid als de vrede des Heren had bezeten.”


Vers 6: Waarom is uw gelaat betrokken

WAAROM IS UW GELAAT BETROKKEN? WAAROM kwijnt gij weg van toorn, haat en nijd tegen uw broeder, en verraadt gij uzelf met zulk een droefheid en neerslachtigheid van gelaat? Waarom begint gij met bleke, ter aarde geslagen ogen broedermoord te beramen? Zo Rupertus. Vandaar vertaalt de Arabische tekst: „zijn gelaat werd bedroefd.”


Vers 7: Indien gij wèl doet

INDIEN GIJ WÈL DOET, ZULT GIJ DAN NIET ONTVANGEN? Zowel de rust en vreugde van het geweten, als Mijn gunst, en dat Ik door een gelijk teken, namelijk vuur uit de hemel gezonden, betuig dat gij en uw offers Mij welgevallig zijn, zoals Ik het aan Abel betuigd heb — hetgeen u nu zo kwelt; en ten slotte zult gij tegenwoordige en eeuwige goederen ontvangen: want dit alles is de beloning van de deugd.

Voor „gij zult ontvangen” is het Hebreeuws se'eth, dat dragen, opheffen, meevoeren, ontvangen, en ook vergeven betekent. Vandaar vertaalt de Chaldeeër: „het zal u vergeven worden,” namelijk uw nijd en uw goddeloosheid. De Septuaginta vertaalt: „Indien gij juist offert maar niet juist verdeelt, hebt gij dan niet gezondigd? Wees stil.” Hetgeen H. Ambrosius, H. Johannes Chrysostomus en H. Augustinus aldus verklaren: Omdat in een juiste verdeling de eerste dingen boven de tweede moeten worden gesteld, de hemelse boven de aardse; maar Kaïn gaf de eerste delen aan zichzelf en de tweede aan God, en verdeelde daarom niet op de juiste wijze met God. Ten derde vertalen anderen aldus: „Indien gij wèl doet, zult gij dan niet opheffen?” — vul aan „uw gelaat,” alsof Hij wilde zeggen: Zult gij dan niet met opgericht gelaat wandelen en in vreugde en blijdschap leven? Vandaar vertaalt ook Vatablus: „Indien gij wèl doet, zal er verheffing voor u zijn,” alsof Hij wilde zeggen: Gij schijnt te treuren dat uw broeder onderscheiden en boven u verheven is; maar indien gij u toelegt op het goede, zult gij opgeheven worden als hij; maar indien gij kwaad doet, zal terstond de zonde voor de deur liggen.

Zonde

ZONDE, dat wil zeggen de straf van de zonde, die als een hond of Cerberus op de loer liggend (want dit is het Hebreeuwse robets) de deuren van de zonde belegert, als wreker van de zonde; deze zal, zodra gij kwaad doet, aan uw zijde zijn, u aanblaffen, u bijten en verscheuren. Deze hond is de worm van het geweten, de onrust en verontwaardiging van de geest, de toorn Gods die boven het hoofd van de zondaar dreigt, verdrukking, angst en alle ellende tegenwoordig en eeuwig, waarmee God de zonden straft. Vandaar vertaalt de Chaldeeër: „Uw zonde wordt bewaard tot de dag des oordeels, waarop zij aan u gewroken zal worden.”

Merk de personificatie op. De zonde wordt hier voorgesteld als een tiran die met zijn trawanten — zowel lictoren als doggen — de zondaar onophoudelijk achtervolgt. Want, zoals de Dichter zegt: „De straf volgt het hoofd van de schuldige.” En Horatius, boek 3 van de Oden, ode 3: „Zelden heeft de straf op haar mankende voet / De misdadiger die haar voorgaat in de steek gelaten.”

Want, om van andere dingen te zwijgen, het is een grote straf „dag en nacht in zijn borst een getuige te dragen, / terwijl een verborgen beul de gesel zwaait in de ziel.”

Het geweten van de misdaad is dus, zelf zijn eigen wreker, een folteraar en beul, zoals H. Johannes Chrysostomus schoon leert, preek 1 Over Lazarus. En H. Augustinus in zijn Sententiae, sententia 191: „Geen straffen,” zegt hij, „zijn zwaarder dan die van een slecht geweten, waarin wanneer God niet aanwezig is, geen troost gevonden wordt. En daarom moet een bevrijder worden aangeroepen, opdat hem die de verdrukking tot belijdenis heeft geoefend, de belijdenis tot vergiffenis moge leiden.” Zo wilde Alexander de Grote, toen hij Clitus, hem het allerdierbaarst en trouwst, in dronkenschap had gedood, onmiddellijk razend van het besef van zijn misdaad, zich de dood aandoen, maar werd door zijn mannen ervan weerhouden, zoals Seneca getuigt, brief 83. Zo zei keizer Nero, volgens Dio, na de moord op zijn moeder, dat hij achtervolgd werd door de verschijning van zijn moeder, voortgedreven door de gesels der Furiën en brandende toortsen, en nergens veilig kon verblijven. Integendeel: „geen groter schouwplaats voor de deugd dan het geweten,” zegt Cicero, Gesprekken in Tusculum 2. En Horatius in zijn Oden: „Wie rechtschapen van leven is en vrij van schuld / Heeft de werpspiesen noch de boog van de Moor niet nodig, / Noch een koker beladen met vergiftigde pijlen, / Fuscus.”

Ja, „een gerust gemoed is als een bestendig feestmaal.” Zo H. Augustinus, Tegen Secundinus, hoofdstuk 1: „Denk,” zegt hij, „over Augustinus wat gij wilt; als mijn geweten mij maar niet aanklaagt in de ogen van God.”

Maar onder u zal haar begeerte zijn, en gij zult er over heersen

Calvijn, opdat hij niet uit deze passage gedwongen worde de vrije wil te erkennen die over de zonde en de begeerlijkheid heerst, oordeelt dat het voornaamwoord „haar” verwijst naar Abel, niet naar de zonde, en dat de zin is, alsof Hij wilde zeggen: O Kaïn, wees niet afgunstig op uw jongere broeder Abel; want hij zal in uw macht blijven, en gij zult als eerstgeborene over hem heersen. Slechts H. Johannes Chrysostomus, homilie 18, begunstigt deze uitleg.

Maar er is hier geen melding van Abel gemaakt, en daarom kan het voornaamwoord „haar” niet naar Abel verwijzen, zoals H. Ambrosius leert, boek 2 Over Kaïn en Abel, hoofdstuk 7; en H. Augustinus, boek 15 van de Stad Gods, hoofdstuk 7. Vandaar vertaalt de Arabische tekst duidelijk: „in uw keuze is haar begeerte, en gij zult er over heersen.” Want de keuze is de eigenlijke daad van de vrije wil, waardoor men over zijn eigen handelingen heerst.

Men zal zeggen: Het voornaamwoord „haar” is in het Hebreeuws mannelijk; maar chattat, dat wil zeggen „zonde,” is vrouwelijk; dus kan het woord „haar” niet naar de zonde verwijzen, maar slaat op Abel.

Ik antwoord: Het Hebreeuwse chattat is niet alleen vrouwelijk, maar ook mannelijk; dit blijkt hier wanneer het zegt chattat robets, „zonde sluimerend” — want als het vrouwelijk was, had het robetsa moeten luiden. Hetzelfde blijkt uit Leviticus 16,24, chattat hu, „het is zonde,” met gebruik van „hij,” niet „zij.”

Men zal ten tweede zeggen: In het Hebreeuws staat elecha tescukato, dat wil zeggen, zoals de Septuaginta vertaalt, „tot u is haar kering.”

Ik antwoord: De zin van deze uitdrukking is: de zonde, en haar begeerte en begeerlijkheid, zal u aandrijven om ermee in te stemmen, maar op zodanige wijze dat zij zich tot u moet keren, en van u de instemming moet vragen en verkrijgen; hetgeen onze vertaler wat de zin betreft duidelijk vertaalt: „onder u zal haar begeerte zijn.” Want op dezelfde wijze zeide Hij tot Eva in hoofdstuk 3, vers 16: el ischech tsecukatesch, „tot uw man zal uw kering zijn,” hetgeen onze vertaler wat de zin betreft duidelijk vertaalt als: „gij zult onder de macht van uw man zijn.” Vandaar volgt daar, evenals hier: „en hij zal over u heersen.”

Ik zeg derhalve dat het woord „haar” verwijst naar de zonde, niet naar Abel, en de zin is, alsof Hij wilde zeggen: Gij kunt, o Kaïn, door de vrijheid van uw wil en Mijn genade die voor u bereid is, over uw begeerlijkheid en uw neiging tot nijd heersen als over een slaaf. Wat kon duidelijker ten gunste van de vrijheid van de wil gezegd worden? Vandaar vertaalt het Jeruzalemse Targum het aldus: „In uw hand heb Ik de macht over uw begeerlijkheid gegeven, en gij zult er over heersen, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.” Zo verklaren H. Ambrosius en H. Augustinus hierboven, H. Hiëronymus, Rabanus, Rupertus, Hugo, Beda, Alcuïnus en Eucherius hier; ja zelfs H. Johannes Chrysostomus leert in de aangehaalde homilie 18 openlijk dat Kaïn over zijn begeerlijkheid had kunnen heersen. Zie kardinaal Bellarminus, die deze passage, evenals alle andere, met even grote geleerdheid als degelijkheid behandelt.

En gij zult er over heersen

Gij kunt er over heersen, en daarom behoort gij het ook te doen: want indien gij het niet kunt, zou gij het ook niet verplicht zijn. Want God gebiedt de mens niet het onmogelijke.

Merk hier op hoe groot de heerschappij van de wil is, niet slechts over uiterlijke bewegingen en handelingen, maar ook over innerlijke begeerten en hartstochten. Al moogt gij de hevigste opwellingen van toorn of wellust voelen, bied er weerstand aan met uw sterke en standvastige wil, en zeg: Ik weiger ermee in te stemmen, zij mishagen mij, ik verafschuw ze; en gij zult over toorn en wellust heersen, en gij zult voor God en de mensen niet opvliegend zijn, maar een zachtmoedige bedwinger van de toorn; niet onkuis, maar een kuise overwinnaar van de wellust. Zo groot is de kracht en het gezag van de wil. „Groot,” zegt H. Johannes Chrysostomus in zijn preek Over Zacheüs, „is de kracht van de wil, die ons in staat stelt te doen wat wij willen, en niet te kunnen doen wat wij niet willen.”

Seneca zag dit in, die, om de toorn te beteugelen, onder andere geneesmiddelen dit aanreikt in boek 2 Over de toorn, hoofdstuk 12: „Niets,” zegt hij, „is zo moeilijk en zwaar dat de menselijke geest het niet kan overwinnen, en voortdurende overdenking het niet vertrouwd kan maken; en er zijn geen hartstochten zo woest en onafhankelijk dat zij niet door tucht grondig bedwongen kunnen worden. Al wat de geest zich heeft bevolen, heeft hij bereikt; sommigen zijn erin geslaagd nooit te lachen; sommigen hebben zich wijn ontzegd, anderen het vleselijk genot, weer anderen alle vocht voor hun lichaam.”

Daarom heeft een zeker heilig leraar wijs en waarachtig gezegd: „Alles wat gij met geheel uw hart, geheel uw bedoeling, geheel uw verlangen wilt, dat zijt gij zeer zeker.” Wilt gij met geheel uw hart en daadkrachtig ootmoedig zijn? Dan zijt gij door dat feit zelf werkelijk ootmoedig. Wilt gij daadkrachtig geduldig, gehoorzaam, standvastig zijn? Dan zijt gij door dat feit zelf werkelijk geduldig, gehoorzaam, standvastig. Daarom raadt hij wijs aan: „Indien gij,” zegt hij, „grote dingen niet kunt geven of doen, heb dan tenminste een grote wil, en strek die uit tot onmetelijke dingen.” Bijvoorbeeld: gij zijt arm — heb een daadkrachtige wil om de royaalste aalmoezen te geven, indien gij de middelen had, en gij zult waarlijk alleredelmoedigst en vrijgevigst zijn. Gij hebt geringe talenten, geringe krachten om de glorie van God en het heil der zielen te bevorderen: vat een daadkrachtig verlangen op, en bied God van ganser harte duizend zielen, duizend levens, duizend lichamen aan, indien gij die had; bied een onmetelijk verlangen aan om te werken en alles wat zwaar is te lijden voor Zijn liefde en het heil van velen; en God zal uw wil als de daad rekenen: want een ernstige en vastberaden wil is de bron en oorzaak van alle deugd en ondeugd, van alle verdienste en schuld.

Zo brak H. Christina, maagd en martelares, de zilveren afgodsbeelden van haar vader Urbanus, prefect van de stad Tyrus in Italië, stuk; zij verachtte zijn vleierijen met onwrikbare wil, bespotte zijn bedreigingen; noch door gesels noch door haken werd zij verscheurd om haar standvastigheid te doen wankelen; ja, een stuk van haar verscheurd vlees naar haar vader werpend, zeide zij: „Verzadig u met vlees, ellendeling — het vlees dat gij verwekt hebt; uw dochter kunt gij verslinden, maar haar zeker niet met uw goddeloosheid doen instemmen.” Vervolgens wordt zij aan raderen gebonden en met daaronder aangestoken vuur verbrand, en in een meer geworpen; spoedig, na de dood van haar vader, wordt zij door diens opvolger Dion in olie, hars en pek gekookt; daarop, geleid om het standbeeld van Apollo te aanbidden, wierp zij het omver door haar gebed. Toen Dion plotseling stierf, volgde Julianus hem op, die beval Christina in een brandende oven te werpen, maar eenmaal erin geworpen voelde zij geen letsel; hij wierp haar voor de slangen om gebeten te worden, maar de slangen, haar loslatend, vielen de tovenaar aan — die zij zelf weer tot leven wekte. Julianus beval haar borsten af te snijden, haar tong uit te snijden, en haar met pijlen te doorboren. Ten slotte door zulk een martelaarschap verteerd, vloog zij ten hemel.

Zie hoe een vastberaden wil heerst over hartstochten, folteringen, tirannen en de dood: door deze wil overwon Christina haar vader, Abel zijn broeder — niet door te strijden, maar door te lijden. Zo vermeldt haar Levensgeschiedenis, zoals uitgegeven door Surius, deel 4, 24 juli.


Vers 8: Laat ons uitgaan

LAAT ONS UITGAAN. Deze woorden zijn uit de Hebreeuwse tekst weggevallen; vandaar dat Aquila, Symmachus en Theodotion ze niet lazen, noch vertaalden. Dat zij echter voorheen in het Hebreeuws stonden, blijkt doordat de Septuagint en het Targum van Jeruzalem ze wél lazen. Vandaar erkent H. Hiëronymus dat hij dezelfde woorden in de Samaritaanse Pentateuch aantrof. Ten slotte, tenzij men die woorden leest, zal deze passage onvolledig zijn: want zij drukt niet uit wat Kaïn zei. Bovendien dat Kaïn deze woorden zei, en niet andere, blijkt uit wat erop volgde: want onmiddellijk ging Abel met Kaïn het veld in en werd door hem gedood.

Kaïn stond op tegen zijn broeder

Het Targum van Jeruzalem leert dat Kaïn op het veld begon te klagen over Gods voorzienigheid en rechtvaardigheid, en argumenteerde tegen het laatste oordeel, tegen de beloning van de goeden en de straf van de slechten. Daarentegen bevestigde Abel deze dingen, verdedigde God en berispte zijn broeder, en werd daarom door hem gedood. Hoe monsterlijk was daarom de broedermoord van Kaïn, en hoe roemrijk was het martelaarschap van Abel. Daarom zegt H. Cyprianus, Boek IV, Brief 6, terwijl hij het volk van Thibaris tot het martelaarschap aanspoort: „Laat ons navolgen, allerliefste broeders, de rechtvaardige Abel, die het martelaarschap heeft ingewijd, aangezien hij als eerste ter wille van de gerechtigheid werd gedood.”

Rivalen verweten Horatius Cocles zijn mank lopen, aan wie hij antwoordde: „Bij elke stap word ik aan mijn triomf herinnerd”; want hij alleen weerstond koning Porsena die de houten brug probeerde over te steken, en hield eigenhandig de aanval van de vijand stand totdat de brug achter hem door zijn kameraden werd afgebroken, en daar, gewond aan zijn dij, begon te hinken, zoals Livius getuigt, Boek II, Decade 1. Abel had hetzelfde tegen de broedermoordenaar Kaïn kunnen zeggen, en kan het nu nog steeds zeggen.

Sommigen achten het waarschijnlijk dat Abel omstreeks het jaar 130 van de wereld werd gedood, vanuit het feit dat in dit jaar Seth werd geboren, die zijn moeder Eva, gewend aan veelvuldig baren (jaarlijks, zegt Augustus Torniellus), spoedig in de plaats van de gedode Abel stelde; zo Pererius, Cajetanus en Torniellus in zijn Annalen, die hij, naar het voorbeeld van Baronius, van Adam tot Christus jaar voor jaar op volgorde ordende en beschreef.

Allegorisch was Abel een voorafbeelding van Christus, gedood door zijn eigen volk, de Joden. Zo Rupertus, in navolging van H. Irenaeus en Augustinus.


Vers 9: Ik weet het niet

IK WEET HET NIET: BEN IK SOMS DE HOEDER (het Arabisch heeft „wachter”) VAN MIJN BROEDER? Ambrosius, Boek II, Over Kaïn, hoofdstuk 9, merkt hier drie van zijn misdaden op. „Hij ontkent, ten eerste, alsof tegenover iemand die niet weet; hij weigert de plicht van broederlijke bewaking, alsof vrijgesteld van de natuur; hij ontwijkt de rechter, alsof vrij van wil. Waarom verwondert gij u dat hij de vroomheid niet erkende, die zijn Schepper niet erkende?”


Vers 10: De stem van het bloed

DE STEM VAN HET BLOED. In het Hebreeuws staat „de stem van de bloeden”, hetgeen de Chaldeeër met de rabbijnen ten onrechte betrekt op de zonen die Abel zou hebben gehad indien hij niet was gedood, omdat Kaïn zoveel bloed vergoot als toereikend zou zijn geweest voor velen door de voortplanting van de zonen die Abel zou hebben verwekt: daarom riepen zij met ontelbare stemmen, zij die deelgenoten van dat bloed zouden zijn geweest. Maar het is duidelijk dat deze dingen niet op het nageslacht betrekking hebben, maar op het bloed van Abel, door Kaïn vergoten. In het Hebreeuws staat „de stem van de bloeden” voor „van het bloed”, omdat de Hebreeën de doodslag, bij wijze van nadruk (om afschuw in te boezemen), „het vergieten van bloeden” noemen, dat wil zeggen, van bloed: omdat er bij een doodslag werkelijk veel bloed van een mens wordt vergoten.

H. Ambrosius schrijft fraai, Boek II, Over Kaïn, hoofdstuk 9: „Niet zijn stem (die van Abel) beschuldigt, niet zijn ziel, maar de stem van zijn bloed beschuldigt, dat gij zelf hebt vergoten: daarom beschuldigt u uw eigen daad, niet uw broeder. Evenwel is ook de aarde een getuige, die het bloed heeft ontvangen. Als uw broeder u spaart, spaart de aarde u niet; als uw broeder zwijgt, veroordeelt de aarde u. Zij is tegen u zowel getuige als rechter. Er is derhalve geen twijfel dat ook de hogere wezens (de hemelen, de zon, de maan, de sterren, Tronen, Heerschappijen, Overheden, Machten, Cherubijnen en Serafijnen) hem veroordeelden, die door de lagere dingen werd veroordeeld. Want hoe kan iemand worden vrijgesproken door dat zuivere en hemelse oordeel, die zelfs door de aarde niet kon worden vrijgesproken?”

Het roept tot Mij

Alsof Hij wilde zeggen: De schuld van uw doodslag, ja van uw broedermoord, zo vrijwillig bedreven, verschijnt voor Mij en eist van Mij snelle en verschrikkelijke wraak. Het is een prosopopeia. Zo H. Hiëronymus over Ezechiël, hoofdstuk 27. Er zijn derhalve vier gruwelijke zonden die, in de taal van de Schrift, tot de hemel roepen: ten eerste, broedermoord, zoals die van Kaïn; ten tweede, de zonde van Sodom, Genesis 19,13; ten derde, het achtergehouden loon van arbeiders, Jakobus 5,4; ten vierde, de onderdrukking van weduwen, wezen en armen, Exodus 2,23. Zie hier hoe God de verborgen doodslag van Kaïn openbaart en straft. Plutarchus heeft in zijn boek Over het uitstel van de goddelijke vergelding andere opmerkelijke voorbeelden van verborgen doodslag die ontdekt en gestraft werd.

Paus Innocentius I paste deze daad en dit woord treffend toe op keizer Arcadius en keizerin Eudoxia, omdat zij H. Johannes Chrysostomus in ballingschap hadden gedreven, en hem daar, zoals Kaïn Abel deed, door ontberingen hadden uitgeput, en daarom slingert hij de bliksem van de excommunicatie tegen hen. Hoor de brief, een zo groot Paus waardig, die Baronius aanhaalt uit Gennadius en Glycas, in het jaar des Heren 407. „De stem van het bloed van mijn broeder Johannes roept tot God tegen u, o keizer, zoals eens het bloed van de rechtvaardige Abel riep tegen de broedermoordenaar Kaïn, en het zal op alle wijzen worden gewroken. Gij hebt van zijn troon verstoten, zonder rechtspleging, de grote leraar van de gehele wereld, en samen met hem hebt gij Christus vervolgd. Noch beklaag ik mij zozeer om hem: want hij heeft zijn lot verkregen, dat wil zeggen, zijn erfdeel bij de heilige Apostelen in het koninkrijk van God en onze Heiland Jezus Christus, enz.; maar dat de gehele wereld onder de zon tot verweesd is gemaakt, door het verlies van zo'n goddelijke man door de overreding van één vrouw, die deze klucht en dit schouwspel heeft opgevoerd.” En kort daarna: „Maar de nieuwe Delila, Eudoxia, die u geleidelijk met het scheermes der verleiding heeft geschoren, heeft over zichzelf een vloek gebracht uit de mond van velen, een zwaar en ondraaglijk gewicht van zonden samenbindend, en het toevoegend aan haar eerdere zonden. Daarom schei en verwerp ik, de geringste en een zondaar, aan wie de troon van de grote Apostel Petrus is toevertrouwd, zowel u als haar van de ontvangst van de onbevlekte mysteriën van Christus.”

Van de aarde

Velen berichten dat Abel in Damascus werd gedood, en dat Damascus zo werd genoemd als ware het dam sac, dat wil zeggen „bloedzak”, omdat het het bloed van Abel dronk en opslorpte. Versta hieronder niet Damascus in Syrië, zoals H. Hiëronymus schijnt te menen: want die stad ontleende haar naam en oorsprong elders aan, zoals ik zal zeggen bij hoofdstuk 15, vers 2; maar het Damasceense veld bij Hebron, gevuld met rode aarde (die in het Hebreeuws hier Adama wordt genoemd), waar Adam verondersteld wordt te zijn geschapen en te hebben geleefd. Zo Burchardus, Adrichomius en anderen in de Beschrijving van het Heilig Land, en Abulensis over hoofdstuk 13, Vraag 138.

Gelijk aan Abel was H. Wenceslaus, koning van Bohemen en martelaar, gedood door zijn broeder Boleslaus als door een andere Kaïn, op aanstoken van hun moeder Drahomira. Want Wenceslaus, vroom en onschuldig als Abel, bestuurde zijn koninkrijk meer door vasten, gebeden, het haren kleed en andere vrome werken dan door keizerlijke macht, daarbij duidelijk dat vers zingend: „Zevenmaal daags heb ik U lof gebracht over de oordelen van Uw gerechtigheid.” Toen hij daarom op goddelijke wijze vooruit wist dat de dood hem door zijn broeder, die hem tot een gastmaal had uitgenodigd, door list werd bereid, vluchtte hij niet, maar zich met de Heilige Sacramenten versterkend, begaf hij zich naar het huis van zijn broeder; en na de broederlijke en gastvrije maaltijd werd hij de volgende nacht, terwijl hij voor de kerk bad, gedood: en een allerbehagelijkst offer voor God wordend, werd de muur van de kerk met zijn bloed besprenkeld, dat zijn moordenaars tevergeefs probeerden af te wassen en weg te vegen: want hoe vaker het werd weggeveegd, des te levendiger en bloediger verscheen het; en zo bleef het daar onuitwisbaar, als een getuigenis van zo'n grote broedermoord, roepend tot de hemel als Abel. Daarom kwamen alle medeplichtigen van zo'n groot misdrijf ellendig om: de aarde slokte hun moeder Drahomira levend op in de burcht van Praag. Boleslaus, als een andere Kaïn, werd door wondertekenen en verschrikkingen gekweld, en door keizer Otto in de oorlog aangevallen tot wraak voor de broedermoord, werd hij ten slotte door ziekte verteerd, beroofd van zowel zijn vorstendom als zijn leven. Anderen, door demonen tot waanzin gedreven, hun eigen schaduw vrezend, wierpen zich halsoverkop in de rivier. Anderen, van hun verstand beroofd, sloegen op de vlucht en werden nooit meer gezien. Anderen, door verscheidene en ernstige ziekten getroffen, door alle mensen gehaat, eindigden ellendig hun leven. Zo vermelden zijn Leven en de Annalen van Bohemen, en naar hen Aeneas Sylvius in zijn Geschiedenis van Bohemen.


Vers 11: Vervloekt zult gij zijn op de aarde

GIJ ZULT VERVLOEKT ZIJN OP DE AARDE. Zowel omdat de aarde voor u vervloekt zal zijn, en met tegenzin en spaarzaam haar vruchten zal geven aan u die haar bebouwt: zodat het een hypallage is. Het Hebreeuws heeft: „vervloekt zijt gij van de aarde”, alsof men wilde zeggen: Gij hebt de aarde met het bloed van uw broeder bezoedeld, daarom zult gij door de aarde met onvruchtbaarheid worden gestraft.


Vers 12: Zij zal u haar vruchten niet meer geven

ZIJ ZAL U HAAR VRUCHTEN NIET GEVEN — in het Hebreeuws cocha, dat wil zeggen „haar kracht”. Nu is de kracht van de aarde de overvloedige en krachtige vruchten van de aarde.

Een zwerver en vluchteling — bevreesd door een slecht geweten, en, zoals de Septuagint vertaalt, „zuchtend en bevend”, namelijk zowel naar ziel als naar lichaam, zult gij hier en daar rondzwerven. Want het Griekse to tremon, dat wil zeggen „bevend”, betrekken zij op het beven van het lichaam bij Kaïn, dat een teken was van zijn verschrikking en de verslagenheid van zijn geest.

„Wanneer gij haar bewerkt, zal zij u haar vruchten niet geven.” En omdat gij, ongeluksalig en ellendig, een zwerver en vluchteling zult zijn op de aarde, zoals volgt. Daarom waren de kaïanitische ketters zowel waanzinnig als godslasterlijk, die Kaïn vereerden en herhaaldelijk beweerden dat Abel van een zwakkere kracht was en daarom werd gedood: maar dat Kaïn van een sterkere en hemelse kracht was, evenals Esau, Korach, Judas en de Sodomieten; en zij pochten dat al dezen hun verwanten waren: want zij zeiden dat Kaïn de vader van Judas was. En zij vereerden Judas, omdat hij Christus had verraden, vooruit wetend dat door Zijn dood het mensdom verlost zou worden. Zo Epiphanius, Ketterij 38; H. Augustinus, Philastrius en anderen over de ketterij der Kaïanieten.


Vers 13: Mijn ongerechtigheid is groter

MIJN ONGERECHTIGHEID IS GROTER DAN DAT IK VERGIFFENIS ZOU VERDIENEN. Pagninus, Vatablus en Oleaster, in navolging van Aben Ezra, nemen avon, dat wil zeggen ongerechtigheid of zonde, in de zin van de straf voor de zonde, en vertalen aldus: „Mijn straf is groter dan ik kan dragen, of in staat ben te dragen.” Zo ook Athanasius aan Antiochus, Vraag 96. Waar men terloops opmerke dat deze kortere vragen niet van de grote H. Athanasius van Alexandrië zijn: want daarin worden H. Epiphanius en Gregorius van Nyssa aangehaald, die na H. Athanasius leefden; ja, de schrijver ervan haalt bij Vraag 93 H. Athanasius zelf aan, en wijkt van hem af en volgt een andere mening. Evenmin is de schrijver ervan dezelfde als Athanasius van Nicaea, die zekere uitvoerige vragen over de Heilige Schrift schreef; hoewel misschien beiden hun vragen aan dezelfde Antiochus richtten.

Maar in het algemeen nemen de Septuagint, de Chaldeeër, onze Vulgaat, en de Griekse en Latijnse Kerkvaders „zonde” hier in eigenlijke zin, en menen dat Kaïn door deze woorden wanhoopte. Vandaar luidt het Hebreeuws: gadol avoni minneso, dat wil zeggen „mijn ongerechtigheid is groter dan dat ik haar kan dragen of torsen”; ten tweede, duidelijker en beter, met de Septuagint, de Chaldeeër en onze Vulgaat, kunt gij vertalen: „Mijn ongerechtigheid is groter dan dat Hij haar drage en vergeve”, dat wil zeggen, dan dat God haar drage en vergeve. Want het Hebreeuwse neso betekent zowel „dragen” als „vergeven”, want wanneer men een ander vergeeft, verlicht men hem van een zware last; want door zijn vergrijp kwijt te schelden draagt en torst men het; want een vergrijp en zonde tegen God is een last zwaarder dan de Etna, die op de zondaar drukt. Vandaar vertaalt onze Vulgaat: „dan dat ik vergiffenis zou verdienen”, dat wil zeggen, dan dat ik door enige boetedoening vergiffenis zou kunnen verkrijgen, alsof hij wilde zeggen: Ik ben volstrekt onwaardig en niet in staat vergiffenis te ontvangen.

Vandaar dwalen met Kaïn de Novatianen en anderen ernstig, die menen dat bepaalde zonden zo zwaar zijn dat, zelfs als men berouw heeft, God ze niettemin niet kan of niet wil vergeven. Zo H. Ambrosius, Boek I, Over de boetedoening, hoofdstuk 9.

Er zijn vier dingen, zegt Hugo Cardinalis, die de zonde verzwaren, namelijk de aard van de zonde, de herhaling, de duur en de onboetvaardigheid; maar groter dan dit alles, onmetelijk groter, is de barmhartigheid van God, en de verdienste en genade van Christus. Hoor Hem in Jeremia 3,1: „Gij hebt ontucht bedreven met vele minnaars; keer nochtans tot Mij terug, zegt de Heer.” Hoor Ezechiël, hoofdstuk 18, vers 21: „Als de goddeloze boete doet, enz., zal hij leven en niet sterven: al zijn ongerechtigheden die hij bedreven heeft, zal Ik niet meer gedenken.”


Vers 14: Zie, Gij verdrijft mij

ZIE, GIJ VERDRIJFT MIJ HEDEN VAN HET AANSCHIJN DER AARDE — uit mijn allerliefelijkste en vruchtbaarste vaderland, zegt Oleaster en Pererius, ja van de gehele aarde, daar Gij mij nergens laat verblijven, maar mij voortdurend van het ene gewest naar het andere verdrijft, en mij tot een balling en vluchteling maakt, zowel van het land als bijgevolg van de mensen, alsof hij wilde zeggen: Gij maakt mij tot een voorwerp van haat voor alle mensen, zodat ik hen niet durf aan te zien, noch zij mij waardig keuren aan te zien.

Ik zal voor Uw aanschijn verborgen zijn

Als een schuldige zal ik de tegenwoordigheid van God de rechter ontvluchten, ik zal schuilplaatsen zoeken. Zo H. Ambrosius en Oleaster; ten tweede, ik zal van Uw zorg, gunst en bescherming verstoken zijn. Zo H. Johannes Chrysostomus en Cajetanus. Vandaar is het niet nodig om met Delrio hier zijn toevlucht te nemen tot een hypallage, alsof men wilde zeggen: „Gij zult Uw aanschijn voor mij verbergen, opdat Gij mij niet met gunstige ogen aanziet.” Kaïn zegt daarom, zoals Lipomanus het fraai stelt: Zie, Heer, Gij hebt mij de vruchten der aarde ontnomen, Gij hebt Uw genade en Uw bescherming weggenomen, Gij laat mij aan mijzelf over, ik durf U niet om vergiffenis te naderen; ik zal mij voor U verbergen, ik zal zo goed als ik kan Uw oordeel ontvluchten, ik zal overal een zwerver en onstandvastige zijn, en als Gij mij niet vervolgt, zal ieder ander die mij vindt mij doden, en ik zal mij niet kunnen verdedigen.

Daarom zal ieder die mij vindt mij doden

Merk hier in Kaïn de gevolgen en straffen van de zonde op. Het zijn er zes. Het eerste is beven van het lichaam; het tweede is ballingschap en vlucht; het derde is angst en verslagenheid van de geest. „Ieder”, zegt hij, „die mij vindt, zal mij doden.” Wat vreest gij, o Kaïn? Behalve u en uw ouders is er nog geen ander mens in de wereld. Hij was door de zonde uit de genade Gods gevallen; vandaar straf en siddering: en niet zonder reden. Want ten eerste begon Abel zelf, hoewel dood, de moordenaar te vervolgen: „De stem van het bloed van uw broeder”, zegt de Schrift, „roept tot Mij.” Want „God”, zegt H. Ambrosius, „hoort zijn rechtvaardigen, zelfs wanneer zij dood zijn, omdat zij voor God leven.”

Omdat door het beven van mijn lichaam en de onrust van mijn waanzinnige geest, eenieder zal begrijpen dat ik iemand ben die verdient te worden gedood, zegt Hiëronymus, Brief 125, aan Damascenus, Vraag 1, alsof hij wilde zeggen: Ik ben een uitgestotene, ik ben een vervloekte, ik ben de haat van God en van de mensen, ik zal er niet aan kunnen ontkomen door iemand te worden gedood. Zie het voorteken, zie de schrik van een slecht geweten. Zo H. Ambrosius. Daarentegen vertrouwt de rechtvaardige als een leeuw, en zegt: „Al ga ik door het dal van de schaduw des doods, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt met mij”, Psalm 23, vers 4.

Let op: Kaïn vreesde in zijn onboetvaardigheid de dood — niet van de ziel maar van het lichaam. Zo H. Ambrosius.

Ten vierde, de aarde zelf achtervolgde Kaïn: „De stem van het bloed roept tot Mij van de aarde”, alsof men wilde zeggen: Als uw broeder u spaart, spaart de aarde u niet, zegt H. Ambrosius: deze aarde, voor Kaïn vervloekt, ontzegt hem vruchten en verdrijft hem als een vluchteling.

Ten vijfde boezoemden de hemelse wezens, en evenzo de machten beneden de hemel geplaatst, Kaïn verschrikking in; want, zoals Procopius zegt, behalve verschrikkelijke bliksems en flitsen, zag Kaïn engelen die hem met vurige zwaarden met de dood bedreigden: als hij zijn ogen naar de grond sloeg, meende hij slangen met hun gif, leeuwen met hun klauwen, en andere wilde dieren met hun wapens op hem te zien aanstormen.

Ten zesde was Kaïn een vluchteling op de aarde, en ten slotte, zich verbergend in de bossen (als wij de Hebreeën geloven), werd hij door Lamech gedood; waarover ik zal spreken bij vers 23. Is het niet waar dan, zoals H. Johannes Chrysostomus zegt, dat „de zonde een vrijwillige waanzin en een zelfgekozen demon is?”


Vers 15: Zo zal het niet zijn

ZO ZAL HET NIET ZIJN: MAAR IEDER DIE KAÏN DOODT ZAL ZEVENVOUDIG WORDEN GESTRAFT. Voor „zevenvoudig” heeft het Hebreeuws scibataim, dat Aquila vertaalt met „zevenmaal over”; de Septuagint en Theodotion, „zeven wraaknemingen”, alsof men wilde zeggen: Hij die Kaïn doodt zal veelvoudig en allerstrengst worden gestraft; omdat hij een tweede moordenaar zal zijn, die het slechte voorbeeld van Kaïn als de eerste volgde, en niet door diens zo strenge straf van het doden werd afgeschrikt; en omdat hij de eerste moordenaar Kaïn doodt, aan wie God een waarborg van leven gaf, en die Hij als straf en als voorbeeld voor allen wil laten voortleven, daar het leven zelf zijn kwelling is en de dood zijn troost zou zijn: zodat voor hem lang leven niets anders is dan lang gekweld worden.

Vandaar oordeelt Burgensis treffend dat hier meer straf wordt bedreigd tegen de moordenaar van Kaïn dan tegen Kaïn zelf, om de reeds genoemde redenen. Lyranus, Abulensis, de Karthuizer en Pererius ontkennen dit; en zo ontkennen zij dat zij hier met elkaar worden vergeleken; vandaar onderscheiden zij de passage aldus: „Ieder die Kaïn doodt” — te verstaan: zal allerstrengst worden gestraft — punt. Dan voegen zij toe: „zal zevenvoudig worden gestraft”, namelijk Kaïn; of, zoals Symmachus vertaalt, „de zevende zal worden gestraft”, namelijk Kaïn, omdat in de zevende generatie, namelijk door Lamech, Kaïn verondersteld wordt te zijn gedood, tot dan toe in leven gelaten tot straf en als voorbeeld. Maar deze interpunctie is onbeholpen, nieuw en onsamenhangend: daarom is de eerdere uitleg die ik gaf de juiste. Voeg daarbij dat het Hebreeuwse scibataim niet „de zevende” betekent, zoals Symmachus vertaalt, maar „zevenvoudig”.

En de Heer stelde een teken op Kaïn

Men zal vragen: wat voor teken? Zekere rabbijnen verzinnen dat het een hond was, die altijd voor Kaïn uitging en hem langs veilige paden leidde. Anderen zeggen dat het een letter was, in Kaïns voorhoofd gedrukt; anderen, een woest en grimmig gelaat. Maar de meer algemene mening is dat dit teken een beven van het lichaam was en een verslagenheid van geest en gelaat, zodat zijn lichaam en gelaat zijn zonde spraken. Want dat dit beven in Kaïn aanwezig was, blijkt uit de Septuagint; en het paste bij Kaïn: „want nergens woont een zieke geest slechter dan in een gezond lichaam.”

Josephus voegt eraan toe, voor wat het waard is, dat Kaïn slechter werd en ten slotte een aanvoerder van rovers en goddeloosheid werd, in de stad Henoch die hij stichtte.


Vers 16: Hij woonde als vluchteling in het land

HIJ WOONDE ALS VLUCHTELING IN HET LAND. In het Hebreeuws staat: „hij woonde in het land Nod.” Zo de Septuagint en Josephus, die „Nod” als eigennaam opvatten; onze Vulgaat echter vatte het op als een soortnaam; beiden terecht: want Nod betekent „zwervend”, „onrustig”, „onstandvastig”, „vluchteling”. Dit land dus, waarheen Kaïn het eerst vluchtte, werd Nod genoemd, niet alsof welk land dan ook dat Kaïn met zijn voeten betrad zou schudden en beven, zoals sommige rabbijnen hebben verzonnen; maar het werd het land Nod genoemd, als wilde men zeggen: „het land van de vlucht”, waarheen Kaïn de vluchteling vluchtte.


Vers 17: Zijn vrouw

ZIJN VROUW — een dochter van Adam, en bijgevolg zijn eigen zuster. Want in het begin van de wereld was het noodzakelijk dat zusters met broeders huwden, zeggen H. Johannes Chrysostomus, Theodoretus en Procopius, hetgeen anders door de natuurwet verboden is, zodat zelfs de Paus hierin niet kan dispenseren.

Hij bouwde — niet toen, maar vele (zeg 400 of 500) jaren later, zegt Josephus, toen Kaïn reeds vele zonen en dochters, kleinzonen en kleindochters had verwekt, die Henoch konden bevolken. Zo H. Augustinus, Boek XV van De Stad Gods, hoofdstuk 8. Zinnebeeldig, dezelfde schrijver in hetzelfde boek, hoofdstuk 1: „De eerstgeborene”, zegt hij, „was Kaïn, uit die twee ouders van het menselijk geslacht, behorend tot de stad der mensen; de tweede was Abel, tot de stad Gods. Zo begonnen in het gehele menselijk geslacht, toen die twee steden voor het eerst hun loop namen door geboorten en sterfgevallen, de eerstgeborene was een burger van deze wereld; maar de tweede was een pelgrim in de wereld, behorend tot de stad Gods, door genade voorbestemd, door genade uitverkoren, door genade pelgrim beneden, door genade burger boven.” En kort daarna: „Er staat daarom geschreven van Kaïn dat hij een stad bouwde: maar Abel bouwde er als pelgrim geen. Want de stad der heiligen is boven, hoewel zij hier beneden burgers voortbrengt, onder wie zij op pelgrimstocht is totdat de tijd van haar koninkrijk komt, wanneer zij met haar vorst, de Koning der eeuwen, zonder enig einde van tijd zal heersen.”

Hij noemde haar naar de naam van zijn zoon Henoch — dat wil zeggen, Henochia. Dit was de eerste stad ter wereld, waarin Kaïn ongetwijfeld woonde, en daarom ophield een vluchteling en zwerver te zijn tegen het einde van zijn leven: toch bleef het beven van het lichaam hem altijd aankleven.

Tropologisch zegt H. Gregorius, Boek XVI van de Moralia, hoofdstuk 6: De slechten kiezen hun stad op aarde, de goeden in de hemel: maar zie hoe kort het tijdperk en de vreugde der goddelozen is: Kaïn had slechts een zevende generatie, die eindigt in Lamech, in wie zijn gehele nakomelingschap in de zondvloed omkwam.


Vers 19: Twee vrouwen

TWEE VROUWEN. Lamech, de eerste veelwijver, schond de wet van het monogame huwelijk, vastgesteld in Genesis 2,24. Vandaar noemt Paus Nicolaas, schrijvend aan koning Lotharius die eveneens een veelwijver was, Lamech een echtbreker, zoals te vinden is in het decreet An non, 24, Vraag 3.

Na de zondvloed, toen het menselijk leven korter was en slechts Noach met zijn gezin overbleef, dispenseerde God, opdat het menselijk geslacht niet te traag zou worden voortgeplant, dat het geoorloofd zou zijn verscheidene vrouwen te hebben. Dit blijkt doordat Abraham en Jakob, allerheiligste mannen, er verscheidene hadden. Maar toen het menselijk geslacht eenmaal voldoende was voortgeplant, begonnen de beschaafdere Hebreeën, Grieken en Romeinen de veelwijverij geleidelijk te verwerpen, en ten slotte schafte Christus haar geheel af, Mattheüs 19,4.


Vers 21: Vader (Jubal)

VADER — dat wil zeggen uitvinder, grondlegger; Jubal dus, zoon van Lamech, was de uitvinder van het orgel en de harp; vandaar menen sommigen dat de Latijnen van deze Jubal, die vrolijk, opgewekt en joviaal was, hun woorden jubilare („juichen”) en jubilum („gejubel”) hebben ontleend.


Vers 22: Hameraar en smid

DIE EEN HAMERAAR EN VAKMAN WAS IN ALLE WERKEN VAN BRONS EN IJZER — die de uitvinder was van het smidsambacht. Het Hebreeuws luidt letterlijk: „Die een slijper was”, dat wil zeggen „een polijster van alle werken van brons en ijzer.”


Vers 23: Want ik heb een man gedood

WANT IK HEB EEN MAN GEDOOD EN EEN JONGELING. Men zal vragen: wie was deze man en wie was de jongeling? De Hebreeën, en naar hen H. Hiëronymus, Rabanus, Lyranus, Tostatus, Cajetanus, Lipomanus, Pererius en Delrio, verhalen dat Lamech Kaïn, zijn eigen betovergrootvader, op de volgende wijze doodde. Lamech ging op jacht in het bos waarheen Kaïn zich had teruggetrokken, hetzij om te wandelen, hetzij om de koele lucht te genieten. Zijn metgezel of schildknaap, die het geruis en de beweging van bladeren opmerkte die Kaïn veroorzaakte, vertelde Lamech dat daar een wild dier schuilging. Lamech wierp zijn speer en doodde niet een dier, maar Kaïn. Toen de daad ontdekt werd, sloeg Lamech, ziedend van woede tegen zijn schildknaap die de verkeerde inlichting had gegeven, hem neer met een boog of knuppel; en de schildknaap stierf kort daarna. Zo doodde Lamech een man, namelijk Kaïn, en een jongeling, namelijk zijn schildknaap. Vers 15 vormt hiertegen geen bezwaar; want daar verbiedt God slechts dat Kaïn openlijk en bewust gedood wordt: maar Lamech doodde Kaïn bij toeval en in onwetendheid.

Deze overlevering lijkt echter ongeloofwaardig aan Theodoretus, Burgensis, Catharinus en Oleaster: en zij zal terecht zo voorkomen als de omstandigheden die sommigen eraan toevoegen worden meegerekend, zoals dat Kaïn niet in zijn stad Henoch verbleef en zich verschool, maar in de bossen; dat Lamech blind of slechtziend was, en zo op jacht ging, en door zijn blindheid misleid door zijn metgezel of wapendrager, Kaïn trof; dat deze metgezel of wapendrager Tubalkaïn was, de zoon van Lamech, die Mozes hier zeker bij naam zou hebben genoemd, evenals Lamech de vader.

Het staat daarom vast dat Lamech een zekere man doodde, wie hij ook geweest moge zijn. Hoewel Theodoretus en Rupert menen dat Lamech slechts één persoon doodde, die in het Hebreeuwse lied en ritme „man” wordt genoemd naar geslacht, en „jongeling” naar leeftijd (want de Hebreeën herhalen en verklaren in het poëtisch ritme het eerste halvers in het tweede halvers), leren anderen toch gewoonlijk dat Lamech er twee doodde: want de ene wordt hier „man” genoemd, de andere „jongeling,” en zoals het in het Hebreeuws luidt, ieled, dat wil zeggen „knaap”; maar een knaap kan niet „man” genoemd worden.

Voorts vertaalt een zeker geleerd man bij Emmanuel Sa deze woorden ten onrechte als een vraag, en verklaart ze aldus: Aangezien Lamech kwaad over zich hoorde spreken omdat hij twee vrouwen had genomen, en zij vreesden dat hem daardoor enig onheil zou overkomen, zei hij: Heb ik soms een man gedood, dat gij voor mijn leven zou moeten vrezen? Als de doder van Kaïn zwaar gestraft moet worden, hoeveel te meer dan hij die mij zal doden? Want zowel het Hebreeuws als onze Vulgaat, de Septuaginta, de Chaldeeër en anderen lezen deze woorden bevestigend, niet vragend. Ten onrechte vertaalt ook Vatablus het voorwaardelijk op deze wijze: als ik van enig man, hoe sterk ook, of van een jongeling die krachtig van lijf is, een wond zou ontvangen, zou ik hem doden; want ik ben sterk van kracht; er is dus geen reden, vrouwen, dat gij voor mij of uw kinderen vreest vanwege de polygamie.

Tot mijn wond, en een jongeling tot mijn buil

Dat wil zeggen, door mijn wond, door mijn buil, oftewel door de wond en buil door mij geslagen en toegebracht, zoals blijkt uit het Hebreeuws. Ten tweede verklaren anderen het aldus, alsof hij zegt: Door de wond waarmee ik de man doorstak, heb ik mijzelf bebloed; en door de slag waarmee ik de jongeling verwondde, heb ik een donkere buil over mijn eigen ziel gebracht — namelijk het merkteken en de schuld van doodslag, waardoor ik blootstaat aan vernietiging door een gelijke wond en buil. Vandaar vertalen de Septuaginta: „Ik heb een man gedood tot mijn eigen wond, en een jongeling tot mijn eigen buil.” Want dit is wat de Heer de doodslager David bedreigt: „Gij hebt Uria met het zwaard geslagen, daarom zal het zwaard niet wijken van uw huis in eeuwigheid,” II Koningen hoofdstuk XII.

En hieruit komt het dat doodslagers, doordat hun geweten hen verschrikt, altijd bevreesd zijn, opschrikken van schaduwen, verschrikt worden door de schimmen van de doden die hun moordenaars achtervolgen en hen tot de dood drijven. Sophronius geeft een opmerkelijk voorbeeld in de Geestelijke Weide, hoofdstuk CLXVI, van een rover die, na zijn bekering en monnik geworden zijnde, voortdurend een knaap zag die op hem afkwam en zei: „Waarom hebt gij mij gedood?” Vandaar dat hij, na vergiffenis te hebben gevraagd en het klooster te hebben verlaten, de stad inging, gevangen werd genomen en onthoofd. Deze uitleg is dieper, maar de vorige is eenvoudiger.


Vers 24: Zevenvoudige wraak

ZEVENVOUDIGE WRAAK ZAL GENOMEN WORDEN VOOR KAÏN, MAAR VOOR LAMECH ZEVENENZEVENTIGVOUDIG.

Ten eerste vat Rupert „zevenvoudig” op als tijdelijke straf, en „zevenenzeventigvoudig” als eeuwige straf. Ten tweede, omdat Lamech, zoals Josephus getuigt, 77 nakomelingen had, die allen in de zondvloed omkwamen. Ten derde zeggen H. Hiëronymus, en naar hem Paus Nicolaas aan Lotharius, en Procopius: De zonde van Kaïn werd zevenvoudig gewroken, en die van Lamech zevenenzeventigvoudig, omdat de zonde van Kaïn in het zevende geslacht door de zondvloed werd uitgewist; maar de zonde van Lamech, en van het gehele menselijke geslacht, waarvan Lamech het type was (die in het Hebreeuws hetzelfde betekent als „vernederde,” zegt Alcuinus), werd in het zevenenzeventigste geslacht uitgewist, namelijk door Christus: want er zijn zoveel geslachten van Adam tot Christus, Lucas III, vers 23.

Hiermee verwant is de Chaldeese versie, die aldus luidt: als in zeven geslachten wraak genomen zal worden voor Kaïn, zal het dan niet voor Lamech in zevenenzeventig zijn? Maar Lamech had niet zoveel geslachten: want hijzelf met al zijn nageslacht kwam om in de zondvloed.

Ten vierde verklaren Lipomanus, Delrio en anderen het aldus: de vrouwen van Lamech schijnen hem zijn doodslag verweten te hebben, dreigende dat ook hij op gelijke wijze door anderen zou worden gedood. Hierop antwoordt Lamech: „Want ik heb gedood” — dat wil zeggen, ik heb inderdaad gedood, ik beken het, een man en een jongeling, en ik heb de dood verdiend; maar toch, als de doder van Kaïn (die een vrijwillige moordenaar was) zevenvoudig gestraft moet worden, dan zal de doder van mij (die slechts een toevallige en onvrijwillige doodslager ben, en die berouw heb over de daad) zeker zevenenzeventigvoudig, dat wil zeggen veel zwaarder, gestraft worden: want ik doodde Kaïn onwetend; en mijn wapendrager wilde ik slechts tuchtigen, niet doden.

Maar ik zeg: voor „wraak zal genomen worden” voor Kaïn en Lamech, staat er in het Hebreeuws iuckam Cain vel Lamech, dat wil zeggen, Kaïn zelf en Lamech zullen gewroken en gestraft worden: want zo vertalen onze Vulgaat, de Septuaginta en anderen deze uitdrukking in vers 15. Hier wordt dus geen wraak bedreigd tegen de doder van Kaïn en Lamech, maar tegen Kaïn en Lamech zelf. Lamech zegt daarom, uit de hevigheid van zijn smart en berouw over de tweevoudige gepleegde doodslag: Als Kaïn, die er één doodde, zevenvoudig, dat wil zeggen veelvoudig, zwaar en ten volle gestraft werd; dan moet ik, die er twee doodde, en die de straf van Kaïn zag en toch niet van zijn zonde afzag, zevenenzeventigvoudig, dat wil zeggen veel zwaarder en veelvoudiger gestraft worden. Zo H. Johannes Chrysostomus en Theodoretus.

Want dit is een uitdrukking en spreekwoord dat de Hebreeën vertrouwd is, zodat zij zeggen zevenvoudig gestraft worden voor zwaar, ten volle en op velerlei wijzen gestraft worden; en zevenenzeventigvoudig gestraft worden voor veel zwaarder en overvloediger, en als het ware onmetelijk gestraft worden. Want het getal zeven is het getal van menigvuldigheid en algemeenheid; maar zeventig maal zeven is het getal, als het ware, van onmetelijkheid. Hierop doelde Christus in Matteüs XVIII,22: „Ik zeg u niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal.”

Ten tweede zegt H. Cyrillus nauwkeuriger: Kaïn wordt zevenvoudig gestraft omdat hij zeven zonden beging. De eerste, van ongodsdienstigheid, doordat hij het mindere offerde. De tweede, van onboetvaardigheid. De derde, van afgunst. De vierde, dat hij zijn broeder met list naar het veld lokte. De vijfde, dat hij hem doodde. De zesde, dat hij tegen God loog, zeggende dat hij niet wist waar zijn broeder was. De zevende, dat hij meende voor God te kunnen vluchten en zich te kunnen verbergen, en dat hij zonder Gods medeweten en tegen Zijn wil meende gedood te kunnen worden en te sterven, en aldus de straf van dit leven te kunnen ontvluchten. Maar deze uitleg is meer spitsvondig en gedetailleerd dan degelijk.

Alcazar meent, in Apocalyps XI,2, noot 1, dat zeventig maal zeven hetzelfde is als 490: want dit getal is in de Schrift beroemd en wordt als vol en volmaakt beschouwd; want als men 70 met 7 vermenigvuldigt, krijgt men 490. Zo betekenen wij wanneer wij „driemaal vier” zeggen, twaalf; anders zouden wij zeggen „drie en vier.” Maar deze uitleg lijkt spitsvondiger, en dit getal lijkt groter dan passend is. Zoals wij dus zeggen „twintigmaal drie” voor 23 keer, zo ook „zeventigmaal zeven” voor 77 keer. Een soortgelijke uitdrukking staat in Amos hoofdstuk I, verzen 6, 9, 11: „Om drie misdaden van Gaza, en om vier, zal Ik het niet herroepen.” Want drie en vier duiden op de ontelbare misdaden van Gaza.

De Schrift vermeldt deze dingen over Lamech, uit afkeer van veelwijverij en doodslag; en opdat wij weten dat de eerste veelwijver Lamech ook de tweede doodslager was: want de val van wellust naar twist en moord is gemakkelijk.

Naar de mening van Hessius beroemt Lamech zich vanwege zijn zonen, die uitvinders waren van zulke nuttige kunsten: dat Kaïn, zijn voorvader, niet voor moord was gestraft, en dat hijzelf nog veel minder gestraft kon worden als hij een soortgelijke misdaad had begaan. Want de woorden duiden niet aan dat er werkelijk een moord door hem was gepleegd, maar zijn de woorden van een uiterst aanmatigend en goddeloos man. Bovendien blijkt dat deze woorden door Mozes uit een zeker oud gedicht zijn ingevoegd: want de hele toespraak ademt een zekere dichterlijke verhevenheid. De zin van deze twee verzen zal daarom zijn: Als mij wegens de doodslag van een man of jongeling wonden en slagen worden bedreigd, aangezien voor Kaïn een zevenvoudige straf werd vastgesteld, zal het in Lamech zevenenzeventigvoudig zijn. Herder meent, in zijn boek Over het karakter van de Hebreeuwse poëzie, Deel I, blz. 344, dat dit lied van Lamech de lof bezingt van het zwaard dat door zijn zoon was uitgevonden, waarvan hij het gebruik en de voortreffelijkheid tegen vijandige aanvallen van anderen met deze woorden verkondigt: „Vrouwen van Lamech, hoort mijn rede, luistert naar mijn woorden: Ik dood de man die mij verwondt, de jongeling die mij slaat. Als Kaïn zevenvoudig gewroken zal worden, in Lamech zal het zevenenzeventigvoudig zijn.”


Vers 25: Seth

„En zij noemde” — niet Adam, maar Eva, zoals blijkt uit het Hebreeuwse micra, dat vrouwelijk is. „Zijn naam Seth.” Seth betekent hetzelfde als „thesis,” dat wil zeggen een plaatsing of grondslag; want de wortel suth betekent plaatsen, vestigen. Eva schijnt dus, nadat Abel was gedood, spoedig Seth gebaard te hebben, en hem zo genoemd te hebben als de grondslag van haar nageslacht en nakomelingschap, en bijgevolg van het gemenebest en evenzeer van de Kerk en de Stad Gods; want Seth zou dit in de plaats van Abel zijn, zoals Kaïn het hoofd en de grondslag was van de stad des duivels, waarover H. Augustinus schreef in zijn boek De Stad Gods. Suidas voegt toe dat Seth, vanwege zijn vroomheid, wijsheid en sterrenkunde, de bijnaam God ontving, omdat hij de uitvinder was van de letteren en de sterrenkunde.

Voorts waren de Sethiaanse ketters dwaas, die zich erop beroemden van Seth, de zoon van Adam, af te stammen. Dezen, zegt Epiphanius, Ketterijen 39, verheerlijkten Seth en schreven aan hem alles toe wat tot deugd en gerechtigheid behoort, en beweerden zelfs dat hij Jezus Christus was. Want zij beweerden dat Seth was voortgebracht door een hemelse moeder, die boete had gedaan omdat zij Kaïn had voortgebracht; maar later, toen Abel was gedood en Kaïn verstoten, had zij zich verenigd met de hemelse vader en zuiver zaad voortgebracht, namelijk Seth zelf, van wie het gehele menselijke geslacht afstamde. Dit waren de gebruikelijke waanbeelden van ketters.


Vers 26: Hij begon aan te roepen

Enos betekent in het Hebreeuws hetzelfde als zwak, beproefd, ellendig, van hopeloze gezondheid, aan een zekere dood overgegeven. Het schijnt daarom dat Seth zijn zoon zo noemde om hem en zijn nakomelingen te herinneren aan hun ellendig lot en sterfelijkheid, waaraan wij allen vanwege de zonde zijn onderworpen. Zoals dus Adam zijn naam ontleent aan adama, als het ware „mens” van „aarde,” zo wordt Enos genoemd naar ellende en sterfelijkheid. Omgekeerd wordt de mens in het Grieks anthropos genoemd, als het ware anathron, dat wil zeggen omhoogkijkend; of, zoals H. Athanasius zegt in zijn traktaat Over Definities, van het feit dat hij met zijn gelaat omhoog blikt.

Ten tweede kan de mens Enos genoemd worden van de wortel nasa, dat wil zeggen „hij vergat,” zodat Enos hetzelfde betekent als vergeetachtig, en op zijn beurt snel aan de vergetelheid over te geven. Op deze etymologie zinspeelt de Psalmist in Psalm 8: „Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt?”

Hierbij behoort wat Josephus schrijft, dat Adam de vernietiging van de wereld en van de mensheid voorspelde, en wel een tweevoudige: de ene door de zondvloed, de andere door brand en vuurgloed; en dat daarom de vrome en wijze nakomelingen van Seth twee zuilen oprichtten, de ene van baksteen, de andere van steen, en daarop hetzij hun ontdekkingen, kunsten en wetenschappen inscreven, hetzij geschriften erin opborgen, tot onderricht van het nageslacht en om hun nagedachtenis voor toekomstige geslachten te bewaren; en dit met het plan dat, als de bakstenen zou vergaan in de zondvloed, de stenen zou blijven bestaan. Deze, zegt Josephus, bestaat nog steeds in Syrië.

Hij begon de naam des Heren aan te roepen

Alsof men zegt: Enos was de bewerker ervan dat de mensen overal God naar behoren vereerden. Vandaar staat er in het Hebreeuws: toen werd er begonnen, namelijk openbaar en in samenkomsten, onder leiding van Enos, de naam des Heren aan te roepen. In de tijd van Enos schijnen dus samenkomsten van mensen te zijn ingesteld en begonnen te zijn bijeengebracht tot de Kerk, voor openbare gebeden, openbare prediking en catechese, voor openbare eredienst aan God door offers, en andere riten en ceremoniën.

Thomas van Walden voegt toe, en naar hem Bellarminus, boek II Over de Monniken, hoofdstuk V, dat Enos een bijzondere eredienst instelde, verhevener dan de godsdienst van het gewone volk: want vóór Enos hadden Abel, Seth en Adam reeds God aangeroepen. Vandaar menen zij dat Enos iets als een voorspel en begin van het Religieuze en Kloosterleven instelde. Voorts vertalen de Septuaginta: „hij hoopte de naam des Heren aan te roepen.” Want het Hebreeuwse huchal betekent niet alleen „beginnen” maar ook „hopen,” van de wortel iachel; en hoop is de oorzaak van aanroeping.

De Rabbijnen vertalen ten onrechte: „toen werd de aanroeping van de naam des Heren ontheiligd,” alsof de afgodendienst in de tijd van Enos begon. Want hoewel huchal van de wortel chol „ontheiligen” kan betekenen, stamt het hier echter niet af van chol, maar van chalal, dat in de hifil hechel heeft, en „hij begon, hij ving aan” betekent; in de hofal heeft het huchal, dat wil zeggen „er werd begonnen,” zoals onze Vulgaat vertaalt, evenals de Chaldeeër, Vatablus, Forster, Pagninus en anderen in het algemeen. Evenmin vertalen Cyrillus, Theodoretus en Suidas correct: „hij begon met de naam des Heren genoemd te worden,” alsof de naam van zonen Gods aan Enos zelf, vanwege zijn uitstekende vroomheid jegens God, en aan zijn kinderen werd gegeven.

Des Heren

In het Hebreeuws is dit de tetragrammatische naam Jehova. Vandaar menen Rupert, Cajetanus en anderen dat deze naam aan Adam en Enos was geopenbaard, en dat zij God daarmee aanriepen. Maar het is waarschijnlijker dat deze tetragrammatische naam het eerst aan Mozes werd geopenbaard, zoals ik zal zeggen bij Exodus VI,3. Mozes dus, die deze dingen schreef, gebruikt, nadat hij deze naam van God ontving bij Exodus VI, die naam overal in eerdere passages, zelfs in Genesis, om God aan te spreken, hoewel Adam, Enos en de andere Aartsvaders God destijds niet als Jehova, maar als Elohim of Adonai aanspraken.

H. Thomas meent, II-II, Quaestio XCIV, artikel 4, antwoord 2, dat er in de eerste tijd van de wereld geen afgodendienst was, vanwege de verse herinnering aan de schepping van de wereld. Maar deze redenering gaat niet geheel op: want de verse herinnering aan de zondvloed, en aan zo'n grote wraak Gods, verhinderde niet dat de afgodendienst al spoedig weer binnensloop. Vandaar menen Torniellus en anderen dat er ook toen reeds afgodendienst was in andere families van Adam; en dat Enos daaraan de openbare eredienst van de ene God tegenover stelde, en aldus de zichtbare gedaante van de Heilige Kerk instelde.